• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

WEDERWIJDSE DOOPERKENNING GEREFORMEERDE KERKEN EN HET NEDERLANDS EPISCOPAAT

De generale synode van de Gereformeerde Kerken in Nederland en het episcopaat van het Rooms-Katholiek Kerkgenootschap in Nederland leg­gen hierbij de volgende verklaring af ten aanzien van de Heilige Doop en de bediening van deze doop.

Ofschoon er op onderscheiden punten verschil van opvatting is tussen de Gereformeerde Kerken in Nederland en de Rooms-Katholieke Kerk in Nederland ten aanzien van de doop, toch erkennen zij gemeenschap­pelijk, dat de doop teken en zegel is van de ene verbonds-gemeenschap met de drie-enige God, Vader Zoon en heilige Geest, zoals deze gestalte krijgt in Christus' kerk, welke naar haar wezen één is, en waarin Christus de zijnen uit alle volken der aarde tot zich vergadert (vergelijk Matteüs 28: 19: 'Gaat dan heen, maakt al de volken tot mijn discipelen, en doopt hen in de naam van de Vader, de Zoon en de heilige Geest'). Krachtens deze betekenis van de doop zien wij hierin ook een oproep van Christus' wege tot al de zijnen om in gebondenheid aan zijn Woord met alle kracht te streven naar de openbaring van hun eenheid in Hem, die hun Hoofd is.

Uitgaande van deze gemeenschappelijke erkenning achten zij het van het grootste belang, dat er tussen de christelijke kerken een overeen­komst tot stand komt, wat betreft:

  • de vorm van de doopbediening,
  • de doopformule,
  • de samenhang van de doop en de kerkelijke gemeenschap.

De vorm van de doopbediening zal een reiniging met water moeten zijn. Dit kan geschieden door onderdompeling in en besprenkeling of begieting met water. De Schrift wijst namelijk op het in de doop zich voltrekkend geheim van een medebegraven worden in Christus' dood: opdat, gelijk Christus uit de doden is opgewekt door de majesteit van de Vader, zo ook wij in nieuwheid van leven zouden wandelen. Romeinen 6: 4 In het waterbad met het Woord zien zij een teken van de heiliging en de rechtvaardiging in de naam van de Heer Jezus Christus 1 Korinthe 6: 11: 'maar gij hebt u laten afwassen, maar gij zijt geheiligd, maar gij zijt gerechtvaardigd door de naam van de Heer Jezus Christus en door de Geest van onze God', en van de reiniging in zijn bloed, dat hij als Middelaar van het Nieuwe Verbond heeft vergoten (Hebr. 9, 14, : 'zal het bloed van Christus, die door de eeuwige Geest zichzelf als een smetteloos offer aan God gebracht heeft, ons bewustzijn reinigen van dode werken om de levende God te dienen')

Deze geheimvolle samenhang tussen de reiniging met water en de reiniging in Christus' bloed moet in de doophandeling zo duidelijk mogelijk tot uiting worden gebracht.

Een simpele bevochtiging van het voorhoofd van de dopeling wordt door de Gereformeerde Kerken in Nederland en de Rooms-Katholieke Kerk in Nederland als teken van reiniging minder juist geacht, al betekent dat niet, dat de geldigheid van een aldus bediende doop moet worden ontkend, wanneer overigens aan de voorwaarden van een geldige doopbedie-ning is voldaan. Naar het gemeenschappe­lijk belijden van onze kerken wordt gedoopt met de woorden: 'Ik doop u in de naam van de Vader, de Zoon en de heilige Geest'. over­eenkomstig Matteüs 28: 19

Het uitspreken van de trinitarische formule houdt in een werkelijk geloof in Vader, Zoon en heilige Geest, zoals de uitgesproken bedoe­ling om te dopen de intentie veronderstelt om datgene te doen, wat door de kerk van de aanvang af in gehoorzaamheid aan haar Heer met de doophandeling bedoeld is. Het geloof in de drie-enige God moet aanwezig zijn bij de kerkgemeenschap, in wier midden de doop be­diend wordt, en dient te worden aangenomen aanwezig te zijn bij de betrokken ouders of bij hen, die in de rechten van de ouders gesteld zijn.

