• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

Behalve dat we de opvattingen over de verlossing beschouwen van de grote wereldgodsdiensten en de meer plaatselijke traditionele vooroudergodsdiensten van veel menselijke culturen, moeten we ook nog enige aandacht besteden aan andere eigentijdse alternatieve bewegingen en leefstijlen die hun aanhangers heil beloven (bijvoorbeeld de moderne cultussen, diverse New Age-bewegingen en de ideologieën betreffende autonomie, emancipatie en revolutie). Voorzichtigheid op dit gebied is echter geboden en het gevaar van overmatige simplificatie moet, zo mogelijk, vermeden worden.

Het zou bijvoorbeeld misleidend zijn te suggereren dat hedendaagse mannen en vrouwen maar in één van twee categorieën zouden vallen: ofwel die van een zelfbewuste moderniteit, die gelooft in de mogelijkheid van zelfverlossing, of die van een ontgoochelde postmoderniteit, die wanhoopt aan iedere verbetering van het menselijk bestaan, als het ware, ‘van binnenuit’ en slechts vertrouwt op de mogelijkheid van heil van ‘buitenaf’. Wat men, in plaats daarvan, vindt is cultureel en intellectueel pluralisme, een breed scala van verschillende analyses van het menselijk bestaan en een verscheidenheid van wegen om te trachten het hoofd eraan te bieden. Naast een soort vlucht in aangenaam amusement of boeiende, voorbijgaande attracties van het hedonisme, vinden we een terugkeer naar verschillende ideologieën en nieuwe mythologieën. Naast een min of meer berustend lucide en moedig stoïcisme, vinden we zowel een gedesillusioneerdheid die claimt praktisch en realistisch te zijn, en een vastberaden protest tegen de reductie van de mens en zijn omgeving tot verhandelbare hulpbronnen die geëxploiteerd kunnen worden, en tegen de daarmee corresponderende relativering, onderwaardering en uiteindelijk banalisering van de duistere kant van het menselijke bestaan.

Eén ding is in de hedendaagse situatie daarom overduidelijk: het concrete menselijke bestaan is vol dubbelzinnigheden. Men kan beide ’polen’ waartussen elke individuele mens, en de mensheid in zijn geheel, in feite verscheurd wordt, op verschillende manieren beschrijven. Er is bijvoorbeeld in elk individu enerzijds een onuitroeibaar verlangen naar leven, geluk en vervulling, en anderzijds de onvermijdelijke ervaring van beperktheid, ontevredenheid, falen en lijden. Als men van het individuele naar het algemene niveau overgaat, krijgt men hetzelfde beeld te zien op grotere schaal. Hier kan men enerzijds ook wijzen op de onmetelijke vooruitgang die mogelijk is gemaakt door wetenschap en technologie, door de verspreiding van de communicatiemiddelen, en door de vooruitgang die bijvoorbeeld geboekt is op het gebied van het privaat-, staats- en internationaal recht. Maar anderzijds moet men ook wijzen op de vele rampen in de wereld, en op de enorme corruptie onder de mensen; het resultaat hiervan is dat een heel groot aantal mensen onder verschrikkelijke onderdrukking en uitbuiting lijden, en hulpeloze slachtoffers worden van wat henzelf slechts als een wreed lot kan voorkomen. Het is duidelijk dat, ondanks verschil in nadruk, een onbekommerd optimisme over de algemene en universele vooruitgang door de technologie in onze dagen merkbaar terrein verloren heeft. En juist in de actuele context van wijd verbreid onrecht en het ontbreken van hoop moet de verlossingsleer vandaag de dag gepresenteerd worden.

Het is evenwel belangrijk op te merken dat het christelijk geloof geen voorbarig oordeel velt: door ofwel in toto af te wijzen of door kritiekloos goed te keuren. Met zowel goede wil als onderscheiding te werk gaand, signaleert het bij de grote verscheidenheid aan analyses en houdingen die het tegenkomt, enige fundamentele intuïties die op zich overeen lijken te komen met een diepe waarheid betreffende het menselijk bestaan.

