• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

DOOPERKENNING MET NEDERLANDS HERVORMDEN - AAN HET MODERAMEN

Aan het Moderamen van de Generale Synode
der Nederlandse Hervormde Kerk
Carnegielaan 9,
's-Gravenhage.

No. 1648 66

Hoogeerwaarde Heren,

Het Nederlandse Episcopaat van de R.K. Kerk heeft met grote belangstelling en waardering kennis genomen van het voorlopig rapport, dat de R.K. leden van de commissie waaraan de bestudering van de mogelijkheid en van de voorwaarden van een wederzijdse dooperkenning tussen de Nederlandse Hervormde Kerk en de R.K. Kerk was opgedragen, hebben uitgebracht. Het heeft dit rapport ernstig in studie genomen en verheugt er zich over, het navolgende als besluit van onderling beraad aan U te kunnen voorleggen. Het wenst daarmede het verschuldigde respect voor het kerk-zijn van de Nederlandse Hervormde Kerk zo daadwerkelijk mogelijk tot uitdrukking te brengen.

Overeenkomstig de overtuiging, dat het doopsel het ene sacramentele teken is, waardoor alle christengelovigen van Christus-wege bezegeld worden tot ledematen van Zijn lichaam, de Kerk, acht het Nederlandse episcopaat het van zeer grote oecumenische betekenis, dat alle kerkelijke gemeenschappen een zo groot mogelijke gemeenschappelijkheid zullen nastreven inzake de bediening van het doopsel.
Een christelijke doopbediening zal aan de volgende normen dienen te beantwoorden, wil er van een geldig doopsel sprake kunnen zijn.

  1. De doophandeling zal moeten gebeuren met water en kan plaats vinden in de vorm van onderdompeling, van begieting of van besprenkeling. Hoewel een simpele bevochtiging van het voorhoofd van de dopeling minder juist wordt geacht als teken van een 'reiniging door het waterbad met het woord' (Ef. 5, 26) en van een medebegraven worden in Christus' dood vgl. Rom. 6, 4 en daarom een zodanig gebruik van water voor wenselijk moet worden gehouden dat daardoor de eigenlijke betekenis van het doopsel krachtig tot uitdrukking wordt gebracht zal toch de geldigheid van een doopsel waarbij een simpele voorhoofds-bevochtiging met water heeft plaats gehad niet zonder meer in twijfel getrokken kunnen worden.

    Anderzijds vrezen de Bisschoppen dat een al te schetsmatig stellen van het teken bij vele christenen twijfel zal oproepen of aan het totaal van de sacramentele geldigheids-voorwaarden is voldaan.
    In ieder geval zal de dopeling daadwerkelijk in het teken van de doophandeling gesteld moeten worden en zal daarom het doopwater de dopeling zelf werkelijk dienen aan te raken.

  2. De bedoeling om te dopen moet expressis verbis tot uitdrukking worden gebracht, hetzij in een deprecatieve vorm, hetzij in een indicatieve, hetzij in beide vormen tezamen.
    Gedoopt moet worden in (of 'tot' of 'onder') de Naam van de Vader, van de Zoon en van de Heilige Geest, in gemeenschap met Wie de dopeling wordt aangenomen.
  3. De doophandeling en de doopwoorden dienen een eenheid te vormen.
  4. In de bedienaar moet de bedoeling of intentie aanwezig zijn, datgene te doen wat door de Kerk van de aanvang af in gehoorzaamheid aan haar Heer met de doophandeling bedoeld is. Bij de beoordeling van de al of niet aanwezigheid van deze intentie is geen beslissend criterium het in de bedienaar al of niet aanwezige persoonlijke geloof in de Drie-ene-God. Wel echter kan omtrent het bestaan van de vereiste intentie twijfel rijzen, wanneer in het gemeenschappelijk geloven en belijden van de kerkelijke gemeenschap, waartoe de bedienaar behoort en namens welke hij doopt, het trinitair geloof fundamenteel zou worden aangetast. De afzonderlijke bedienaar dient in zijn doophandeling immers beoordeeld te worden naar het gemeenschappelijk geloven en belijden van de kerkelijke gemeenschap, waarbinnen hij de doopbediening vervult en tot gemeenschap met welke hij de dopeling opneemt.
  5. Daar de doopbediening een daad is van heel de kerkelijke gemeenschap, moet de bedienaar door de kerk tot dopen geautoriseerd zijn. Zo alleen kan hij namens de kerkelijke gemeenschap functioneren.

