• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

BIJ DE AFSLUITING VAN HET PRIESTERJAAR
In concelebratie met ca. 15.000 priesters op het Sint Pietersplein

Beste confraters in het priesterambt,
Lieve broeders en zusters,

Het Jaar van de Priester, dat wij 150 jaar na de dood van de heilige Pastoor van Ars mochten vieren, loopt ten einde; Jean-Marie Vianney is hét voorbeeld van de priesterlijke dienst in deze wereld. Het voorbije jaar hebben we ons door hem laten leiden om de grootheid en schoonheid van het priesterambt op een nieuwe wijze te verstaan.

De priester is niet zo maar een ambtsdrager, zoals elke maatschappij er nodig heeft om bepaalde functies uit te oefenen. Hij doet veeleer iets dat geen mens uit zichzelf kan doen: in naam van Christus spreekt hij het woord van vergeving over onze zonden uit en verandert zo vanuit God de situatie van ons leven. En over de gaven van brood en wijn spreekt hij de dankwoorden van Christus uit; het zijn de consecratiewoorden die Hemzelf, de Verrezene, Zijn Lichaam en Zijn Bloed tegenwoordig stellen en zo de elementen van de wereld omvormen: woorden die de wereld naar God toe openbreken en haar met Hem verbinden.

Het priesterschap is dus niet zo maar een ‘ambt’ maar een Sacrament: God bedient zich van een schamel mens om door die man bij de mensen aanwezig te kunnen zijn en in hun voordeel te handelen. Deze stoutmoedigheid van God, die zich aan mensen toevertrouwt, die mensen bekwaam acht om in Zijn plaats te handelen en aanwezig te zijn, terwijl Hij onze zwakheden toch goed kent – deze stoutmoedigheid van God is de ware grootheid, die in het woord ‘priesterschap’ verborgen zit.

Het feit dat God ons hiertoe bekwaam acht, dat Hij op zulke wijze mensen in Zijn dienst roept en zich zo van binnen uit met hen verbindt, dat vooral wilden wij dit jaar op een nieuwe wijze overwegen en begrijpen. We wilden de vreugde opnieuw laten opleven omdat God ons zo nabij is, en de dankbaarheid versterken omdat Hij zich zo aan onze zwakheid toevertrouwt en ons dag na dag leidt en ondersteunt. Zo wilden we de jongeren ook op een nieuwe wijze tonen dat deze roeping, deze dienstverbondenheid voor God en met God, echt bestaat. Zelfs dat God uitkijkt naar ons ‘ja’. Samen met de Kerk wilden wij op een nieuwe manier erop wijzen dat wij deze roeping van God moeten afsmeken.

Wij vragen om arbeiders in de oogst van God, en dit verzoek aan God is tegelijkertijd een aankloppen van God aan het hart van jongeren die zich in staat achten te doen waartoe God hen bekwaam vindt. Het was te verwachten dat deze nieuwe schittering van het priesterschap de ‘Boze Vijand’ niet zou aanstaan; hij zou het liever hebben zien uitsterven, dan kon God uiteindelijk uit de wereld verjaagd worden.

Zo kon het gebeuren dat juist in dit vreugdejaar rond het Sacrament van het Priesterschap de zonden van priesters aan het licht kwamen – in het bijzonder het misbruik van de kleinen, waardoor het priesterschap als opgave om Gods zorg voor de mensen gestalte te geven, nu juist in zijn tegendeel verkeerd is. Ook wij vragen met aandrang om vergiffenis aan God en aan de betrokken personen, en tegelijk beloven we dat we al het mogelijke willen doen om zulk misbruik nooit meer te laten gebeuren; dat we bij de toelating tot het priesterambt, en bij de vorming op de weg daarheen, alles zullen doen wat we kunnen om de echtheid van de roeping uit te zoeken; ook willen we de priesters nog meer op hun weg begeleiden opdat de Heer hen in benarde levenssituaties en gevaren voor hun roeping zou beschermen en bewaren.

Indien het Priesterjaar een verheerlijking van onze persoonlijke prestatie had moeten zijn, dan zou het door deze misbruiken helemaal ten gronde gegaan zijn. Maar het was ons juist om het tegendeel te doen: dankbaar worden voor Gods gave, die zich ‘in aarden potten’ verbergt en die telkens opnieuw door alle menselijke zwakheid heen, aan zijn liefde in deze wereld concrete gestalte geeft.

Zo bezien wij deze gebeurtenissen als opdracht tot zuivering, een opdracht die ons in de toekomst begeleidt en ons Gods grote gave des te meer laat erkennen en waarderen. Op deze manier wordt die gave een sterke oproep om Gods moed en deemoed met onze moed en deemoed te beantwoorden. Het woord van Christus, dat we in de liturgie als intredelied hebben gezongen, kan ons in dit uur zeggen wat het betekent, priester te worden en te zijn: “Neem mijn juk op je en leer van mij, want ik ben zachtmoedig en nederig van hart” (Mt. 11, 29).

Wij vieren vandaag het feest van het Heilig Hart van Jezus en werpen met de liturgie, als het ware, een blik binnen in het hart van Jezus, dat bij Zijn dood geopend werd door de lans van de Romeinse soldaat. Ja, Zijn hart is omwille van ons en voor onze ogen geopend – en daarmee is het hart van God zelf voor ons geopend. De liturgie verklaart ons de taal van Jezus’ hart, die over God vooral spreekt als herder van de mensen; op die manier leert zij ons het priesterschap van Jezus kennen, dat in het intiemste van Zijn hart geworteld is. Ons wijst die taal op de duurzame grondslag en ook op de enige maatstaf van elke priesterlijke dienst; die moet altijd in het hart van Jezus verankerd en vandaar uit beleefd worden.

