• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

GESPREK VAN DE PAUS MET DE PRIESTERS
Vigilie bij gelegenheid van de afsluiting van het Jaar van de Priester

(Redactie: Tijdens de vigilie van de sluiting van het Jaar van de Priester kwamen ca. 14.000 priesters op het Sint Pietersplein bijeen. Er werden er 9.000 verwacht. Priesters, van ieder continent één, stelden in de viering van gebed en aanbidding de Paus vragen, welke door de Paus, zonder gebruik te maken van de voorbereide tekst, 'par coeur' werden beantwoord. Afsluitend werd het Allerheiligste ter aanbidding op het altaar geplaatst, waarna de Eucharistische zegen door de Paus.)

Amerika

Heilige Vader, mijn naam is don José Eduardo de Oliveira y Silva en ik kom uit Amerika, meer bepaald uit Brazilië. De meerderheid van ons hier aanwezig, is in de territoriale pastoraal ingezet, in een parochie; en niet alleen in één gemeenschap, maar vaak zijn wij pastoor van meerdere parochies of van bijzonder uitgestrekte gemeenschappen. Met veel goede wil trachten wij zorg te dragen voor de noden van een sterk veranderde samenleving, die niet meer volledig christelijk is. Maar we merken dat onze ‘actie’ niet volstaat. Waarheen moeten we gaan, heilige Vader? in welke richting?

Benedictus XVI: Beste vrienden, vooreerst wil ik uitdrukking geven aan mijn grote vreugde, omdat hier priesters uit alle delen van de wereld verenigd zijn, in de blijdschap over onze roeping en in de bereidheid om de Heer met al onze krachten te dienen in deze tijd, die de onze is.

Om nu op uw vraag te antwoorden: ik weet heel goed dat het vandaag heel moeilijk is om pastoor te zijn, zelfs en vooral in landen waar het christendom vanouds verspreid is; de parochies worden steeds groter, parochiefederaties ... Het is onmogelijk iedereen te kennen, het is onmogelijk alle taken te vervullen die men van een pastoor zou mogen verwachten.

En zo vragen we ons werkelijk af hoe het verder moet, zoals u gezegd hebt. Maar allereerst zou ik willen zeggen: ik weet dat er in de wereld zeer vele priesters zijn, die werkelijk al hun krachten inzetten voor de evangelisatie, voor de tegenwoordigheid van de Heer en zijn Sacramenten. En aan deze trouwe pastores, die met al hun levenskracht werken en vol hartstocht voor Christus zijn, wil ik op dit moment van harte ‘dank u wel’ zeggen. Ik heb u gezegd dat het niet mogelijk is alles te doen, wat men zou wensen, wat men misschien zou moeten doen, omdat onze krachten beperkt zijn, en omdat de situatie moeilijk is in een steeds meer gediversifieerde en complexe samenleving. Ik denk dat het vooral belangrijk is dat de gelovigen kunnen zien dat de priester niet alleen zijn ‘job’ doet, zijn uurrooster afwerkt, en daarna zou hij vrij zijn en enkel voor zichzelf leven.

Als de gelovigen integendeel kunnen zien dat hij een gepassioneerde voor Christus is, die het vuur van de Christusliefde in zich draagt, dat hij vol is van de vreugde om de Heer, dan zullen ze ook begrijpen dat hij niet alles kan doen; ze zullen zijn beperktheden aanvaarden en hun pastoor helpen. Dit lijkt me dus het belangrijkste te zijn: dat men kan zien en ervaren, dat de pastoor werkelijk overtuigd is een geroepene van de Heer te zijn, en dat hij vervuld is van liefde voor de Heer en de zijnen. Als dat zo is, zal men begrijpen en ook zien dat het onmogelijk is alles te doen. Bijgevolg is de eerste voorwaarde, met heel ons wezen vervuld te zijn van de evangelische vreugde. En dan moet men keuzes maken, prioriteiten stellen, zien wat mogelijk is en wat niet. Ik denk dat we de drie prioriteiten wel kennen, de drie zuilen van ons priesterlijk bestaan:

