• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

Juist vanuit de begrippen zonde of zondeval enerzijds en genade of vergoddelijking anderzijds lijkt het evident dat de gevallen menselijke natuur niet uit zichzelf in staat was zijn verbroken relatie met God te herstellen en vriendschap met Hem te sluiten. Een echte Verlosser moest daarom goddelijk zijn. Toch was het zeer passend dat de mensheid een rol zou spelen bij het herstellen van zijn eigen collectieve fout. Met de woorden van Thomas van Aquino: ”Een louter mens kon geen genoegdoening bieden voor het hele menselijk geslacht; anderzijds hoefde God geen genoegdoening te bieden; daarom was het passend (oportebat) dat Jezus Christus zowel God als mens was.” H. Thomas van Aquino, Summa Theologiae. III, q. 1, 2c Volgens het christelijk geloof heeft God de schuld van de mens niet uitgewist zonde de deelname van de mensheid in de persoon van de nieuwe Adam, in wie het hele geslacht hersteld zou worden.

De verlossing is daarom een proces waar zowel de godheid als de mensheid van Christus bij betrokken zijn. Als Hij niet goddelijk was, zou Hij Gods effectieve oordeel van vergeving niet kunnen uitspreken, en zou Hij geen deel kunnen hebben aan Gods innerlijke drie-ene leven. Maar als Jezus Christus geen mens was, zou Hij in naam van de mensheid geen herstel kunnen bewerkstelligen voor de misstappen begaan door Adam en Adams nakomelingen. Alleen omdat Hij beide naturen heeft, kon Hij het representatieve hoofd zijn die genoegdoening biedt voor alle zondaars en hun genade schenkt.

Als werk van God ad extra is de verlossing toe te schrijven aan alle drie de goddelijke Personen, maar wordt in verschillende opzicht aan ieder van hen toegeschreven. Het initiatief waardoor de Zoon en de Geest naar de wereld worden gezonden, wordt aan de Vader toegeschreven, de oorspronkelijke bron waar alle zegeningen uit voortvloeien. De Zoon brengt de ommekeer tot stand waardoor wij getransformeerd worden van vijandschap in vriendschap met God, omdat Hij mens wordt en aan het kruis sterft. De Heilige Geest, gezonden naar de geest en het hart van gelovigen, stelt hen in staat persoonlijk deel te hebben aan de weldaden van Gods verlossend handelen. Na de Hemelvaart van Christus stelt de Heilige Geest de vruchten van Christus’ verlossende werkzaamheid in en door de kerk tegenwoordig. H. Paus Johannes Paulus II, Encycliek, Over de Heilige Geest in het leven van de Kerk en de wereld, Dominum et vivificantem (18 mei 1986), 11.14.24.28.63. het verband tussen de zending van de Zoon en van de Heilige Geest in het mysterie van de verlossing is door Johannes Paulus II onderzocht in deze encycliek, in het bijzonder in deze nummers

Wie is de verlosser? Deze vraag kan alleen van binnenuit de kerk en door de kerk beantwoord worden. De Verlosser kennen wil zeggen tot de kerk behoren. Augustinus benadrukt dit in zijn leer over de totale Christus, Christus totus, Hoofd en Leden samen. Zoals Gregorius de Grote bevestigt: ”Onze Verlosser wordt samen met de heilige kerk, die Hij tot de zijne gemaakt heeft, als één enkele persoon beschouwd.” H. Paus Gregorius de Grote, Moreel commentaar op (het boek) Job, Moralia in Job. Praef. I, 6, 4 Vgl. Catechismus-Compendium, Catechismus van de Katholieke Kerk (15 aug 1997), 795. voor verdere referenties Het leven van de kerk als het Lichaam van Christus mag niet afgesneden worden van het leven van het Hoofd. Johannes Eudes geeft een initiële benadering van een beschrijving van de uniciteit van de Verlosser: ”Wij moeten de stadia van het leven en de mysteries van Christus voortzetten en in onszelf vervullen. Wij moeten dikwijls tot Hem bidden dat Hij die mysteries in ons en in heel Zijn kerk voltooit en tot vervulling brengt. …Want Gods Zoon heeft het voornemen Zijn mysteries aan ons mee te delen, ze in heel Zijn kerk op een of andere wijze te ontwikkelen en voort te zetten.” Catechismus-Compendium, Catechismus van de Katholieke Kerk (15 aug 1997), 521 Vgl. Catechismus-Compendium, Catechismus van de Katholieke Kerk (15 aug 1997), 512-570 2e Vaticaans Concilie - Constitutie
Gaudium et Spes
Over de Kerk in de wereld van deze tijd
(7 december 1965)
geeft uitdrukking aan deze alles omvattende uniciteit van de Verlosser: “In werkelijkheid licht het mysterie van de mens alleen op in het mysterie van het mens geworden Woord. Adam, de eerste mens, was immers de voorafbeelding van de toekomstige mens, namelijk Christus de Heer. Christus, de laatste Adam, maakt juist door de openbaring van het mysterie van de Vader en diens liefde de mens voor zichzelf duidelijk en geeft hem inzicht in zijn zeer hoge roeping. … Daar de menselijke natuur in Hem onverkort is overgenomen, is juist daardoor deze natuur ook in ons tot hoge waardigheid verheven. Hij heeft zich immers, als Zoon van God, door zijn menswording in zekere zin met iedere mens verenigd. Met menselijke handen heeft Hij werk verricht, met een menselijke geest heeft Hij gedacht, met een menselijke wil heeft Hij gehandeld, met een menselijk hart heeft Hij liefgehad.” Johannes Paulus II geeft een weerklank hiervan in H. Paus Johannes Paulus II - Encycliek
Redemptor Hominis
De Verlosser van de mensen
(4 maart 1979)
: “Christus heeft Zichzelf voor altijd met iedere mens verenigd door het mysterie van de verlossing.” H. Paus Johannes Paulus II, Encycliek, De Verlosser van de mensen, Redemptor Hominis (4 mrt 1979), 13. 3

