• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

DE DIENST VAN DE APOSTOLISCHE STOEL AAN DE EENHEID VAN DE KERK MOET WORDEN AANGEPAST AAN DE PASTORALE NODEN EN TAKEN
Tot de deelnemers aan de algemene vergadering van Kardinalen

Beminde en eerbiedwaardige broeders kardinalen van de heilige roomse kerk! 

Het vervult mij met een grote vreugde dat het mij vandaag gegeven is, u in deze aula, bij het graf van de heilige Petrus, als het ware in het hart van de kerk, te mogen begroeten. In de afgelopen jaren zijn velen van u uit verschillende delen van de wereld naar hier gekomen, hetzij voor een bezoek ad limina apostolorum, hetzij om een andere reden; nu echter komen de vaders kardinalen hier om een heel bijzondere reden bijeen: dit is namelijk het begin van een voltallige bijeenkomst van het heilige college, de eerste na een dergelijke bijeenkomst drie jaar geleden, die begon op 5 november. vgl. Archief van de Kerken 35 (1980), 409-421 en 454-455 Een dergelijke vergadering heeft op deze manier, met uitzondering van de historische conclaafbijeenkomsten, sinds onheuglijke tijden - zo kan men zeggen - niet plaats gehad, en zeker niet in het recente verleden en in onze tijd. 

Met grote genegenheid groet ik u en dank u, dat u aan mijn uitnodiging gevolg hebt gegeven, ook al bracht deze voor u, zoals ik weet, enig ongemak met zich mee, omdat de dagelijkse zorgen en bezigheden die op u rusten, groot zijn. 

Omdat wij nu na drie jaren weer samenkomen, kan ik niet nalaten hen te gedenken die in die tijd door God naar het hemelse vaderhuis zijn opgeroepen; het zijn de kardinalen, wier overlijden wij betreuren: Alfred Bengsch, Sergio Pignedoli, Egidio Vagnozzi, Stefan Wyszynski, Franjo Seper, Pericle Felici, John Patrick Cody, Carlos C. de Vasconcellos Motta, Giovanni Benelli. De herinnering aan hen allen blijft ons bij en hun gedachtenis zij gezegend, en zij zelf - daar twijfelen wij niet aan - spreken bij God voor ons ten beste en voor onze werkzaamheden waarvan zij tot het einde van hun leven deelgenoten waren. 
 

Op de eerste plaats wil ik in herinnering brengen wat ik toen heb gezegd vgl. AAS 71, 1979, blz. 1448 vv. (Archief van de Kerken 35 ( 1980), 410)) om de nadruk te leggen op de noodzaak en gewenstheid om bijeenkomsten te organiseren waar alle leden van het heilig college aan deelnemen. De redenen daarvoor worden allerduidelijkst in het licht van het Tweede Vaticaans Concilie, dat zo voortreffelijk de 'collegialiteit' van heel het episcopaat ten aanzien van de pastorale zorg voor de kerk in het licht stelde. Deze 'collegialiteit' krijgt zijn volheid in een oecumenisch concilie. Maar opdat deze 'collegialiteit' van de bisschoppelijke dienst ook buiten het concilie zou blijken, werd door het concilie zelf de instelling gewenst van een bisschoppensynode, waaraan deze lof moet worden toegekend, dat ze in de weinige jaren van haar bestaan na het concilie vele problemen van groot belang heeft aangepakt. 

Op dit ogenblik echter maken ook de bisschoppen van heel de wereld zich op voor de gewone zitting van de synode in 1983, waarvan het thema 'verzoening en boete' van het allergrootste belang is voor de zending van de kerk en het christendom in de huidige wereld. Ook moet niet vergeten worden dat het H. Paus Paulus VI - Motu Proprio
Apostolica Sollicitudo
Oprichting van de Synode van Bisschoppen voor de universele Kerk
(15 september 1965)
niet alleen voorziet in gewone vergaderingen, maar ook in buitengewone en speciale. Dergelijke vergaderingen hebben in de tijd na het concilie reeds plaats gehad. 

Bij dergelijke tekenen van 'collegialiteit' kan men niet voorbijgaan, zoals wel duidelijk is, aan het eerbiedwaardige en oude heilige college. Toen de vorige bijeenkomst plaats vond, heb ik bij die gelegenheid de band in het licht gesteld welke dat college met de roomse kerk en met de algemene bediening van de bisschop van Rome in de katholieke kerk verbindt. Men mag vaststellen dat het bestaan van dit college, dat bij de problemen van deze bediening ten nauwste is betrokken, niet alleen berust op de historische taak van dit college, maar ook op de algemene groei van.de 'collegialiteit' die na het Tweede Vaticaans Concilie als concreet feit naar voren komt. De nieuwe invloed die in gegeven omstandigheden aan het college van kardinalen wordt toegekend, doet niet alleen geen afbreuk aan het collegiale karakter van de bisschoppelijke bediening, maar maakt dit duidelijk, dat wil zeggen, versterkt de collegiale zorg van alle bisschoppen van de kerk op het gebied van de leer, de pastorale zorg en de heiliging van het volk van God. 