  • Eerst de Eucharistie en de Sacramenten, de Eucharistie mogelijk maken en aanwezig stellen, vooral op zondag, zo veel mogelijk voor allen, en ze op zulk een wijze vieren dat werkelijk de liefdedaad van de Heer voor ons zichtbaar wordt.
  • Dan de verkondiging van het Woord in al haar dimensies: van het persoonlijk gesprek tot en met de homilie.
  • En het derde punt is de ‘caritas’, de liefde van Christus: er zijn voor hen die lijden, voor de kleinen, de kinderen, voor personen die het moeilijk hebben, voor uitgestotenen ... werkelijk de liefde van de Goede Herder voor hen tastbaar maken.

Verder is de persoonlijke relatie met Christus ook een zeer belangrijke prioriteit. In ons brevier lezen wij op 4 november een mooie tekst van de heilige Carolus Borromeüs, een grote herder die zich werkelijk helemaal gegeven heeft en die aan ons, aan alle priesters zegt: “Verwaarloos je eigen ziel niet. Als je ziel verwaarloosd is, kan je de anderen niet geven wat je hen allemaal zou moeten geven. Dus moet je ook voor jezelf, voor je ziel tijd maken.” Met andere woorden: de relatie met Christus, de persoonlijke dialoog met Christus is een fundamentele pastorale prioriteit; ze is de voorwaarde om ons werk voor de anderen aan te kunnen. En het gebed is niet iets bijkomstigs: bidden behoort werkelijk tot het ‘beroep’ van de priester, ook als vertegenwoordiger van de mensen die niet weten hoe men bidt of geen tijd vinden om te bidden. Het persoonlijk gebed, vooral het Getijdengebed is basisvoedsel voor onze ziel, voor heel onze werking.

Tenslotte moeten we onze grenzen erkennen, en ook voor deze nederigheid openstaan. Herinneren we ons een scène bij Marcus, in het zesde hoofdstuk, waar de leerlingen ‘gestrest’ zijn, waar ze alles willen doen... en de Heer zegt hun: “Laten we weggaan, rust een beetje uit” (Mc. 6, 31). Ook dat is pastoraal werk, zou ik zeggen: de nederigheid vinden en hebben, de moed om uit te rusten. En dus denk ik dat de hartstocht en de liefde voor de Heer ons de prioriteiten en de keuzes tonen, en ons helpen om de weg te vinden. De Heer zal ons helpen. Dank u allemaal!

Afrika
Heiligheid, ik heet Mathias Agnero en ik kom uit Afrika, juister gezegd uit Ivoorkust. U bent een Paus-theoloog, terwijl wij al tevreden zijn als we erin slagen slechts enkele theologische boeken voor onze vorming te lezen. Nochtans komt het ons voor dat er tussen theologie en geloofsleer een breuk is ontstaan en nog sterker tussen theologie en spiritualiteit. Men voelt de noodzaak dat de studie niet louter academisch zou zijn, maar ook onze spiritualiteit zou voeden. Deze behoefte voelen we ook in onze eigen pastorale dienst. Meermaals schijnt God niet in het centrum van de theologie te staan en Jezus Christus niet de eerste locus theologicus te zijn; integendeel de theologie lijkt aan de heersende smaken en tendensen te beantwoorden, met als gevolg de verspreiding van subjectieve meningen die toelaten dat ook in de Kerk een niet-katholiek gedachtegoed binnensluipt. Hoe zouden wij in ons leven en onze dienst niet gedesoriënteerd zijn, wanneer het de wereld is die het geloof beoordeelt en niet andersom? Wij voelen ons uit ons evenwicht!