Door de menswording van het Woord wordt de uniciteit van de Verlosser voor ons al in Zijn verlossende kracht zichtbaar. In het paasmysterie heeft de Verlosser het heil voor allen beschikbaar gemaakt: ”en wanneer Ik van de aarde zal zijn omhoog geheven, zal Ik allen tot Mij trekken” (Joh. 12, 32). De gave van Pinksteren stelde Zijn apostelen en leerlingen tenslotte in staat te herkennen wie en wat Jezus was, zoals zij zich in de gemeenschap van de kerk - het onderricht, het breken van het brood, de gebeden (Hand. 2, 42) - ervan bewust werden wat Jezus voor hen had gedaan, wat Hij had onderwezen en opgedragen. Dit is precies de functie van de Heilige Geest in de theologie van Johannes. Vgl. Joh. 13-15

Daarom kunnen wij, als menselijke wezens, slechts binnen en door de kerkgemeenschap te weten komen wie de Verlosser is. Christus kan niet van de kerk geïsoleerd worden. Hij is juist degene die Zijn lichaam als kerk voedt en zo de gemeenschap van gelovigen betrekt bij het tot stand brengen van de verlossing. Het zou ook fout zijn de kerk te belasten met een autonomie die zij niet alleen kan dragen.

De uniciteit van Christus moet begrepen worden binnen deze ’christologische constellatie’ die in de kerk een concrete vorm krijgt. Het paasmysterie vormt de context voor het kerkelijk jaar in de liturgie. Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de heilige liturgie, Sacrosanctum Concilium (4 dec 1963), 102-104 De christenen worden uitgenodigd om - door hun objectieve geloof (fides quae) en ook in overeenstemming met hun eigen mogelijkheden binnen de kerkgemeenschap - Christus te belijden en te prediken als de unieke en enige Verlosser van deze wereld, zodat de kerk het universele heilssacrament is. Het Christusgebeuren wordt door de kerk beschikbaar gesteld naarmate de kerk de uniciteit van de Verlosser waarneemt, uitlegt en predikt.

De kerk stelt de unieke en enige Verlosser tegenwoordig doordat zij, als gemeenschap (koinonia) die van het paasmysterie leeft, allen verwelkomt die rechtvaardiging in Christus ervaren via het doopsel of het sacrament van de verzoening en de verlossing willen beleven. Ook al moeten we er hier rekening mee houden dat de communio met Christus’ offer (prosphora) ook een aandeel in Zijn lijden met zich meebrengt, Vgl. Kol. 1, 24 draagt dit lijden met Christus, dat zowel sacramenteel als werkelijk in het christelijke leven tot uitdrukking komt, bij tot het opbouwen van de kerk en is daarom verlossend.

De betekenis van de verlossing en de uniciteit van de Verlosser worden geopenbaard door de activiteiten die constitutief zijn voor de kerk in deze wereld: martyria, diakonia en leitourgia. Als koinonia van de Heer roept de kerk de mensheid op tot een altruïstische en opofferende (prosphora) levensstijl, die zijn grondslag voornamelijk in de eucharistie heeft maar ook in de gemeenschap der heiligen, waarbinnen Maria een bijzondere plaats inneemt. Deze kennis, verworven vanuit het levende geloof van de kerk, dat er een intersubjectiviteit bestaat tussen de verlosten en de unieke en enige Verlosser, kan geobjectiveerd worden in authentieke theologische uitspraken. Dergelijke uitspraken kunnen, wanneer ze uitgaan van de objectiviteit van de Verlosser, het geloofsleven van de afzonderlijke mens versterken en het een precieze vorm geven. Erg oud, bijvoorbeeld, en onlosmakelijk verbonden met de kennis van de uniciteit van de Verlosser is de viering van de zondag als de dag van de verrijzenis van de Gekruisigde.

