• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

Een adequate bezinning op de theologie van de verlossing moet vandaag de dag allereerst de authentieke christelijke verlossingsleer en zijn verband met het menselijke bestaan schetsen, zoals de kerk die in de loop van haar traditie heeft gepresenteerd.

Het eerste punt van belang is dat de verlossingsleer datgene betreft, wat God voor ons volbracht heeft door het leven, de dood en de verrijzenis van Jezus Christus, namelijk het verwijderen van de hindernissen die er waren tussen God en ons, en het aanbod van God aan ons om deel te nemen aan Gods leven. Met andere woorden, verlossing gaat eerder over God - als bewerker van onze verlossing - dan over ons, en alleen omdat dit zo is, kan verlossing voor ons werkelijk bevrijding betekenen en voor altijd en voor alle tijden de Blijde Boodschap van het Heil zijn. Omdat verlossing in eerste instantie over de glorierijke goedheid van God gaat, eerder dan over onze behoefte - de verlossing houdt evenwel rekening met die behoefte - is die een bevrijdende werkelijkheid voor ons. Als de verlossing daarentegen beoordeeld of gemeten zou worden naar de existentiële behoeften van de mensen, hoe zouden we dan de verdenking kunnen vermijden dat we gewoonweg een Verlosser-God naar het beeld van onze eigen behoeften gecreëerd hebben?

Er bestaat hier een overeenkomst met wat we bij de scheppingsleer vinden. God schiep alles, en de mensen naar Zijn eigen beeld, en vond Zijn schepping “heel goed” (Gen. 1, 31). Dat alles gaat vooraf aan onze geschiedenis waarin de menselijke activiteit niet even ondubbelzinnig “goed” blijkt te zijn als Gods schepping. Desondanks is het echter altijd door de eeuwen heen de leer van de kerk geweest - gebaseerd op de heilige schrift - dat het beeld van God in de mens, hoewel dikwijls verborgen en verwrongen in de geschiedenis als gevolg van de erfzonde en de gevolgen daarvan, nooit helemaal uitgewist of vernietigd wordt. De kerk gelooft dat zondige mensen niet door God verlaten worden, maar dat God veeleer, in Zijn verlossende liefde, een glorierijke bestemming nastreeft voor het menselijk geslacht, en in feite voor de hele schepping; een bestemming die reeds in de kiem in en door de kerk aanwezig is. Vanuit christelijk oogpunt liggen dergelijke overwegingen ten grondslag aan en ondersteunen het geloof dat het leven hier en nu de moeite waard is om geleefd te worden. Toch kan enige algemene oproep om `het leven te bevestigen’ of `ja’ te zeggen tegen het leven” - al is die ongetwijfeld relevant in dit opzicht en toe te juichen - het mysterie van de verlossing, zoals de kerk dat tracht te beleven, niet uitputten.

Het christelijk geloof zorgt er daarom voor om mensen enerzijds niet op grond van hun grootheid, hun waardigheid en hun prestaties te vergoddelijken of te verafgoden, of hun anderzijds niet te veroordelen of te verpletteren vanwege hun falen en hun misstappen. Het christelijke geloof onderschat de vermogens van de mens niet, noch zijn verlangen naar groei en verwerkelijking, noch de prestaties waartoe het gebruik van zijn vermogens en zijn verlangen feitelijk kunnen leiden. Dergelijke prestaties worden door het geloof niet a priori als obstakels beschouwd die overwonnen moeten worden of als tegenstanders die bestreden moeten worden, maar worden daarentegen van het begin af aan positief gewaardeerd. De eerste bladzijden van het boek Genesis tot de encyclieken van de laatste pausen nodigen de mensen - en de christenen natuurlijk op de eerste plaats - steeds uit om de wereld en de samenleving zo te organiseren dat de levensvoorwaarden van de mens op alle niveaus verbeterd worden, en bovendien om het geluk van afzonderlijke mensen te vergroten, rechtvaardigheid en vrede onder alle mensen te bevorderen, en zoveel mogelijk een liefde te koesteren die, eenmaal in woorden en daden omgezet, niemand op de aarde uitsluit.

Het kwaad en het lijden van de mens worden door het geloof geenszins onderschat: het is absoluut niet geneigd om, onder het voorwendsel eeuwig geluk in een toekomstige wereld te verkondigen, de vele soorten smart en lijden te negeren die afzonderlijke mensen treffen, evenmin als de duidelijke collectieve tragedie die veel situaties eigen is. Bovenal echter schept het geloof geen vreugde in het kwaad of in tijden van beproeving op zichzelf, alsof het zonder die niet zou kunnen bestaan.