Benedictus XVI: Ik dank u. U raakt hier een zeer moeilijk en pijnlijk probleem aan. Ja, er bestaat werkelijk een theologie die allereerst academisch wil zijn, wetenschappelijk wil lijken maar die de levensnoodzakelijke werkelijkheid vergeet: de tegenwoordigheid van God, zijn aanwezigheid onder ons, zijn spreken vandaag en niet alleen in het verleden. Reeds de H. Bonaventura had in zijn tijd reeds twee vormen van theologie onder-scheiden. Hij heeft gezegd: “Er is een theologie, die uit de arrogantie van het verstand voortkomt, die alles wil domineren, die God van subject herleidt tot studieobject, terwijl Hij juist het subject zou moeten zijn dat ons aanspreekt en ons leidt.” Dit misbruik van de theologie bestaat werkelijk, deze arrogantie van het verstand, die het geloof niet voedt maar de aanwezigheid van God in de wereld verduistert.

Maar er is ook een theologie die een grotere kennis nastreeft uit liefde voor de beminde; ze wordt opgewekt door de liefde en geleid door de liefde; ze wil de beminde beter leren kennen. En dat is de ware theologie, die voortkomt uit de liefde voor God en voor Christus; ze wil dieper in gemeenschap treden met Christus. De bekoringen van de huidige tijd zijn werkelijk groot, vooral het zogenaamde ‘moderne wereldbeeld’ (Bultmann) dringt zich op; het wil het criterium worden van wat mogelijk of niet mogelijk is. En juist met dit criterium dat ervan uitgaat dat alles blijft zoals het is, dat alle historische gebeurtenissen van dezelfde aard zijn, sluit men de nieuwheid van het evangelie uit, de doorbraak van God, de ware nieuwheid die de vreugde van ons geloof is. Wat moet men dan doen? Allereerst zou ik aan de theologen willen zeggen: Heb moed! En ik wil ook de vele theologen danken, die goed werk verrichten.

Er zijn misbruiken, dat weten we; maar in alle delen van de wereld zijn er vele theologen die werkelijk van Gods Woord leven, die zich aan de meditatie voeden, die het geloof van de Kerk beleven en hun bijdragen willen leveren om het geloof in onze huidige wereld aanwezig te brengen. Voor deze theologen wil ik hier mijn diepe dank uitspreken. En aan de theologen in het algemeen wou ik zeggen: “Heb geen angst voor dit spook van de wetenschappelijkheid!” Ik volg de theologie sinds 1946; ik ben begonnen theologie te studeren in januari 1946 en dus heb ik bijna drie generaties theologen gezien. En ik kan zeggen: de hypothesen van die tijd, en later die van de jaren 60 en 80, die gans nieuw waren, absoluut wetenschappelijk, absoluut bijna dogmatisch, zijn intussen verouderd en hebben geen waarde meer. Vele van hen lijken nu bijna belachelijk. Je moet dus de moed hebben, aan de schijnbare wetenschappelijkheid te weerstaan, je niet aan alle hypothesen van dit moment onderwerpen, maar werkelijk je redenering opbouwen vanuit het grote geloof van de Kerk, die in elke tijd aanwezig is en ons de toegang tot de waarheid opent. En ook vooral niet denken dat het positivistisch verstand dat de transcendentie uitsluit – omdat die niet toegankelijk kan zijn – het ware vernuft is! Dit zwakke vernuft, dat alleen het ervaarbare aanwijst, is in werkelijkheid een ontoereikend vernuft. Wij theologen moeten het omvangrijke verstand gebruiken, dat openstaat voor de grootheid van God. We moeten de moed hebben, voorbij het positivisme tot aan de vraag naar de wortels van het zijn te gaan. Dat lijkt me van groot belang te zijn.