De bedienaar van de doop wordt geacht te handelen overeenkomstig het gelovig belijden van de gemeenschap, waartoe de dopeling of de ouders behoren. Zijn persoonlijk geloven of belijdenis is daarom niet doorslaggevend voor de geldigheid van zijn doopbediening, die hij niet als persoonlijke handeling, doch in opdracht van de betrokken gemeenschap verricht.

Alleen wanneer gegronde twijfel bestaat aangaande het belijden van een gemeenschap ten aanzien van het trinitarisch geloven en belijden der ene kerk van Christus, zal de geldigheid van de doop, die be­diend is door een bedienaar van deze gemeenschap, evenzeer in twij­fel getrokken moeten worden. Bij de beoordeling hiervan lost alleen het gebruik van de trinitarische formule een gerezen twijfel niet op. Daar bij de doopbedie-ning heel de kerkelijk gemeenschap, waarin de dopeling als lid wordt opgenomen, betrokken is, moet de bedienaar van de doop door de betrokken gemeenschap tot dopen gemachtigd zijn. Wie door een kerkelijke gemeenschap wel en wie niet tot dopen worden gemachtigd, moet aan de beslissing en de verantwoordelijk­heid van de betreffende gemeenschap worden overgelaten. Verschil van kerkelijke praktijk in dezen oefent geen invloed uit op de doop­erkenning.

Om tot uitdrukking te brengen, dat heel de kerkelijke gemeenschap bij de doop be-trokken is, dient de doopbediening zoveel mogelijk in het midden van de gemeente te geschieden. Daarom moet bevorderd worden, dat de ouders, die hun kind ten doop aanbieden op actieve wijze present kunnen zijn bij de doop van hun kind, en daarom is het onjuist, dat kinderen geheel buiten medeweten en verlangen van hun ouders om worden gedoopt.

Wat betreft de aan katholieke zijde bestaande privé-doop (de zoge­naamde nooddoop), bediend aan kinderen van katholieke ouders, erkennen de Gereformeerde Kerken in Nederland de geldigheid daar­van, ervan uitgaande, dat:
  1. zulk een doopbediening niet geschiedt zonder machtiging van de kerkelijke gemeenschap, zodat ook in dit geval de niet-ambtelijke bedienaar optreedt in opdracht van de kerkelijke gemeenschap;
  2. deze privé-doop door een openbare liturgische handeling van de ambtelijke bedienaar wordt bevestigd;
  3. bij kinderen van katholieke ouders de instemming van de ouders met het doopsel van hun kind verondersteld mag worden als aan­wezige werkelijkheid.
Aangezien wij niet tweemaal in Christus geboren kunnen worden, behoort de doop als het sacramentele teken van de inlijving in Christus en zijn kerk niet herhaald te worden, ook indien de betrok­kene zelf dit zou wensen. Wanneer iemand van de Gereformeerde Kerken overgaat naar de Rooms-Katholieke Kerk of omgekeerd, moet uit eerbied voor de heiligheid van de doop en ter bevordering van het wederzijds respect van beide kerken, volstaan worden met een schrif­telijk doopbewijs, dat door de betreffende gemeente of parochie wordt gevraagd en ook wordt afgegeven.
Wanneer iemand van een andere kerkgemeenschap overgaat naar de Gereformeerde Kerken of de Rooms-Katholieke Kerk, wordt gemeen­schappelijk de volgende gedragslijn gevolgd:
  1. een schriftelijk doopbewijs zal aan de betreffende gemeente of kerk worden gevraagd;
  2. indien zich ernstige twijfel voordoet omtrent de geldigheid van een ontvangen doop, zal bij de bevoegde kerkelijke organen van de andere kerk navraag worden gedaan;
  3. bij eventueel toch nog blijvende twijfel zullen de argumenten, waarom de geldigheid van de ontvangen doop toch nog onzeker blijft, als regel schriftelijk, worden medegedeeld aan de betrokken kerk of gemeente.

Document

Naam: WEDERWIJDSE DOOPERKENNING GEREFORMEERDE KERKEN EN HET NEDERLANDS EPISCOPAAT
Soort: Nederland
Auteur: Bisschoppen van de RK Kerkprovincie in Nederland
Datum: 23 januari 1968
Copyrights: © 2004, Katholieke Vereniging voor Oecumene Athanasius en Willibrord
Bewerkt: 16 januari 2019

Referenties naar dit document

 
Geen documenten gevonden!

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2019, Stg. InterKerk, Schiedam