Het geloof is hier, tenminste als eerste stap, tevreden met eenvoudig kennisnemen en registreren. Daarom is het niet toelaatbaar het geloof ervan te beschuldigen de ogen te sluiten; maar het is evenmin toelaatbaar haatdragend te zijn tegenover het geloof, door het ervan te beschuldigen het kwaad en het lijden als wezenlijke feiten te behandelen, zonder welke het geloof geen geloofwaardige grondslag zou hebben, alsof het, kort gezegd, alleen gebaseerd zou kunnen zijn op de ellende van het menselijk bestaan en de gevolgen en de erkenning van een dergelijk drama, als een voorwaarde sine qua non van zijn bestaan.

Het kwaad en het lijden zijn feitelijk in eerste instantie geen functie van een of andere bijzondere theologische interpretatie van het leven, maar een universele ervaring. En de eerste beweging van het geloof, ten overstaan van het kwaad en het lijden, is niet die voor eigen doeleinden uitbuiten! Wanneer het christelijk geloof er nota van neemt, dan is dat in de eerste plaats eenvoudig om een samenhangende en eerlijke evaluatie te maken van de werkelijke, concrete historische situatie van het menselijk geslacht. En de enige zorg van het geloof is te weten te komen of, hoe en onder welke omstandigheden zijn visie op deze actuele historische situatie vandaag de dag nog de aandacht en instemming van de mensen kan krijgen, rekening houdend met hun eigen analyses van hun situatie en de houdingen die zij aannemen in de verschillende situaties waar zij mee te maken hebben.

Het christelijk geloof heeft echter een specifiek perspectief ten aanzien van het menselijke bestaan, dat in veel opzichten verduidelijkt wat veel niet-christelijke opvattingen over de wereld op hun manier uitdrukken. In de eerste plaats onderstreept het geloof dat het kwaad altijd al in de geschiedenis en bij de mensheid aanwezig is: het kwaad overstijgt en gaat vooraf aan al onze individuele verantwoordelijkheden; het lijkt voort te komen uit `machten’ en zelfs uit een ‘geest’ die aanwezig zijn voordat wij handelen, en die zich tot op zekere hoogte buiten ons persoonlijke bewustzijn en wil bevinden, die hier en nu handelen.

In de tweede plaats brengt het geloof onder de aandacht dat het kwaad en het lijden dat de historische bestaansconditie van de mensen beïnvloedt ook, en zelfs in grote mate, zijn oorsprong in het menselijk hart heeft, in hun egoïstische motieven, hun genotzucht en hun streven naar macht, hun stille medeplichtigheid aan het kwaad, hun lafhartige capitulatie voor het kwaad, hun vreselijke hardheid van hart. Toch verliezen de Bijbelse openbaring en het christelijke geloof hun hoop ten aanzien van de mens niet; zij blijven daarentegen een beroep doen op de vrije wil, het verantwoordelijkheidsgevoel, het vermogen een beslissende initiatief te nemen teneinde te veranderen en op die momenten van helder bewustzijn waarop deze vermogens effectief aangewend kunnen worden. Het geloof is er echt van overtuigd dat alle mensen fundamenteel in staat zijn afstand te nemen van alles wat hen negatief zou kunnen beïnvloeden,hun eigen egoïsme en op zichzelf betrokken zijn op te geven, met het doel zich in te zetten voor anderen en zich op die manier open te stellen voor een levende hoop die al hun verlangens te boven gaat.

Volgens het christelijk geloof zijn de mensen, op grond van een historisch gegeven, vervreemd van de heiligheid van God vanwege de zonde; bovendien zijn wij van God onderscheiden krachtens ons geschapen en dus niet intrinsiek goddelijk-zijn. Dit tweeledige verschil tussen God en mensheid wordt in de heilige Schrift beschreven en is een vooronderstelling van alle rechtgelovige christenen die in de na-bijbelse tijden iets op schrift hebben gesteld. Maar het goddelijk initiatief van een gebaar van liefde ten aanzien van de zondige mensheid is een constante karakteristiek van Gods optreden ten aanzien van ons, voorafgaande aan en binnen de geschiedenis, en is de fundamentele vooronderstelling van de verlossingsleer. De dialectiek van genade en zonde gaat er aldus van uit dat, vóór de zonde in de wereld kwam, Gods genade al aan de mensen was aangeboden. De innerlijke logica van de christelijke visie op het menselijk bestaan vereist ook dat God de bewerker van de verlossing is, want wat er behoefte aan heeft om genezen en gered te worden, is niets anders dan het ware beeld van God zelf in ons.