Je moet dus de moed van het grote, omvangrijke verstand hebben, maar tegelijk de nederigheid, je niet aan alle hypothesen van dit moment te onderwerpen en vanuit het grote geloof van de Kerk aller tijden te leven. Er is geen meerderheid tegen de meerderheid van de heiligen; de echte meerderheid, dat zijn de heiligen in de Kerk en op de heiligen moeten we ons richten. Dus zeg ik hetzelfde aan de seminaristen en de priesters: bedenk dat de H. Schrift geen geïsoleerd Boek is maar in de levende gemeenschap van de kerk leeft; deze is hetzelfde subject in alle eeuwen en waarborgt de tegenwoordigheid van Gods Woord. De Heer heeft ons de Kerk als levend subject gegeven, met de structuur van de bisschoppen in gemeenschap met de Paus, en deze grote werkelijkheid van de bisschoppen in de wereld in gemeenschap met de Paus staat borg voor het getuigenis van de blijvende waarheid. Laten we vertrouwen hebben in dit permanent leerambt van de bisschoppengemeenschap met de Paus, die voor ons de tegenwoordigheid van het Woord voorstelt. En laten we dan ook vertrouwen hebben in het leven van de Kerk en vooral moeten we kritisch zijn. Zeker, de theologische vorming – dit zou ik aan de seminaristen willen zeggen – is heel belangrijk. In onze tijd moeten we de H. Schrift goed kennen, ook tegen de aanvallen van de sekten; we moeten werkelijk vrienden van het Woord zijn. We moeten ook de stromingen van onze tijd kennen om gemotiveerde antwoorden te kunnen geven, om zoals de H. Petrus zegt, “rekenschap van ons geloof” te kunnen geven. De vorming is zeer belangrijk. Maar we moeten ook kritisch zijn. De norm van het geloof is de norm waarnaar ook de theologen en de theologieën beoordeeld moeten worden.

Paus Johannes Paulus II heeft ons met de Catechismus-Compendium
Catechismus van de Katholieke Kerk
(15 augustus 1997)
een absoluut veilig criterium geschonken. Hier zien we de synthese van ons geloof, en deze Catechismus-Compendium
Catechismus van de Katholieke Kerk
(15 augustus 1997)
is werkelijk het criterium om te zien waarheen een aanvaardbare of onaanvaardbare theologie ons voert. Ik beveel dus de lezing en de studie van deze tekst aan, en zo kunnen we vooruitgaan met een kritische theologie, kritisch in de positieve zin, tegen de tendensen van de mode en open voor de ware nieuwigheden, voor de onuitputtelijke diepte van het Woord van God, dat zich in elke tijd als nieuw aandient, ook in onze tijd.

Europa
Heilige Vader, ik ben Karol Miklosko en kom uit Europa, meer bepaald uit Slowakije; ik ben missionaris in Rusland. Als ik de heilige Mis vier, vind ik mezelf en begrijp ik dat ik daar mijn identiteit aantref, de wortel en de energie van mijn dienstambt. Het kruisoffer onthult mij de Goede Herder, die alles geeft voor zijn kudde, voor elk van zijn schapen. En als ik zeg: “Dit is mijn Lichaam, dit is mijn Bloed”, gegeven en vergoten als offer voor u, dan versta ik de schoonheid van het celibaat en van de gehoorzaamheid, die ik vrijwillig beloofd heb bij mijn priesterwijding. Zelfs met zijn natuurlijke moeilijkheden lijkt het celibaat me duidelijk zinvol als ik naar Christus kijk, maar ik voel me erg verward bij het lezen van zoveel mondaine kritiek op deze gave. Ik vraag u deemoedig, Heilige Vader, ons de diepte en de echte zin van het kerkelijk celibaat te verhelderen.

Benedictus XVI: Ik dank u voor de twee delen van uw vraag. Het eerste deel, waar u de vaste en vitale grondslag van ons celibaat aanwijst; het tweede, dat alle moeilijkheden toont waarin we ons in onze tijd bevinden.

