• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x
III.10

In de Latijnse traditie putten Ambrosius en Augustinus uit de rijkdom van de ’mysteries’ van de kerk, het liturgische leven, het gebed en vooral uit het sacramentele leven, dat in de Latijnse kerk vanaf de vierde eeuw bloeide. Ambrosius, wiens kennis van het Grieks hem in staat stelde veel van de oosterse traditie naar het Westen te brengen, baseerde zijn onderrichtingen op het sacrament van het doopsel, de biecht en de eucharistie. Dit verschaft ons niet alleen een onschatbare getuigenis over het sacramentele leven van de Latijnse kerk, maar ook over de manier waarop de Ecclesia orans het mysterie van Gods verlossend handelen in het verleden (objectieve verlossing), tegenwoordige en toekomstige Christusgebeuren (subjectieve verlossing) opvatte. Vgl. H. Ambrosius van Milaan, De Incarnationis Dominicae Sacramento. CSEL 79, 225-281; PL 16, 853-884 Vgl. H. Ambrosius van Milaan, De Mysteriis. CSEL 73, 89-116; PL 16, 405-426 Vgl. H. Ambrosius van Milaan, Boek, Over de Sacramenten, De Sacramentis (1 jan 387). CSEL 73, 15-85; PL 16, 435-482 Vgl. H. Ambrosius van Milaan, Tegen de Novatianen, De Paenitentia. CSEL 73, 119-206; PL 16, 485-546

III.11

Augustinus is geen vernieuwer van het christelijke denken over de verlossing. Hij bewerkt de tradities, praktijken en gebeden van de kerk die hij ontvangen heeft echter scherpzinnig en met inzicht en maakt er een samenvatting van. Alleen God kan de mensheid behulpzaam zijn bij haar machteloosheid. Vgl. H. Augustinus, De genade van Christus en de erfzonde, De gratia Christi et de peccato originali. 25,29: CSEL 42, 188-190; PL 44, 399-400 Augustinus onthult de diepe kloof tussen onze huidige staat en onze goddelijke roeping. Er kan geen sprake zijn van een akkoord tussen God en Satan. Verlossing kan alleen werk van genade zijn. Vgl. H. Augustinus, De natura et gratia. 23,25: CSEL 60, 251; PL 44, 263 Vgl. H. Augustinus, Over de Drie-eenheid, De Trinitate. 14, 16, 22: CCL 50a, 451-454; PL 42, 1052-1054 In Gods heilsplan is Christus’ zending tot een bepaalde tijd beperkt, maar toch is er sprake van een bovenaardse werkelijkheid: de liefde van de boze God voor de mensheid. Deze eeuwigdurende liefde brengt, door de kruisiging en dood van Christus, verzoening en de staat van zonen en dochters. Vgl. H. Augustinus, Enchiridion ad Laurentium de fide et spe et caritate. 10, 33: CCL 46, 67-68; PL 40, 248-249 Het verlossingswerk moet zowel God als de mens waardig zijn, en daarom vergeeft en vergeet God de zonde alleen als de mens berouw heeft en boete doet. Wanneer dit gebeurt, vernietigt God de zonde en de dood. Daarom zijn herstel en verzoening gebaseerd op gerechtigheid, aangezien de mensheid alleen op deze manier verantwoord bij de heilsgeschiedenis betrokken kan worden. De mensheid wordt zo naar de verzoening getrokken dat zij het heil en de verlossing actief aanvaardt.

III.12

Verlossing is geen gebeurtenis die de mens eenvoudig overkomt. Wij worden er actief bij betrokken, door ons hoofd, Jezus Christus. Het verlossende offer van Christus is het hoogste punt van de cultische en morele activiteit van de mensheid. Het is het enige verdienstelijke offer (sacrificium singulare). De dood van Jezus Christus is een volmaakt offer en een daad van aanbidding. De kruisiging is de voltooiing van alle eerder aan God opgedragen offers. Door de Vader aanvaard, verkrijgt het heil voor Christus’ broeders en zusters. Augustinus hernam een idee dat, zoals bij Ambrosius, geassocieerd werd met zijn opvatting over het verlossende effect van het sacramentele leven van de kerk, en vooral van het doopsel, en leerde dat alle offers, met inbegrip van dat van de kerk, slechts een ’figuur’ latijn: figura; grieks: eterosis kunnen zijn van het sacrificium singulare, het offer van Christus. Vgl. H. Augustinus, Enchiridion ad Laurentium de fide et spe et caritate. 10, 33: CCL 46, 68; PL 40, 249 Vgl. H. Augustinus, Enchiridion ad Laurentium de fide et spe et caritate. 13, 41: CCL 46, 72-73; PL 40, 252-253

III.13

Hoewel verlossing louter genade is, brengt zij de satis-factio met zich mee, bewerkstelligd door de gehoorzaamheid van Gods Zoon, Wiens bloed de losprijs is waardoor hij rechtvaardiging en bevrijding verdiende en verkreeg. Vgl. H. Augustinus, Over de Drie-eenheid, De Trinitate. 13, 14, 18-15, 19: CCL 50a, 406-408; PL 42, 1027-1029 Jezus Christus levert deze strijd als een menselijk wezen en redt op deze manier de eer van de mensheid in zijn volmaakte antwoord aan God (de van de mensheid gevraagde factio) en openbaart ook de majesteit van God (het satis van God dat de satisfactio volledig maakt). Aldus is Christus niet alleen een genezer maar ook een heiligmaker, Die redt door te heiligen. Een traditie van de vroege Vaders voortzettend, benadrukt Augustinus dat Christus het hoofd van de mensheid is, maar omdat Hij voor alle tijden en voor Zijn Menswording ook al de Heiland van de mensheid was, beïnvloedt Christus iedere afzonderlijke mens, evenals de mensheid in het algemeen.

Document

Naam: ENKELE VRAAGSTUKKEN OVER GOD ALS VERLOSSER
Soort: Internationale Theologische Commissie
Auteur: Internationale Theologische Commissie
Datum: 29 november 1994
Copyrights: © 1996, SRKK Kerkelijke Documentatie jrg. 24, nr. 8
In opdracht van p. Georges Cottier o.p., secr.-gen. van de ITC, vertaald door prof. dr. J. Ambaum m.m.v. mw. drs. M.-L. Meulemans
Bewerkt: 4 augustus 2020

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2020, Stg. InterKerk, Schiedam