De waarde van de geschapen menselijke natuur is dan ook, volgens het christelijk geloof, van het begin af aan door God zelf gewaarborgd en is niet te vernietigen; en op vergelijkbare wijze is de werkelijkheid van de verlossing door God in Christus ook voor altijd verworven en gewaarborgd. Zowel de schepping als de verlossing - leert de kerk - zijn geworteld in Gods barmhartige en onpeilbare goedheid en vrijheid; van ons uit gezien, blijven ze onbegrijpelijk, onverklaarbaar en wonderbaarlijk. Het streven om deze werkelijkheden te begrijpen komt voort uit een voorafgaande, onherleidbare en dus absolute daad of houding van dankbaarheid voor deze werkelijkheden. vgl. ’fides quaerens intellectum’

Ofschoon een volledig begrijpen van de verlossing voor ons absoluut onmogelijk is, is toch een zeker begrip van de leer niet alleen mogelijk maar zelfs vereist door de specifieke aard van de verlossing, die betrekking heeft op de waarheid, de waarde en de uiteindelijke bestemming van de hele schepping. Als een poging om de verlossing te begrijpen ongeoorloofd zou zijn, dan zou de redelijkheid van het geloof ondermijnd worden, het gewettigd streven naar begrip aan het geloof onthouden worden en fideïsme het gevolg zijn. Aangezien de hele mens door Christus verlost is, moet de waarheid hiervan bovendien op intellectueel vlak aangetoond kunnen worden. Vgl. 2 Kor. 10, 5

Volgens het christelijk geloof heeft de waarheid van de verlossing altijd speciaal die aspecten van het menselijk bestaan verhelderd, die het duidelijkst een aanwijzing zijn voor de menselijke behoefte aan verlossing. Mensen ervaren op veel niveaus in hun leven verbrokkeldheid, ontoereikendheid en frustraties. In de mate dat mensen zichzelf vaak verantwoordelijk achten voor de verbrokkelde, onbevredigende kwaliteit van hun ervaring, belijden zij - in traditionele termen - hun zondigheid. Om echter en volledig beeld van de menselijke bestaansconditie te schilderen moeten ook die aspecten van het leven beschouwd worden die het menselijk bestaan vervormen en vernietigen en waarvoor niemand direct verantwoordelijk is, want die getuigen ook welsprekend van de menselijke behoefte aan verlossing. Werkelijkheden als hongersnood, epidemieën, natuurrampen, ziekte, fysiek en geestelijk lijden, en de dood zelf maken duidelijk dat het kwaad - zoals de christelijke traditie altijd heeft ingezien - geenszins uitputtend beschreven wordt door wat malum culpae (moreel kwaad) genoemd wordt, maar dat het ook malum poenae (lijden) omvat, hetzij een kwaad uit zichzelf of krachtens de beperkingen van de natuur. Traditioneel zijn echter alle vormen van lijden, en ook de dood zelf - zoals het bijbels getuigenis zelf openbaart - begrepen als werkelijkheden die voortkomen uit de zonde, “het mysterie van het kwaad” in de woorden van Paulus (2 Tess. 2, 7).

Terwijl de juiste genoemde kwesties de meest fundamentele existentiële moeilijkheden vormen waar mensen mee te maken hebben, bestaat er ook een hele reeks andere, meer innerlijke problemen die de mensen bezighouden. Ze hebben, ten eerste, moeilijkheden om als individu een persoonlijk, innerlijk evenwicht te vinden. In de tweede plaats hebben ze moeilijkheden om in harmonie met hun medemensen te leven, zoals de geschiedenis van de oorlogen, met al de daarmee verbonden wreedheid en verschrikking, aantoont. Ten derde wordt hun onvermogen om in een goede verstandhouding met de niet-menselijke natuur te leven, in onze wereld van vandaag op dramatische wijze weerspiegeld door de ecologische problematiek. Als, ten vierde, de druk van het leven te groot wordt, kan gemakkelijk het vermoeden ontstaan dat het menselijk leven tot mislukken gedoemd en uiteindelijk zinloos is. Bij de hiervoor genoemde kritische gebieden is er, tot slot, de kwestie van het vooralsnog niet geëindigde zoeken van de mensheid naar de vrede met God, die door de machtige en alles doordringende werkelijkheid van de zonde verbroken is.

Deze inleidende schets van de manier waarop de waarheid van de verlossing, volgens het christelijke geloof, het menselijke bestaan verheldert, moet aangevuld worden door een evaluatie van de wijze waarop de mensen vandaag de dag hun actuele historische situatie zelf zien.

We zullen ons hier echter eerst bezighouden met een nadere beschouwing van de opvattingen die de grote wereldgodsdiensten over de verlossing hebben. In dit overzicht kunnen we het jodendom weglaten, dat de oorsprong van het christendom is en er een opvatting over de verlossing mee gemeenschappelijk heeft, gebaseerd op de soevereine welwillendheid van God de Schepper jegens het menselijke geslacht dat ver is afgedwaald van de weg van het Verbond.

Document

Naam: ENKELE VRAAGSTUKKEN OVER GOD ALS VERLOSSER
Soort: Internationale Theologische Commissie
Auteur: Internationale Theologische Commissie
Datum: 29 november 1994
Copyrights: © 1996, SRKK Kerkelijke Documentatie jrg. 24, nr. 8
In opdracht van p. Georges Cottier o.p., secr.-gen. van de ITC, vertaald door prof. dr. J. Ambaum m.m.v. mw. drs. M.-L. Meulemans
Bewerkt: 7 november 2019

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2020, Stg. InterKerk, Schiedam