Belangrijk is het eerste deel; namelijk centrum van ons leven moet werkelijk de dagelijkse Eucharistieviering zijn, en hier staan de woorden van de consecratie centraal: “Dit is mijn Lichaam, dit is mijn Bloed.” Wij spreken dus in persona Christi. Christus staat ons toe zijn ‘Ik’ te gebruiken, we spreken over het ‘Ik’ van Christus, Christus trekt ons in zich, laat ons toe ons te verenigen, Hij verenigt ons met zijn ‘Ik’. En zo, door deze handeling, door het feit dat Hij ons in zich ‘trekt’, zodat ons ‘ik’ met zijn ‘Ik’ verenigd wordt, verwezenlijkt Hij het voortduren van zijn uitzonderlijk priesterschap; zo is Hij waarlijk altijd de enige Priester, en toch is Hij sterk aanwezig in de wereld, omdat Hij ons in zich ‘trekt’ en zo zijn priesterlijke missie tegenwoordig stelt. Dit betekent dat wij in de God van Christus ‘naar binnen getrokken worden’; het is deze eenheid met zijn ‘Ik’, die in de consecratiewoorden werkelijkheid wordt. Ook in het “Ik vergeef je” – omdat niemand van ons zonden zou kunnen vergeven – is het het ‘Ik’ van Christus, van God, dat alleen kan vergeven. Deze vereniging van zijn ‘Ik’ met het onze, brengt mee dat wij binnengetrokken worden in zijn werkelijkheid van Verrezene. Wij gaan vooruit naar het volle leven van de verrijzenis, waarover Jezus spreekt tot de Sadduceeërs in Matteüs, hoofdstuk 22: het is een nieuw leven, waarin we reeds voorbij het huwelijk zullen zijn. Vgl. Mt. 22, 23-32

Het is belangrijk dat wij ons steeds opnieuw laten doordringen door deze identificatie van het ‘Ik’ van Christus met ons, van dit ‘naar buiten getrokken worden’ naar de wereld van de verrijzenis. In deze zin is het celibaat een vooruitlopen op de verrijzenis. Wij overstijgen deze tijd en gaan verder, en zo ‘trekken’ wij onszelf en onze tijd naar de wereld van de verrijzenis toe, naar de nieuwheid van Christus, naar het nieuwe en ware leven. Het celibaat is dus een anticipatie, die mogelijk werd door de genade van de Heer, die ons naar zich toe trekt, naar de wereld van de verrijzenis.

Hij nodigt ons telkens opnieuw uit, onszelf en de huidige tijd te overstijgen, op weg naar de echte huidige tijd van de toekomst, die vandaag al tegenwoordige tijd wordt.

En hier zijn we op een heel belangrijk punt aangekomen. Een groot probleem voor de Christenheid van de huidige wereld is, dat men niet meer aan de toekomst van God denkt: de tegenwoordigheid van deze wereld alleen, lijkt voldoende. Wij willen enkel deze wereld hebben, enkel in deze wereld leven. Zo sluiten we de deur voor de ware grootheid van ons bestaan. De zin van het celibaat als vooruitlopen op de toekomst ligt juist in het openen van deze deuren, in het groter maken van de wereld, in het tonen van de toekomstige werkelijkheid, die door ons reeds als nu tegenwoordig moet beleefd worden. Zo leven wij als echte getuigen van ons geloof: wij geloven werkelijk dat God er is, dat God in mijn leven een rol speelt, dat ik mijn leven kan bouwen op Christus, op de toekomstige wereld.

En we kennen tegenwoordig de kritiek van de wereld, waarover u gesproken hebt. Het is waar dat voor de agnostische wereld, de wereld voor wie God geen rol speelt, het celibaat iets is dat grote aanstoot (grande scandalo) verwekt: juist omdat het aantoont dat God als werkelijkheid beschouwd en beleefd wordt. Met de eschatologische wereld van het celibaat treedt de toekomstige wereld van God binnen in de realiteit van onze tijd. En dat zou moeten verdwijnen! In zekere zin zou de voortdurende kritiek op het celibaat kunnen verrassen in een periode waarin het steeds meer mode wordt, niet te huwen. Maar dit niet-huwen is volledig en grondig verschillend van het celibaat, omdat het niet-huwen hier gegrond is op het verlangen, alleen maar voor zichzelf te leven, geen enkele definitieve band te aanvaarden, het leven op elk tijdstip in volle autonomie te beleven en ieder ogenblik te beslissen wat er te doen is en wat men van het leven kan pakken; het is dus een ‘neen’ aan elke binding, een ‘neen’ aan het definitieve karakter, het betekent het leven alleen voor zichzelf willen hebben.

