• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x
De priester moet zelf heilig zijn om anderen te kunnen heiligen
Wij beginnen dan, beminde zonen, onze aansporing met u op te wekken tot die heiligheid van leven, welke een eis is van uw hoge waardigheid.
Iedereen immers die de priesterlijke waardigheid bezit, bezit die niet voor zich alleen, maar ook voor anderen: "Want iedere hogepriester wordt uit het midden van de mensen genomen, en ten bate van de mensen aangesteld voor hun betrekkingen tot God." (Hebr. 5, 1) Dit heeft ook Christus te kennen gegeven. Om nl. aan te tonen wat voor doel de priesterarbeid heeft, vergeleek Hij hen met het zout, en met het licht. De priester is dus het licht van de wereld, het zout van de aarde. Nu weet zeker iedereen, dat dit vooral zo is door de verkondiging van de christelijke waarheid. Maar ook: zou het wel iemand onbekend kunnen zijn, dat het onderricht van de priester bijna geen nut kan hebben, als hij niet door zijn voorbeeld bevestigt wat hij door zijn woorden leert? De hoorders zullen dan, weliswaar beledigend van hun kant, maar toch niet onverdiend, de opwerping maken: "Zij geven voor, God te kennen, maar door hun gedrag loochenen zij Hem." (Tit. 1, 16) Zijn onderricht zullen zij dan verwerpen en het licht van de priesters zal voor hen niet schijnen. Daarom heeft Christus zelf, die een voorbeeld geworden is voor de priesters, eerst met daden, en daarna met woorden geleerd: "Jezus begon te doen en te leren." (Hand. 1, 1)
Zo ook: als een priester de toeleg op heiligheid verwaarloost, zal hij in het geheel niet het zout van de aarde kunnen zijn. Immers, wat bedorven en bezoedeld is, deugt in het geheel niet om voor bederf te vrijwaren, en waar de heiligheid ontbreekt, daar volgt onvermijdelijk het bederf. Daarom noemt Christus, Zijn vergelijking voortzettend, zulke priesters smakeloos geworden zout, dat "nergens meer goed voor is dan om weggeworpen" en dus "door de mensen vertrapt te worden". (Mt. 5, 13)
De heilige bedieningen van de priester vorderen heiligheid
Deze waarheden zijn nog des te duidelijker, omdat wij ons priesterlijk ambt niet in onze eigen naam waarnemen, maar in de naam van Christus Jezus . "Men moet ons" zegt de Apostel "zonder meer als dienaars van Christus beschouwen, en als beheerders van Gods geheimenissen." (1 Kor. 4, 1) "In Christus' naam treden wij dus als gezanten op." (2 Kor. 5, 20)
Dat is dan ook de reden, dat Christus zelf ons niet bij het getal Zijner dienstknechten, maar bij dat Zijner vrienden rekent: "Ik noem u geen dienstknechten meer.... maar Ik heb u vrienden genoemd, omdat Ik u alles heb bekend gemaakt, wat Ik van Mijn Vader gehoord heb.... Ik heb u uitverkoren, en Ik heb u aangesteld om vrucht te gaan dragen." (Joh. 13, 15.16)
Wij moeten dus de persoon van Christus vertegenwoordigen: maar het door Hem opgedragen gezantschap moet zo worden waargenomen, dat wij hetzelfde doel willen bereiken, dat Hij Zich voor ogen stelt. Omdat nu "het karakteristieke van een hechte vriendschap ten slotte hierin bestaat, dat men hetzelfde wil en hetzelfde niet wil als de vriend", daarom moeten wij, als vrienden van Christus, dezelfde gezindheid hebben als ook in Christus Jezus is, en Jezus is "heilig, onschuldig en vlekkeloos". (Hebr. 7, 26) Als Zijn afgezanten moeten wij de mensen winnen voor Zijn leer en Zijn wet, door natuurlijk zelf op de eerste plaats die te onderhouden; als deelhebbend aan Zijn macht om zielen te bevrijden van de boeien van de zonden, moeten wij alles doen wat wij kunnen, om zelf niet in die boeien verstrikt te raken. Maar vooral, als Zijn bedienaars in het offer bij uitstek, dat met altijddurende kracht voor het leven van de wereld wordt vernieuwd, moeten wij in de zielsgesteltenis zijn, waarin Hijzelf op het altaar van het kruis Zich, als een vlekkeloze offerande aan God opdroeg. Want indien vroeger, terwijl alles slechts schijn en voorafbeelding was, zulk een grote heiligheid van de priesters werd gevorderd, hoe zal dat dan het geval zijn met ons, nu Christus ons slachtoffer is? "Moet dan degene, die zulk een offer geniet, niet de hoogste zuiverheid bezitten? Moet zij niet vlekkelozer zijn dan de zonnestraal, de hand die dat Vlees verdeelt, de mond die met geestelijk vuur wordt gevuld, de tong die door dat huiveringwekkend Bloed wordt roodgekleurd?" St. Joh. Chrystotonos Hom. 82 in Matth., nr. 5 Zeer juist drong de H. Carolus Borromaeus in zijn toespraken tot de geestelijkheid hier aldus op aan:
"Als wij ons herinneren, beminde broeders, wat een grote en heilige dingen God de Heer in onze handen heeft gelegd, wat zou de beschouwing daarvan dan een kracht hebben om ons aan te sporen tot een leven, zoals het geestelijken betaamt. Wat heeft de Heer niet in mijn hand gelegd, als Hij Zijn eigen Zoon, Zijn Eengeborene, eeuwig als Hij en Hem volkomen gelijk, in mijn handen heeft gelegd? In mijn handen heeft Hij al Zijn schatten, Zijn sacramenten en Zijn genaden gelegd. Hij heeft er de zielen in gelegd, het kostbaarste dat er voor Hem bestaat, de zielen die Hij in Zijn liefde boven Zijn eigen leven heeft gesteld, die Hij door Zijn Bloed heeft vrijgekocht. In mijn handen heeft Hij de hemel gelegd met de macht die voor anderen te openen en te sluiten.... Hoe kan ik dan tegenover zulk een begenadiging en liefde, zo ondankbaar zijn om tegen Hem te zondigen, om Zijn eer te krenken, om een lichaam, dat Zijn eigendom is, te bezoedelen, om deze waardigheid, dit leven, dat aan Zijn dienst gewijd is, te onteren?"

Document

Naam: HAERENT ANIMO - AD CLERUM
Over de heiligheid van de priesters
Soort: H. Paus Pius X - Apostolische Exhortatie
Auteur: H. Paus Pius X
Datum: 4 augustus 1908
Copyrights: © 1939, Ecclesia Docens 0108
Bewerkt: 7 november 2019

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2020, Stg. InterKerk, Schiedam