Na wat ik bij wijze van inleiding gezegd heb, wil ik nu in het bijzonder terugkeren tot bovengenoemde ontmoeting, die in november 1979 plaats had. U herinnert zich ongetwijfeld de kwesties waarover toen in opbouwende zin en vruchtbaar is onderhandeld in het licht van de'grondslagen' waarvan de uitvoering afhangt van de taak die met het oog op het geheel van de kerk moet worden vervuld (vgl. AAS, t.z.p., blz. 1455 (Archief van de Kerken 35 (1980), 414)): de eerste kwestie hing samen met het geheel van de structuren van de Romeinse curie; de tweede met het werk van de pauselijke academies; de derde met de economische middelen van de Apostolische Stoel. Gedurende die jaren, die hoewel kort, toch gekenmerkt waren door ernstige gebeurtenissen en omstandigheden, heeft de Apostolische Stoel getracht het program af te werken dat toen uiteengezet en behandeld is door de leden van deze vergadering - hetzij door de afzonderlijke leden, hetzij verenigd volgens de verschillende taalgroepen -en waarover ik kort gesproken heb bij de H. Paus Johannes Paulus II - Toespraak
Een belangrijke etappe op de weg van de collegialiteit
Bij de afsluiting van speciale vergadering van het College van Kardinalen
(9 november 1979)
. U weet ook heel goed hoe de door u opgestelde plannen ten uitvoer gebracht werden en worden. In het bijzonder zou ik u willen herinneren aan wat gezegd is over het noodzakelijke verband met de Pauselijke raad voor de menselijke cultuur in een H. Paus Johannes Paulus II - Brief
Aan Kardinaal Agostino Casaroli, staatssecretaris, waarmee de Pauselijke Raad voor de Cultuur ingesteld is
(20 mei 1982)
aan de kardinaal voor de openbare zaken van de kerk; die raad is zijn werkzaamheid reeds met veel ijver begonnen. Bovendien bewerkt de toenemende zorg over de economische situatie dat hierop bij voortduring en met waakzaam oog aandacht wordt besteed; een vrucht daarvan is de 'Raad van kardinalen ter behartiging van de organische en economische kwesties van de Apostolische Stoel' die op 31 mei verleden jaar is ingesteld door een brief die begint met de woorden 'H. Paus Johannes Paulus II - Brief
Comperta habentes
Raad van kardinalen ter behartiging van de organische en economische kwesties van de Apostolische Stoel (31 mei 1981)
'; bovendien voel ik mij verplicht u allen dank te zeggen voor de krachtige steun die de Apostolische Stoel vooral van de plaatselijke kerken mocht ontvangen. 

Ook andere zaken, waarover bij die gelegenheid is gehandeld, en die behoren tot het algemeen actie-program van de kerk voor de mens in de wereld van deze tijd, hebben een gunstige ontwikkeling doorgemaakt: ik moge hier melding maken van de taak van zeer groot belang, gelegen op het terrein van de pastoraal voor het gezin; deze taak is overwogen en behandeld op de laatste zitting van de bisschoppensynode; de aanbevelingen en voorstellen ervan zijn vervat in de apostolische exhortatie die begint met de woorden 'H. Paus Johannes Paulus II - Postsynodale Apostolische Exhortatie
Familiaris Consortio
Over de taken van het christelijk gezin in de wereld van deze tijd
(22 november 1981)
' en die op 22 november 1981 werd gepubliceerd. Vooral echter vond dit thema uitdrukking in een nieuw orgaan van de Romeinse curie, de Pauselijke Raad voor het Gezin, welke ingesteld werd door het motu proprio 'H. Paus Johannes Paulus II - Motu Proprio
Familie a Deo instituta
Oprichting van de Pauselijke Raad voor het Gezin
(9 mei 1981)
' van 9 mei vorig jaar. Ik moge u ook herinneren aan de oprichting van een Pauselijk instituut voor de studies over huwelijk en gezin aan de pauselijke universiteit van het Lateraan, waarvan de volledige juridische vorm onlangs door mij is erkend en verordend in de apostolische constitutie 'H. Paus Johannes Paulus II - Apostolische Constitutie
Magnum Matrimonii Sacramentum
Oprichting van het Pauselijk Instituut voor studie van huwelijk en gezin (7 oktober 1982)
' van 7 oktober van dit jaar. 

