• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

“Gij zult kracht ontvangen van de Heilige Geest die over u komt, om mijn getuigen te zijn in Jeruzalem, in geheel Judea en Samaria en tot het uiteinde der aarde” (Hand. 1, 8). De belofte van de Heer Jezus, gedaan voordat Hij naar de hemel opsteeg, wordt in de geschiedenis van de Kerk verwezenlijkt. Vanuit Jeruzalem, waar het paasmysterie van de dood en de verrijzenis van Jezus Christus in vervulling is gegaan, heeft het Evangelie zich niet alleen in Judea en Samaria verbreid, maar in de hele wereld en daarbij ook de heidenvolken bereikt. De drijvende kracht achter deze weg van de Kerk is de Heilige Geest, een gave van de verrezen Heer. Immers, na zijn overwinning op de dood verscheen Jezus aan zijn leerlingen en richtte tot hen de gewone groet van de joden: “Vrede zij u” (Joh. 20, 20), die herinnerde aan de volheid van de gaven van God. In hetzelfde Evangelie volgens Johannes schonk Hij hun, binnenkomend terwijl de deuren gesloten waren, de gave van de Heilige Geest: “Hij blies over hen en zei hun: ‘Ontvangt de Heilige Geest. Aan wie ge de zonden vergeeft, zijn ze vergeven, maar wie ge ze niet vergeeft, zijn ze niet vergeven’” (Joh. 20, 22-23).

De gebeurtenis vervulde de leerlingen, “die zich verheugden de Heer te zien” (Joh. 20, 20), van vreugde. Deze ontmoeting, bezegeld met de uitstorting van de Geest, veranderde hun leven radicaal. Zij die “uit vrees voor de Joden” (Joh. 20, 19) waren opgesloten in het cenakel, traden naar buiten en “verkondigden vrijmoedig het woord Gods” (Hand. 4, 31). Geleid door Simon Petrus begonnen de apostelen openlijk de Blijde Boodschap van het leven, de dood en de verrijzenis van hun Meester en Heer te verkondigen: “Deze Jezus heeft God doen verrijzen en daarvan zijn wij allen getuigen” (Hand. 2, 32). In het centrum van het Christelijk kerygma staat de tegenwoordigheid van de verrezen en levende Heer te midden van de gemeenschap van de gelovigen.

Daarom vindt de kerkgemeenschap haar bron in het paasmysterie. De leerlingen verkondigen het unaniem “door de naam van Jezus, de Nazoreeër, die gij gekruisigd hebt, maar die God uit de doden heeft doen opstaan” (Hand. 4, 10). Het gevolg van de eerste verkondiging van Petrus was de bekering van ongeveer 3000 personen Vgl. Hand. 2, 41 . Door middel van het doopsel werden zij ledematen van de Kerk, de gemeenschap van de leerlingen van Jezus Christus. De verandering die in hen had plaatsgevonden, was de vrucht van de Heilige Geest, die voor hen de horizonten opende van het Christelijk geloof en hun houding jegens de naaste veranderde, zoals de heilige Lucas getuigt: “De menigte die het geloof had aangenomen, was één van hart en één van ziel en er was niemand die iets van zijn bezittingen zijn eigendom noemde, integendeel, zij bezaten alles gemeenschappelijk” (Hand. 4, 32).

Gemeenschap gaat samen met getuigenis. Immers, om de opvolger van Judas te kiezen deelt de apostel Petrus aan ongeveer 120 broeders de criteria voor zijn uitverkiezing mede: “Dus moet een van de mannen die tot ons gezelschap behoorden gedurende de tijd dat de Heer Jezus onder ons verkeerde, vanaf het doopsel van Johannes tot de dag waarop Hij van ons werd weggenomen, met ons een getuige worden van zijn verrijzenis” (Hand. 1, 21-22). De Christen moet getuige (martys) zijn van de verrezen en levende Heer in het heden van de kerkgemeenschap.
Het is veelbetekenend dat de uitstorting van de Geest en de gave van de vrede niet de afwezigheid garandeert van moeilijkheden, tegenstellingen en vervolgingen. Aan het begin van hun openbaar optreden werden de apostelen gevangen genomen en in de gevangenis gezet Vgl. Hand. 4, 1-22 . Zij waren echter “verheugd dat ze waardig bevonden waren smaad te lijden omwille van de Naam” (Hand. 5, 41). De eerste Christenen handelden in enigszins ongunstige omstandigheden. Zij kregen te maken met de tegenstand en de vijandschap van de religieuze autoriteiten van het eigen volk. Zij waren zich er echter van bewust dat “men God meer moet gehoorzamen dan de mensen” (Hand. 5, 29). Bovendien was hun vaderland bezet, ingevoegd in het machtige Romeinse Rijk. In dergelijke, geenszins gemakkelijke, omstandigheden verkondigden zij in zijn geheel het Woord van God, dat overeenkomstig het onderricht van Jezus de liefde voor allen bevatte: “Bemint uw vijanden en bidt voor wie u vervolgen” (Mt. 5, 44). Daarom hebben de apostelen in het lot van de Meester gedeeld door met het martelaarschap van hun trouw aan de Heer van het leven te getuigen. Men zou kunnen denken dat de gave van de verrezen Heer niet zozeer de vrede betrof die er zou moeten bestaan onder de mensen, als wel de vrede onder de kinderen Gods: “Vrede laat Ik u na, mijn vrede geef Ik u. Niet zoals de wereld die geeft, geef Ik hem u” (Joh. 14, 27). De leerlingen moeten deze vrede beleven en verkondigen ook temidden van vervolgingen. In de bergrede heeft de Heer Jezus samen met degenen die vrede brengen, ook hen die treuren, hen die worden vervolgd en die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, hen die worden beledigd en worden belasterd omwille van Hem, zalig genoemd Vgl. Mt. 5, 3-12 . Tegelijkertijd heeft Hij de leerlingen uitgenodigd: “Verheugt u en juicht, want groot is uw loon in de hemel”.