Ten aanzien van de doopbediening in de eigen R.K. Kerk wil het Nederlandse Episcopaat zichzelf het volgende voorbehouden:

  1. Wat betreft de privé-doop of nooddoop van kinderen uit niet-christelijke ouders wanneer de instemming der ouders ontbreekt, zal een verdwijnen van deze praktijk bevorderd moeten worden. De reden daarvan is, dat op deze wijze de vrijheid en de eigen verantwoordelijkheid der betrokken ouders niet voldoende geëerbiedigd worden en bovendien onvoldoende rekening wordt gehouden met de heilvolle heerschappij van Christus ook buiten de zichtbare grenzen van de Kerk. Dit houdt in, dat gestreefd moet worden naar een eventuele wijziging van Wetboek
    Codex Iuris Canonici (1917) (27 mei 1917)
    van het kerkelijk wetboek.
  2. Hetzelfde geldt voor de nooddoop van kinderen uit christelijke doch niet rooms-katholieke ouders, wanneer hun instemming met zulk een doop niet verondersteld kan worden. Hiervoor gelden dezelfde redenen betreffende de eigen verantwoordelijkheid der ouders als sub a. Maar bovendien wordt erkend dat deze praktijk in strijd is met de eerbied welke verschuldigd is aan de eigen verantwoordelijkheid der betrokken kerken. Het Nederlandse Episcopaat is zich dan ook bewust dat zulk een doopbediening door verschillende kerken niet als rechtsgeldig erkend zal kunnen worden.
    Daarom zal een eventuele wijziging van Wetboek
    Codex Iuris Canonici (1917) (27 mei 1917)
    van het kerkelijk wetboek bevorderd dienen te worden.
  3. Met het oog op een werkelijk zinvolle doopbediening wil het Nederlandse Episcopaat zijn voorkeur uitspreken voor de vorm van begieting boven die van besprenkeling en daarom een behoorlijk gebruik van water aanbevelen.
  4. Voorts houdt het episcopaat het voor een zinvolle doopbediening voor gewenst, dat de ouders van de dopeling op een actieve wijze present kunnen zijn bij het doopsel van hun kind, dat zij ten doop aanbieden. Om dezelfde reden wil het een doopbediening onder aanwezigheid van een gemeenschap van gelovigen bevorderen. Een desbetreffende mededeling aan de geestelijkheid zal dezer dagen uitgaan. Een afschrift is hierbij ingesloten.
  5. Ook de in Wetboek
    Codex Iuris Canonici (1917) (27 mei 1917)
    en in Wetboek
    Codex Iuris Canonici (1917) (27 mei 1917)
    vermelde praktijk van de foetus-doop past minder goed in het huidige geloofsbesef van vele katholieken, waarin het personalistisch karakter der sacramenten een belangrijke plaats inneemt. Overigens zal hier ook rekening gehouden moeten worden met de gevoeligheid van de ouders. Beëindiging van deze praktijk zal voorzichtig bestudeerd en bevorderd moeten worden.

Wat betreft de aan rooms-katholieke zijde bestaande privé-doop of nooddoop, bediend door iemand die geen officiële kerkelijke ambtsdrager is, vraagt het Nederlandse episcopaat de Nederlandse Hervormde Kerk bij haar beoordeling rekening te willen houden met de volgende factoren:

  1. Dat ook zulk een doopbediening niet geschiedt zonder autorisatie van de kerkelijke gemeenschap, zodat ook in dit geval de betreffende niet-ambtelijke bedienaar optreedt namens de kerkelijke gemeenschap.
  2. Dat deze privé-doop door een solemnele liturgische handeling van de ambtelijke bedienaar kerkelijk wordt geconfirmeerd. De privé-doop moet immers zo spoedig mogelijk worden gevolgd door al die ceremonieën, die in een plechtige doopbediening zijn voorgeschreven Wetboek
    Codex Iuris Canonici (1917) (27 mei 1917)
    en waartoe ook de geloofsbelijdenis door of namens de dopeling behoort.
    Deze plechtige doopbediening is voorbehouden aan de pastoor van een parochie Wetboek
    Codex Iuris Canonici (1917) (27 mei 1917)
    of, als het over volwassenen gaat, bij voorkeur aan de bisschop Wetboek
    Codex Iuris Canonici (1917) (27 mei 1917)
    .
    De reden daarvan is, dat de bediening van de doop altijd een opname is van de dopeling in de kerkelijke gemeenschap welke in het openbaar vertegenwoordigd is in haar officiële ambtelijke bedienaren. Met hun publieke daad erkennen zij niet alleen, dat deze opname in de privé-doop reeds heeft plaats gehad Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de heilige liturgie, Sacrosanctum Concilium (4 dec 1963), 69 doch geven zij er ook een openbare bevestiging aan. De nooddoop komt in deze aanvullende ceremonieën tot zijn sacramentele volheid.
  3. Dat bij kinderen van rooms-katholieke ouders de instemming van de ouders met het doopsel van hun kind verondersteld mag worden.

Ten aanzien van de doopbediening in de Nederlandse Hervormde Kerk wil het Nederlandse Episcopaat de volgende overwegingen naar voren brengen.