Daarentegen is het celibaat juist het tegenovergestelde: het is een definitief ‘ja’, het is God toelaten ons bij de hand te nemen, het is zich neerleggen in de handen van God, in zijn ‘Ik’. Bijgevolg is het een daad van trouw en vertrouwen, een daad die trouwens ook voorondersteld wordt bij de huwelijkstrouw. het is juist het tegendeel van dit ‘neen’, van deze autonomie die zich nergens toe verplichten wil, die geen enkele binding wil aangaan. Het celibaat is het definitieve ‘ja’ dat het definitieve ‘ja’ van het huwelijk veronderstelt en bevestigt. En dit huwelijk is de Bijbelse vorm, de natuurlijke vorm van het man- en vrouw-zijn, grondslag van de grote Christelijke cultuur en van de grote culturen van de wereld. En als dit verdwijnt, wordt daarmee de wortel van onze cultuur vernietigd. Daarom bevestigt het celibaat het ‘ja’ van het huwelijk met zijn ‘ja’ aan de toekomstige wereld; zo willen wij verdergaan en deze aanstoot (scandalo) van een geloof tegenwoordig stellen, dat heel het bestaan op God laat rusten. Wij weten dat naast deze grote ergernis (scandalo) die de wereld niet wil zien, er ook de tweederangs schandalen zijn, die van onze onvolkomenheden, van onze zonden, die de echte en grote ergernis (scandalo) verduisteren en laten denken: “Maar zij vestigen hun leven toch niet echt op God!” Maar er is ook heel veel trouw! Het celibaat – de hopen kritiek tonen het juist aan - is een groot teken van het geloof, van de aanwezigheid van God in de wereld. Laten we de Heer bidden, dat Hij ons helpt ons van de tweederangs schandalen te bevrijden om de grote ergernis (scandalo) van ons geloof op de voorgrond te plaatsen: het vertrouwen, de kracht van ons leven die op God en Jezus Christus gegrond is.

Aziƫ
Heilige Vader, ik ben don Atsushi Yamashita en kom uit Azië, meer bepaald uit Japan. Het priesterlijk voorbeeld dat u, Heilige Vader, ons dit jaar hebt voorgesteld, namelijk de pastoor van Ars, plaatst de Eucharistie, de sacramentele en persoonlijke Verzoening en de zorg voor een waardig gevierde Eredienst in het centrum van ons bestaan en ons dienstwerk. Ik heb de strenge armoede van de H. Jean-Marie Vianney voor ogen en tegelijk zijn passie voor kostbare liturgische benodigdheden. Hoe kunnen wij deze fundamentele dimensies van ons priesterlijk bestaan beleven zonder te vervallen in clericalisme of in een onrealistische houding, hetgeen de huidige wereld niet zou aanvaarden?

Benedictus XVI: Dank u. De vraag is dus: hoe kan men de centrale plaats van de Eucharistie beleven, zonder helemaal op te gaan in een louter cultisch leven, dat vreemd is aan het alledaagse leven van de anderen. Wij weten dat het clericalisme een verzoeking is voor de priesters van alle eeuwen, en ook vandaag. Des te belangrijker is het, de ware manier te vinden om de Eucharistie te beleven, die zich niet voor de wereld afsluit, maar juist voor de noden van de wereld openstaat. Wij moeten voor ogen houden dat in de Eucharistie zich het grote drama voltrekt van een God, die uit zichzelf treedt, zijn eigen heerlijkheid verlaat en – zoals het in de Brief aan de Filippenzen luidt – zich vernedert om één van de onzen te worden en tot de dood aan het kruis te gehoorzamen. Vgl. Fil. 2