Bovendien is de bezorgdheid van de Apostolische Stoel voor de juiste en gestadige bevordering van de heilige liturgie door initiatieven volgens de richtlijnen ter vernieuwing, die het Tweede Vaticaans Concilie heeft uitgegeven, overduidelijk. Want het is bekend dat volgens de stemming in onze vergadering drie jaar geleden de eigen bevoegdheden van iedere afdeling van de Heilige congregatie voor de sacramenten en de goddelijke eredienst nauwkeuriger zijn bepaald. Daardoor is een grotere doeltreffendheid gegeven - zoals ik tot de leden van de Romeinse curie bij het aanbreken van het plechtige feest van de heilige Petrus en Paulus heb gezegd - aan de afdeling voor de goddelijke eredienst, in die zin dat de normen van het concilie op het vitale gebied van de heilige liturgie steeds nauwkeuriger worden onderhouden. 

Ofschoon onze bijeenkomst van 1979 ook toen al als voorwerp en thema slechts enkele problemen kende die een dringende bespreking eisten, moet nu op deze vergadering gehandeld worden over een gehele kwestie. En dat is de apostolische constitutie 'H. Paus Paulus VI - Apostolische Constitutie
Regimini Ecclesiae Universae
Over de Romeinse Curie (15 augustus 1967)
' in heel haar omvang, dat wil zeggen, het totaal van de eigen taken en plichten die de Apostolische Stoel ten dienste staan met het oog op de gehele kerk. 

Paus Paulus VI - die op 15 augustus 1967, kort na het Tweede Vaticaans Concilie, in die constitutie een bundeling van activiteiten, verdeeld over de afzonderlijke instanties die de Apostolische Stoel vormen, tot stand had gebracht - begreep zeer goed de noodzaak van verdere stappen op dit terrein. Wij willen daarom de huidige bijeen komst voor deze belangrijke problemen bestemmen. Om de zin van de documenten die de leden van het kardinalencollege hebben ontvangen, beter en nauwkeuriger te kunnen begrijpen, zal hierna een vollediger verslag worden aangeboden. Ik zou daarom alleen dit willen zeggen: niet lang na de publicatie van de constitutie 'H. Paus Paulus VI - Apostolische Constitutie
Regimini Ecclesiae Universae
Over de Romeinse Curie (15 augustus 1967)
' is een bijzondere commissie ingesteld om dit probleem te onderzoeken onder leiding van kard. Ferdinando Antonelli. Daarna is deze kwestie behandeld in enkele vergaderingen, waarvan onder voorzitterschap van de paus alle prefecten van de afzonderlijke dicasteria van de Romeinse curie deel uitmaakten. In het kader van deze vergaderingen hebben de leden van het kardinalencollege zich uitgesproken. Deze kardinalen houden zich dagelijks met de verschillende onderwerpen van de veelvoudige werkzaamheden van de Apostolische Stoel bezig. Daarom zijn hun opmerkingen en aanbevelingen een uitvloeisel van dagelijkse praktijk en directe ondervinding. 

Als ik mij nu tot alle leden van het kardinalencollege richt, doe ik dat, omdat - hoewel niet allen van hen direct met de werkzaamheden van de Romeinse curie te maken hebben - al deze kwesties, hoe verschillend ook, toch binnen het bereik vallen van hun ervaring en werkzaamheden. Daarom nodigen wij u uit om ook uit te spreken wat u hierover meent. Ik voor mij verwacht groot nut van uw hulp. 

De periode waarin wij onze vergadering openen, is van groot gewicht, omdat de laatste verbeteringen afgerond worden voor de publicatie van de nieuwe 'Wetboek
Codex Iuris Canonici
Codex van het Canonieke recht
(25 januari 1983)
', waarmee nog een verder speciaal verband aanwezig is. Allen weten zeer goed hoeveel beraadslagingen plaats hebben gevonden over de huidige stand van dit werk en hoe het aan de afzonderlijke bisschoppen alsook aan de bisschoppenconferenties en andere deskundigen en specialisten vrijstond om hun eigen mening over deze zo belangrijk kwestie te zeggen. 

Het probleem echter waarmee wij ons in deze vergadering zullen bezig houden is niet zó verstrekkend en is niet zó belangrijk. Niettemin moet u alle aandacht daarop richten, opdat alles wat betrekking heeft op de dienst van de Apostolische Stoel ten aanzien van de gehele kerk wordt vastgesteld overeenkomstig de noden en doeleinden van die dienst. Behalve concrete verbeteringen, aanvullingen en veranderingen die in de tekst van de constitutie 'H. Paus Paulus VI - Apostolische Constitutie
Regimini Ecclesiae Universae
Over de Romeinse Curie (15 augustus 1967)
' aangebracht moeten worden, lijkt enig overleg over de grondslagen van dit probleem nodig. 