  1. Zowel terwille van de zinvolheid van het sacrament van de doop als om oecumenische redenen vraagt het Nederlandse Episcopaat de Nederlandse Hervormde Kerk met aandrang, een zodanig gebruik van water bij de doopbediening te willen bevorderen, dat daardoor de zin van de doophandeling krachtig tot uitdrukking zal kunnen komen.
  2. Inzake de aanwezigheid van het als noodzakelijke voorwaarde vereiste geloof van de kerkelijke gemeenschap in de Drie-ene God rijzen bij het Nederlandse Episcopaat ernstige vragen ten aanzien van links-vrijzinnige gemeenten binnen de Nederlandse Hervormde Kerk. Hoewel het episcopaat er van wil uitgaan, dat de bedienaren der Nederlandse Hervormde Kerk verondersteld moeten worden de doop te zullen bedienen overeenkomstig het trinitair belijden van hun kerkelijke gemeenschap, kan een doopattestatie betreffende zulke gevallen slechts dan voldoende garantie bieden voor een rooms-katholieke erkenning van het doopsel, wanneer de Nederlandse Hervormde Kerk haar belijden ook ten aanzien van zodanige gemeenten krachtig zoekt te urgeren.

Uit eerbied voor het doopsel, dat niet herhaald mag worden, en ter bevordering van het wederzijds kerkelijk respect stelt het Nederlandse Episcopaat zich de volgende gedragslijn voor bij gevallen, dat iemand van de ene kerkelijke gemeenschap overgaat naar de andere:

  1. Desverlangd zal een schriftelijk doopbewijs worden gevraagd en door de betreffende gemeente of parochie worden afgegeven.
  2. Bij twijfel omtrent de geldigheid van een eerder ontvangen doop zal bij de bevoegde organen een ernstig onderzoek worden ingesteld naar de wijze waarop deze heeft plaats gehad.
  3. De betrokken kerk of gemeente dan wel parochie, waar deze doop is ontvangen, zal bij zulk een onderzoek medewerking verlenen in de vorm van inlichtingen.
  4. Bij eventueel nog blijvende twijfel omtrent de geldigheid van een eerder ontvangen doop, zullen de argumenten waarom men de eerste doop ongeldig acht, indien gewenst schriftelijk worden medegedeeld aan de betrokken kerk of gemeente dan wel parochie.

Het Nederlandse Episcopaat van de R.K. Kerk heeft met grote dankbaarheid geconstateerd dat de gemeenschappelijke bezinning van protestantse en rooms-katholieke theologen in de commissie, waaraan het vraagstuk van wederzijdse dooperkenning was opgedragen, tot zulk een wederzijdse verdieping en verrijking van inzichten geleid heeft en dat zulk een grote mate van gemeenschappelijkheid zich daarin heeft geopenbaard.

Het doet daarom de suggestie, een dergelijk beraad voortgang te doen vinden en wel rond de problematiek van het gemengde huwelijk.

Met het oog op eventuele pastorale richtlijnen, die aan de zielzorgers gegeven zullen worden in verband met de wederzijdse dooperkenning, stelt het voor dezen in gemeenschappelijk overleg samen te stellen teneinde een zo groot mogelijke gemeenschappelijkheid in dezen tussen beide betrokken kerken te verkrijgen. Ook acht het een gezamenlijk overleg gewenst tussen de voorzitter van de Generale Synode der Nederlandse Hervormde Kerk en de voorzitter van de Nederlandse bisschoppenconferentie omtrent de wijze, waarop de besluiten van de Generale Synode en van de bisschoppenconferentie bekend zullen worden gemaakt. Het lijkt aan te bevelen beide documenten tegelijkertijd, voorzien van een gemeenschappelijke inleiding aan de publiciteit prijs te geven.

Het Nederlandse Episcopaat is de Generale Synode van de Nederlandse Hervormde Kerk erkentelijk voor de grote aandacht, welke zij aan deze kwestie van de wederzijdse dooperkenning heeft willen geven en voor de besluiten die zij in dezen genomen heeft. Het heeft ten volle begrip voor de bezwaren tegen de nooddoop bij een aantal leden van uw vergadering, maar spreekt de hoop uit, zoveel mogelijk met deze bezwaren rekening te hebben gehouden.

Met gevoelens van grote hoogachting, verblijft namens het Nederlandse Episcopaat van de R.K. Kerk

Bernardus Kardinaal Alfrink
Aartsbisschop van Utrecht

Document

Naam: DOOPERKENNING MET NEDERLANDS HERVORMDEN - AAN HET MODERAMEN
Soort: Nederland
Auteur: Bernardus Kardinaal Alferink
Datum: 3 september 1966
Copyrights: © 2004, Katholieke Vereniging voor Oecumene Athanasius en Willibrord
Bewerkt: 29 november 2017

Referenties naar dit document

 
Geen documenten gevonden!

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
 
|
Pagina delen: 
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2018, Stg. InterKerk, Schiedam