Het avontuur van Gods liefde, die uit zichzelf treedt en zich vernedert om bij ons te zijn, dat wordt juist in de Eucharistie tegenwoordig gesteld. Die grote daad, dat grote avontuur van Gods liefde bestaat in de deemoed van God die zich helemaal aan ons geeft. In die zin kan de Eucharistie beschouwd worden als de toegang tot deze weg van God. In boek X van zijn H. Augustinus
De Civitate Dei
Over de Stad Gods ()
zegt de heilige Augustinus: "Hoc est sacrificium Chistianorum: multi unum corpus in Christo" m.a.w. het offer van de Christenen bestaat erin, door de liefde van Christus verenigd te worden in de eenheid van het unieke lichaam van Christus. Het offer bestaat juist in het uittreden uit onszelf, om ons in de gemeenschap van het ene brood en het ene Lichaam te laten opnemen en zo in het grote avontuur van Gods liefde in te treden. Wij moeten de Eucharistie altijd zo celebreren, beleven en overwegen, dat ze een school wordt voor de bevrijding van het eigen ‘ik’: intreden in het unieke brood, dat brood voor allen is en dat ons in één Lichaam van Christus verenigt. En bijgevolg is de Eucharistie wezenlijk een liefdedaad; ze engageert ons werkelijk tot de liefde voor de anderen, omdat het offer van Christus de gemeenschap van allen in zijn Lichaam tot stand brengt. Dus moeten wij de Eucharistie op deze manier leren verstaan, hetgeen juist het tegendeel is van clericalisme en zelfgenoegzaamheid.

Denken we daarbij ook aan Moeder Teresa, die in deze eeuw, in onze tijd werkelijk het supervoorbeeld is van een liefde die zichzelf wegcijfert, die elke vorm van clericalisme en wereldvreemdheid overstijgt: zij gaat naar de meest gemarginaliseerden, de armsten, de stervenden, en ze schenkt zich helemaal weg in de liefde voor de armen en de verstotenen. Maar Moeder Teresa die ons dit voorbeeld voorgeleefd heeft en de gemeenschap die in haar voetspoor treedt, stelden altijd als eerste voorwaarde voor een nieuwe stichting de aanwezigheid van een tabernakel. Zonder de aanwezigheid van Gods liefde die zich weggeeft, zou het niet mogelijk geweest zijn, dat apostolaat te verwezenlijken en in die zelfverloochening te leven. Enkel door zich in te schakelen in deze zelfgave van God, in het avontuur van zijn deemoed, konden zij toen en kunnen zij nu deze grote liefdesactie, deze openheid voor allen opbrengen. In deze zin zou ik zeggen: de Eucharistie in haar oorspronkelijke betekenis en in haar ware diepte beleven, is een levensschool; ze is de veiligste bescherming tegen elke verzoeking van clericalisme.

Oceaniƫ
Heilige Vader, ik ben don Anthony Denton en kom uit Oceanië, uit Australië. Deze avond zijn hier heel veel priesters verzameld. Maar wij weten dat onze seminaries niet vol zitten en in de toekomst wacht ons in verscheidene delen van de wereld een – soms zelfs bruuske – daling van de aantallen. Welke efficiënte bijdrage voor de roepingen kunnen wij leveren? Hoe kunnen wij aan een jongere van onze tijd ons leven voorstellen met al wat er groot en schoon aan is?

Benedictus XVI: Werkelijk, u raakt opnieuw een zeer groot en pijnlijk probleem van onze tijd aan: het gebrek aan roepingen, waardoor plaatselijke Kerken het gevaar lopen uit te drogen, omdat het Woord van leven en ook de tegenwoordigheid van het Eucharistisch Sacrament en van de andere Sacramenten ontbreekt. Wat kan men daartegen doen? De verleiding is groot om zelf de zaken in handen te nemen, om het priesterschap – het sacrament van Christus, het door Hem uitverkoren zijn – om te vormen tot een normaal beroep, tot een ‘job’ met zijn vaste werktijden, zodat men de rest van de tijd nog enkel aan zichzelf toebehoort; op die manier maken wij het priesterschap gelijk aan eender welke andere roeping en daardoor gemakkelijker toegankelijk. Maar... dit gaat over een verleiding, die het probleem niet oplost!