Het geloof merkt, bijvoorbeeld, op dat mensen, ondanks en binnen hun beperkingen, toch een mogelijke verwerkelijking van hun leven zoeken; dat kwaad en lijden door hen, kortom, ervaren worden als iets ten diepste ‘abnormaals’; dat de verschillende vormen van protest die vanuit dit perspectief opkomen, er op zich al een teken van zijn, dat mensen wel ‘iets anders’ moeten zoeken, ’iets meer’, ’iets beters’. En tenslotte begrijpt het christelijke geloof, als gevolg hiervan, dat de mensen van deze tijd niet eenvoudig op zoek zijn naar een verklaring van hun bestaan, maar wachten of hopen - of zij dat toegeven of niet - op een effectieve bevrijding van het kwaad en een bevestiging en verwerkelijking van al het positieve in hun leven: het verlangen naar het goede en het betere, enzovoorts.

Terwijl de kerk erkent dat het belangrijk is dat zij zich inspant om de actuele problemen van de mensen in de wereld, de verschillende houdingen die er het gevolg van zijn en de concrete voorstellen voor oplossingen te begrijpen en te beoordelen, erkent ze toch ook de noodzaak de fundamentele kwestie die aan deze problemen ten grondslag ligt en noodzakelijkerwijs ook ten grondslag ligt aan ieder voorstel voor oplossingen, nooit uit het oog te verliezen, het vraagstuk van de waarheid. Wat is de waarheid van de bestaansconditie van de mens? Wat is de betekenis van het menselijk bestaan, en waarop kunnen mensen - vanuit het perspectief van het heden - uiteindelijk hopen? Bij het presenteren van de verlossingsleer aan de wereld kan de kerk wellicht enige uiteenlopende perspectieven op de laatste vragen bieden, en zich concentreren op het aspect van het christelijke verlossingsgeloof dat wellicht voor de mensheid het belangrijkste is: de hoop. Want de verlossing is de enige werkelijkheid die krachtig genoeg is om de ware menselijke nood tegemoet te komen, en de enige werkelijkheid diep genoeg om mensen te overtuigen van wat er werkelijk in henzelf aanwezig is. Vgl. Joh. 2, 25 Deze boodschap van hoop op verlossing is gebaseerd op de twee christelijke sleutelleerstukken van de christologie en de Drieëenheid. In deze leerstukken vindt men de uiteindelijke fundamentele reden voor de christelijke opvatting van de geschiedenis van de mens en van de menselijke persoon, gemaakt naar het beeld van de Drieëne God, Eenheid in Gemeenschap, en uit liefde verlost door Gods enige Zoon, Jezus Christus, met het doel om deel te hebben aan het goddelijk leven, waarvoor wij in de eerste plaats zijn geschapen. Deze deelname wordt aangegeven door de leer van de verrijzenis van het lichaam, wanneer de mensen, in hun volledige werkelijkheid, delen in de volheid van het goddelijk leven.

De christelijke beoordeling van de menselijke bestaansconditie staat dus niet op zichzelf, maar is een aspect van een veel bredere visie met in het centrum de christelijke opvatting over God en Gods relatie met het menselijke geslacht en met de hele scheppingsorde. Deze bredere visie is er een van een Verbond dat God voor het geslacht heeft gewild en wil. Het is een Verbond waardoor God de mensen met Zijn eigen leven wil verbinden, al het positieve dat in hen is vervullen - zelfs meer dan zij zelf kunnen wensen of zich kunnen voorstellen - en hen bevrijden van al het negatieve in henzelf dat hun leven, hun geluk en hun ontwikkeling frustreert.

Maar het is van essentieel belang erop te wijzen, dat als het christelijk geloof op deze manier spreekt over God en zijn wil om een Verbond met de mensen te sluiten, dat niet is om ons, als het ware, slechts (door enkel en alleen onderricht) over Gods bedoelingen te informeren. Het is, omdat God op een veel radicalere manier letterlijk in de geschiedenis heeft ingegrepen en precies in het hart van de geschiedenis heeft gehandeld: eerst door zijn ’machtige daden’ gedurende heel het Oude Verbond, maar almachtig en definitief door en in Jezus Christus, zijn ware en enige Zoon, die, geïncarneerd, het menselijke bestaan in zijn heel concrete historische vorm binnen is getreden.