De huidige situatie in het Midden-Oosten is in vele opzichten gelijk aan die waarin de eerste Christelijke gemeenschap van het Heilig Land leefde en waar geïnspireerde mensen de boeken van het Nieuwe Testament hebben geschreven. Als deze worden gelezen met het vuur van de Heilige Geest, nodigen zij uit tot een Christelijk getuigenis, persoonlijk en in de gemeenschap, vooral de gelovigen die in het land van Jezus wonen, waar zij sinds bijna 2000 jaar in dikwijls ongunstige omstandigheden met woorden en met het voorbeeld van hun leven het mysterie van Jezus van Nazareth verkondigen: “Hij is verrezen, Hij is niet hier” (Mc. 16,6); Hij is “de levende” (Openb. 1, 18), “de Alfa en de Omega, de eerste en de laatste, de oorsprong en het einde” (Openb. 22, 13).

Deze Bijbelse reminiscenties blijken zeer actueel te zijn bij de voorbereiding van de Bijzondere Vergadering voor het Midden-Oosten van de Bisschoppensynode, die zal plaatsvinden van 10 tot 24 oktober 2010 met als thema: De katholieke Kerk in het Midden-Oosten: gemeenschap en getuigenis. ‘De menigte die het geloof had aangenomen was één van hart en één van ziel’ (Hand. 4, 32). In deze geest is dit Instrumentum laboris gemaakt, een stuk dat voor de vergadering van de synode tot stand is gekomen op grond van de uitwerking van de talrijke antwoorden op de vragenlijst van de Lineamenta die zijn binnengekomen van de bisschoppensynodes van de oosterse katholieke Kerken sui iuris, de bisschoppenconferenties, de dicasteries van de Romeinse Curie, de Unie van Generaal-Oversten, evenals van zeer veel individuele personen en kerkelijke groeperingen. Wij danken van harte de leden van de Presynodale Raad voor het Midden-Oosten, die met edelmoedige toewijding hebben deelgenomen aan de opstelling van het Instrumentum laboris, dat nu in vier talen wordt gepubliceerd: Arabisch, Frans, Engels en Italiaans. Het is een groot voorrecht dat de Heilige Vader Benedictus XVI het Instrumentum laboris wil overhandigen aan de vertegenwoordigers van het episcopaat van het Midden-Oosten, van alle verschillende tradities, tijdens zijn apostolisch bezoek aan Cyprus. Het betreft wederom een veelbetekenende geste van de bijzondere zorg van de bisschop van Rome voor de geliefde Kerken in het Midden-Oosten. Gegeven het feit dat zij ook lid zijn van de Presynodale Raad van het Midden-Oosten, wil deze geste ook een dankbetuiging zijn voor de geboden samenwerking, een gelukkig vooruitlopen op de synodale werkzaamheden die te Rome zullen beginnen op 10 oktober 2010 met de plechtige eucharistische concelebratie, door de Paus voorgezeten.

Wij vertrouwen de goede afloop van de synodale werkzaamheden toe aan het gebed van de talrijke gelovigen in het Midden-Oosten en heel de katholieke Kerk. In het bijzonder roepen wij de voorspraak in van de vele getuigen-martelaren van het Heilige Land. Wij rekenen ook op de voorspraak van de heilige Maagd Maria en haar bruidegom de heilige Jozef, het paar uit het Midden-Oosten dat in hun eigen land Gods Zoon heeft grootgebracht. Wij vragen hen om ons geestelijk nabij te blijven en zo de heilige Kerken van God in het Midden-Oosten, die tussen de vreugden van de hemel en de kwellingen van de wereld Vgl. Hand. 14, 22 op weg zijn, te beschermen.

Nikola Eterovi?
Titulair aartsbisschop van Cibale
Algemeen secretaris


Vaticaanstad, 6 juni 2010

Document

Naam: DE KATHOLIEKE KERK IN HET MIDDEN-OOSTEN: GEMEENSCHAP EN GETUIGENIS - ‘DE MENIGTE DIE HET GELOOF HAD AANGENOMEN WAS ééN VAN HART EN ééN VAN ZIEL’ (HAND. 4, 32)
Instrumentum Laboris voor de Bijzondere Bisschoppensynode voor het Midden-Oosten
Soort: Bisschoppensynodes
Auteur: Msgr. Nikola Eterovic
Datum: 6 juni 2010
Copyrights: © 2010, Algemeen Secretariaat van de Bisschoppensynode en Libreria Editrice Vaticana / SRKK, Utrecht
Vert.: drs. H.M.G. Kretzers
Bewerkt: 19 november 2020

Opties

Internetadres
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2021, Stg. InterKerk, Schiedam