Dit doet me denken aan de historie met Saul, de koning van Israël, die vóór de veldslag tegen de Filistijnen op Samuel wachtte om het vereiste brandoffer op te dragen. Als Samuel op het afgesproken moment niet opdaagt, draagt hij zelf het offer op, hoewel hij geen priester is; Vgl. 1 Sam. 13 hij denkt zo het probleem te kunnen oplossen, wat hem natuurlijk niet gelukt, want door zelf zaken in handen te nemen die hij niet mag doen, maakt hij zichzelf enigermate tot God en mag dan ook niet verwachten dat de dingen werkelijk verlopen zoals God het wil.

Zo kunnen ook wij niets oplossen, als we alleen maar een beroep als ieder ander uitoefenen en daarbij afstand doen van het sacrale, nieuwe en gans bijzondere karakter van het sacrament, dat God alleen kan geven, en dat enkel van zijn roep en niet van ons ‘bezig zijn’ kan komen. Des te meer moeten wij – zoals de Heer ons uitnodigt –aan de deur, dit is aan Gods hart aankloppen en Hem bidden dat Hij ons roepingen schenkt; wij moeten bidden met sterke aandrang, grote beslistheid en diepe overtuiging, daar God zich niet afsluit voor een aandringend, volhardend en vertrouwend gebed, ook als Hij ons – zoals Hij bij Saul deed – laat geworden en langer laat wachten dan de tijd die wij voorzien hadden. Dit lijkt me het belangrijkste punt te zijn: de gelovigen aanmoedigen om deze deemoed te hebben, dit vertrouwen, deze moed om met aandrang voor roepingen te bidden, om bij Gods hart aan te kloppen opdat Hij ons priesters zou schenken.

Bovendien zou ik nog drie punten willen aanhalen.

Vooreerst zou ieder van ons zijn best moeten doen om zijn priesterschap op overtuigende wijze te beleven, zodoende dat de jongeren kunnen zeggen: dit is een echte roeping, zo kan men leven, zo kan men voor de wereld iets wezenlijks doen. Ik denk dat niemand van ons priester zou geworden zijn als hij geen overtuigende priesters had leren kennen, in wie het vuur van Christus’ liefde brandde. Dat is dus het eerste punt: laten we zelf proberen overtuigende priesters te zijn.

Ten tweede moeten wij, zoals ik al zei, het initiatief nemen om mensen uit te nodigen tot gebed, en die deemoed en dat vertrouwen hebben om met kracht en vastberadenheid tot God te spreken.

Ten derde moeten wij de moed hebben om aan jongeren de vraag te stellen of ze kunnen denken dat God hen roept. Want vaak is een menselijk woord nodig om onze oren voor de roep van God te openen; we moeten met de jongeren spreken en vooral hen helpen een vitale context te vinden waarin ze kunnen leven. De wereld is vandaag van die aard, dat de rijping van een priesterroeping er bijna uitgesloten lijkt. De jongeren hebben nood aan een of andere omgeving, waarin men het geloof beleeft, waarin de schoonheid van het geloof te voorschijn treedt en waar blijkt dat dit een mogelijk levensmodel is, ‘het’ levensmodel. En dus moet men hen helpen bewegingen of parochies te vinden – een parochiegemeenschap of een ander milieu – waar ze echt door het geloof, door Gods liefde omringd zijn. Daar kunnen ze zich openstellen zodat Gods roep hen bereikt en hen helpt. Overigens, laten we God voor alle seminaristen van onze tijd en voor de jonge priesters danken, en blijven bidden.

De Heer zal ons helpen! Dank u allemaal!

Document

Naam: GESPREK VAN DE PAUS MET DE PRIESTERS
Vigilie bij gelegenheid van de afsluiting van het Jaar van de Priester
Soort: Paus Benedictus XVI - Toespraak
Auteur: Paus Benedictus XVI
Datum: 10 juni 2010
Copyrights: © 2010, Libreria Editrice Vaticana
Vert. vanuit het Italiaans: Hugo Maes pr.
Bewerkt: 12 februari 2019

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
 
|
Pagina delen: 
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2019, Stg. InterKerk, Schiedam