Strikt gesproken volgt hieruit, dat gelovigen, om uiteen te zetten wat ze te zeggen hebben over het menselijke bestaan, niet beginnen er zich vragen over te stellen, en daarna ertoe overgaan zich af te vragen wat voor licht de God die zij belijden hierop kan werpen. Correlatief en nog steeds strikt gesproken, beginnen christenen God niet te bevestigen uit hoofde van een reeks argumenten of, op zijn minst, van een puur abstracte reflectie, en daarna, pas in tweede instantie, ertoe overgaan te onderzoeken wat voor licht deze voorafgaande erkenning van zijn bestaan zou kunnen werpen op de historische bestemming van de mensheid.

In werkelijkheid betekent God kennen, voor de bijbelse openbaring en dus voor het christelijke geloof, Hem belijden op basis van wat Hij zelf voor de mensen heeft gedaan, door Zichzelf volledig aan hen te openbaren, juist door met hen in relatie te treden: door een Verbond in te stellen en hun dat aan te bieden en, voor dit doel, hun eigen menselijke bestaansvorm aan te nemen en mens te worden.

Het is uiteindelijk vanuit dit perspectief dat de visie op de menselijke persoon en op het menselijke bestaan, die door het christelijk geloof naar voren wordt gebracht, zijn hele specificiteit en zijn hele rijkdom verkrijgt.

Tot slot moet er enige aandacht besteed worden aan wat men het interne christelijke debat over de verlossing zou kunnen noemen, en in het bijzonder aan het vraagstuk, hoe het lijden en de dood van Christus verband houden met de verlossing van de wereld. Het belang van dit vraagstuk wordt vandaag de dag in veel milieus nog groter door het constateren van de inadequaatheid - of op zijn minst het constateren van de openheid voor ernstige en gevaarlijke misvattingen - van bepaalde traditionele manieren om Christus’ verlossingswerk op te vatten in termen van compensatie of straf voor onze zonden. Verder is het probleem van het kwaad en het lijden in de loop van de tijd niet minder dramatisch, maar juist nog acuter geworden, en het vermogen van velen om te geloven dat er adequaat tegen kan worden opgetreden, is in deze eeuw ondermijnd als ware het een onoplosbaar probleem. In dergelijke omstandigheden lijkt het belangrijk de manier waarop de verlossing Gods glorie openbaart, opnieuw te doordenken. De vraag kan gesteld worden of een poging om de verlossingsleer te begrijpen, in de grond van de zaak, een oefening in theodicee zou kunnen zijn, een poging om, in het licht van het christelijk geloof, een geloofwaardig antwoord te geven op het ’mysterie van het kwaad’, in de woorden van Paulus. Het goddelijke antwoord is het mysterie van Christus en de kerk. Kortom, is verlossing de rechtvaardiging van God, ofwel de diepste openbaring van Zichzelf aan ons, en daarom de gave aan ons van de vrede ”die alle begrip te boven gaat” (Fil. 4, 7)?

Dit document wil geen uitputtende verhandeling zijn over het hele terrein van de verlossingstheologie, maar beoogt veeleer enige geselecteerde vraagstukken uit de verlossingstheologie te behandelen die zich vandaag de dag bijzonder heftig in de kerk manifesteren.

Document

Naam: ENKELE VRAAGSTUKKEN OVER GOD ALS VERLOSSER
Soort: Internationale Theologische Commissie
Auteur: Internationale Theologische Commissie
Datum: 29 november 1994
Copyrights: © 1996, SRKK Kerkelijke Documentatie jrg. 24, nr. 8
In opdracht van p. Georges Cottier o.p., secr.-gen. van de ITC, vertaald door prof. dr. J. Ambaum m.m.v. mw. drs. M.-L. Meulemans
Bewerkt: 7 november 2019

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2020, Stg. InterKerk, Schiedam