De verbondenheid van de kerk met het verlossingswerk van Christus komt op eminente wijze tot uitdrukking in de persoon van Maria, de Moeder van de kerk. Door een bijzondere genade is zij van alle zonde gevrijwaard, en haar verbondenheid met het verlossingswerk van Christus bereikte zijn hoogtepunt tijdens de kruisiging, toen zij ”smartelijk met haar Eniggeborene heeft meegeleden en zich met haar moederhart bij dit offer heeft meegeleden, liefdevol toestemmend in de slachting van het offerlam dat uit haar was geboren”.2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk, Lumen Gentium (21 nov 1964), 58 Met de woorden van Johannes Paulus II: ”bij de verlossingsdood van haar Zoon heeft het moederlijke middelaarschap van de dienstmaagd des Heren een universele omvang gekregen… De medewerking van Maria is in haar ondergeschikt karakter deelname aan de universaliteit van het middelaarschap van de Verlosser, de enige Middelaar.” H. Paus Johannes Paulus II, Encycliek, Moeder van de Verlosser, Redemptoris Mater (25 mrt 1987), 40

De Vader heeft ons tot Zijn kinderen gemaakt doordat Hij ons door de menselijke wil van Christus heeft verlost. Door Christus’ gehoorzaamheid aan de wil van de Vader en omdat Hij zijn leven gaf voor velen, Vgl. Mc. 14, 24 Vgl. Mc. 10, 45 Internationale Theologische Commissie, La coscienza che Gesù aveva di se stesso e della sua missione (1 jan 1985). thesis 2 krijgen Zijn persoon en Zijn verlossingswerk in onze wereld een betekenis en een waardigheid die uniek en onvergelijkbaar zijn. Christus’ voortkomst uit de Vader gaat door in Zijn overgave voor ons. Deze unieke relatie kan, juist door zijn eigen aard, theologisch niet in enige andere godsdienst geïntegreerd worden, al is het verlossingswerk voor allen toegankelijk. Het feit dat Christus’ menselijke wil als Verlosser historisch geconditioneerd is, sluit op zich de mogelijkheid niet uit dat Hij menselijk gezien sui generis is, waarnaar de brief aan de Hebreeën wellicht verwijst als ”gehoorzaamheid leren”, een gehoorzaamheid die Christus in het mysterie van Pasen radicaal zal verwerkelijken. Omdat deze menselijke wil van Christus als Verlosser volledig in overeenstemming is met de goddelijke wil (”Niet mijn wil, maar Uw wil geschiede”, is Christus, als mensgeworden middelaar, ook onze voorspreker in het hemelse heiligdom. Vgl. Brief aan de Hebreeën; eucharistische gebeden

De opvatting van de zelfgave van de Verlosser voor allen is ongetwijfeld afhankelijk van het paasmysterie, maar is niet minder afhankelijk van het mysterie van de Incarnatie en van de mysteries van Christus’ leven, die voor de christenen een uitnodiging en een voorbeeld vormen om hun leven als filii in Filio te lijden. Vgl. Rom. 8, 15-17 Hier wordt duidelijk dat het christelijke leven een trinitaire dimensie heeft. In de loop van de rechtvaardiging die de gelovigen in de kerk ten deel kan vallen, gaat de christelijke ervaring met de Verlosser over in een heiliging van het verloste leven dat - intenser dan bij de rechtvaardiging - geleid en vervolmaakt wordt door de Heilige Geest. Dit betekent dat we, door Christus in de Heilige Geest, uitgenodigd worden, nu reeds, te delen in het goddelijk leven van de Drie-eenheid. De gave van de Vader, namelijk de persoon van Zijn Zoon en het deelhebben aan de Heilige geest, verbiedt dus een pelagianisme dat wil trachten de menselijke natuur met haar eigen middelen te rechtvaardigen en sluit tevens een quiëtisme uit dat de menselijke persoon te weinig wil inschakelen.

Het christelijke leven wordt door de traditie correct gezien als een voorbereiding op eeuwige gemeenschap met God. In deze zin zijn we ’in het vlees’ onderweg naar onze unieke en enige Heer, de Verlosser, om eens vollediger met Hem verenigd te zijn. Toch openbaart de uniciteit van de Verlosser zich in het leven van gelovigen hier en nu. In deze wereld, getekend als die is door zowel de goedheid van de schepping als de zondigheid van de zondeval, trachten de christenen, door hun navolging van Christus, de verlossing te beleven en te verbreiden. Hun deugdzaam leven en het voorbeeld van een christelijke levensstijl maken het voor mensen in elk tijdperk mogelijk Hem te leren kennen die de unieke en enige Verlosser van deze wereld is. Hieruit bestaat nu juist evangelisatie.

Document

Naam: ENKELE VRAAGSTUKKEN OVER GOD ALS VERLOSSER
Soort: Internationale Theologische Commissie
Auteur: Internationale Theologische Commissie
Datum: 29 november 1994
Copyrights: © 1996, SRKK Kerkelijke Documentatie jrg. 24, nr. 8
In opdracht van p. Georges Cottier o.p., secr.-gen. van de ITC, vertaald door prof. dr. J. Ambaum m.m.v. mw. drs. M.-L. Meulemans
Bewerkt: 7 november 2019

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2020, Stg. InterKerk, Schiedam