Als echter voor het begin van dit overleg de deelneming van alle leden van het kardinalencollege noodzakelijk is, zal in het vervolg - opdat de juiste structuren van de Romeinse curie worden bevorderd - het helpende werk van de bisschoppenconferenties nuttig zijn, en vooral die van hun voorzitters. Het gaat er immers om op de juiste manier de noodzakelijke betrekking af te bakenen tussen de diensten van de Apostolische Stoel en de veelvuldige taken waarvan het episcopaat gebruik maakt in zijn werkzaamheden. 

Dit voornemen dat wij bij het begin van ons werk opgevat hebben, staat ons toe enkele zogenaamde 'fundamentele prioriteiten' vast te stellen. Zo is het - met behoud van de traditionele juridische beginselen - noodzakelijk om voor de structuur van de Romeinse curie steeds te zoeken naar de pastorale richting, die zo overduidelijk blijkt uit de leer van het Tweede Vaticaans Concilie. Op dat doel en die richting zijn de werkzaamheden van de bisschoppensynode na het concilie gericht. Zowel de activiteit alsook de samenwerking tussen de afzonderlijke dicasteria van de curie moeten nog vollediger van die gerichtheid blijk geven. In onze dagen werkt ieder bisdom van de wereld vanuit zijn eigen primair pastorale centrum. De dienst van de eenheid van de kerk, die eigen is aan de Apostolische Stoel, moet aangepast zijn aan die pastorale noden en taken. Dat deze noden en taken echter ver uiteen liggen, hebben wij geleerd uit de schitterende analysen die opgesteld werden op de zittingen van de bisschoppensynode over de evangelisatie, de catechese en het gezinsleven. 

Tegelijk echter met deze verschillen van noden en taken stoten wij nog op het probleem of de omvang van de cultuur zelf, die juist door haar bijzonderheid op verschillende wijze de evangelisatie, de catechese, de zending van de christelijke gezin en dergelijke beïnvloedt. Als de Apostolische Stoel in de pastoraal in die richting moet gaan, dan kan een bijzonder orgaan dat de verschillende culturele systemen onderzoekt en het contact ermee nastreeft, niet gemist worden. 

Is ons getuigenis op het gebied van de liefde jegens de mens en van de sociale liefde voldoende? Dat is de eerste en voornaamste vraag die wij ons moeten stellen, ook - en misschien zelfs vooral - aan de Apostolische Stoel zelf, omdat de leerlingen van Christus daaraan worden herkend dat ze de liefde beoefenen. Vgl. Joh. 13, 35

De gedachten die ik hier voor u uiteengezet heb, beminde en eerbiedwaardige broeders, vooral in het laatste deel van mijn eerste toespraak bij de opening van deze bijzondere bijeenkomst, is er niet op gericht nu reeds de richting aan te geven van de discussie over het algemene thema, maar ze kunnen de voortgang bevorderen van die discussie volgens de ondervindingen en overwegingen van ieder lid. Van u allen, eerbiedwaardige leden van het kardinalencollege, vraag ik de volledige samenwerking binnen de grenzen van het thema dat voor de samenkomst reeds werd vastgesteld. Als er voorstellen of aanbevelingen zijn over dit probleem, dan kunnen die ingediend worden bij het 'praesidium', dat zal vaststellen hoe deze in het geheel van het gesprek kunnen worden ingepast. 

Tenslotte wil ik onze werkzaamheden aanbevelen aan de moederlijke tussenkomst van de allerheiligste maagd Maria, moeder van de kerk, alsook aan de voorspraak voor ons van de heilige apostelen Petrus en Paulus: dat zij ons verlichten en ons leiden in ons werk, dat nergens anders op gericht is, niets anders zoekt en om niets anders vraagt dan het welzijn van de kerken van Christus en de eer van God de Vader.

Document

Naam: DE DIENST VAN DE APOSTOLISCHE STOEL AAN DE EENHEID VAN DE KERK MOET WORDEN AANGEPAST AAN DE PASTORALE NODEN EN TAKEN
Tot de deelnemers aan de algemene vergadering van Kardinalen
Soort: H. Paus Johannes Paulus II - Toespraak
Auteur: H. Paus Johannes Paulus II
Datum: 23 november 1982
Copyrights: © 1983, Archief van de Kerken,jg. 38, nr. 3, p. 26-28
Bewerkt: 22 juni 2020

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2020, Stg. InterKerk, Schiedam