Vandaag zou ik vooral de teksten willen overwegen, waarmee de biddende Kerk het Woord van God in de lezingen beantwoordt. In die gezangen gaan woord en antwoord in elkaar over. Enerzijds zijn ze zelf uit Gods Woord genomen, maar anderzijds zijn ze tegelijk daarop reeds het antwoord van de mens, en in dat antwoord deelt het Woord zelf zich mee en treedt zo in ons leven binnen.

De belangrijkste van deze teksten in de liturgie van vandaag, is Psalm 23 – “De Heer is mijn herder” Vgl. Ps. 23 – waarin het biddende Israël de zelfopenbaring van God als herder in zich opgenomen heeft en daarvan de leidraad voor zijn eigen leven gemaakt heeft.

“De Heer is mijn herder; het ontbreekt mij aan niets”: in dit eerste vers worden vreugde en dankbaarheid uitgedrukt omdat God aanwezig is en zich om ons bekommert. De lezing uit het boek Ezechiël begint met hetzelfde thema: “Ik zal zelf naar mijn schapen omzien en voor hen zorgen” (Ez. 34, 11). God draagt persoonlijk zorg voor mij, voor ons, voor de mensheid. Ik ben niet alleen gelaten, niet verloren in het heelal en in een maatschappij, die mensen steeds meer in de war brengt. Hij draagt zorg voor mij. Hij is geen verre God, voor wie mijn leven onbelangrijk zou zijn.

Voor zover wij kunnen zien, hebben de wereldgodsdiensten altijd geweten dat er in laatste analyse één enkele God is. Maar zulke God was ver weg. Hij liet blijkbaar de wereld over aan andere machten en krachten, aan andere godheden. Met deze moest men een vergelijk treffen. De unieke hoogste God was goed, maar bleef veraf. Hij betekende geen gevaar, maar bood ook geen hulp aan. Dan was het ook niet nodig zich met Hem bezig te houden. Hij heerste niet.

Vreemd genoeg is deze gedachte in de Aufklärung terug opgedoken. Men begreep nog dat de wereld een Schepper vooronderstelt. Maar deze God had de wereld gebouwd en er Zich dan kennelijk uit teruggetrokken. Nu had deze wereld haar eigen wetmatigheden om zich te ontwikkelen zonder dat God ingreep of ingrijpen kon. God was enkel een verre oorsprong. Wellicht verlangden velen niet eens dat God zorg voor hen zou dragen. Ze wilden door God niet gestoord worden. Maar waar Gods zorg en liefde als storend beschouwd wordt, wordt het menselijk wezen overhoop gegooid. Weet hebben van een persoon die mij welwillend gezind is en voor mij zorg draagt, is deugddoend en troostvol. Maar weet hebben van een God die mij kent, mij liefheeft en zich om mij bekommert, is veel beslissender. “Ik ken Mijn schapen en Mijn schapen kennen Mij” (Joh. 10, 14): zo bidt de Kerk vóór het Evangelie met een woord van de Heer. God kent mij, bekommert zich om mij. Deze gedachte zou ons echt blij moeten maken; laten we haar diep in ons binnenste doordringen.

Dan begrijpen we ook wat dit betekent: God wil dat wij als priesters, zijn bekommernissen om de mensen op een klein punt van de geschiedenis meedragen. Als priesters willen wij personen zijn, die vanuit Zijn bekommernis voor de mensen, voor hen zorg dragen en hen deze bekommernis van God concreet laten ervaren. En samen met de Heer zou de priester voor het hem toevertrouwde ambtsgebied moeten kunnen zeggen: “Ik ken mijn schapen en mijn schapen kennen mij”. ‘Kennen’ is in de zin van de H. Schrift niet louter een uiterlijk weten, zoals ik het telefoonnummer van iemand ken. ‘Kennen’ betekent een ander innerlijk nabij zijn. Hem gaarne zien. Wij zouden moeten proberen van God uit en met het oog op God de mensen te “kennen” en samen met hen een weg van vriendschap met God trachten te gaan.

Keren we terug naar onze Psalm. Daar wordt gezegd: “Hij leidt me op het rechte spoor omwille van zijn naam. Ook al gaat mijn weg door een donker dal, toch ben ik voor geen onheil bang want U bent bij me. Uw knots en uw staf geven mij vertrouwen” (Ps. 23, 3, v). De herder geeft de juiste weg aan voor wie hem zijn toevertrouwd. Hij gaat voorop en leidt hen. Laten we dit nog op een andere manier uitdrukken: De Heer toont ons hoe men het mens-zijn op verantwoorde wijze realiseert. Hij leert ons de kunst om persoon te zijn. Wat moet ik doen om niet neer te storten, om mijn leven niet in zinloosheid te verkwisten? Dat is toch de vraag die elke mens zich moet stellen en die voor elke levensfase geldt. En hoeveel duisternis heerst er niet in onze tijd rond zulke vraag? Telkens weer komt ons het woord voor de geest van Jezus, die medelijden met de mensen voelde omdat ze als schapen zonder herder waren.

Heer, heb ook medelijden met ons. Wijs ons de weg! Vanuit het Evangelie weten wij het wel: Hijzelf is de weg. Leven met Christus, Hem volgen – dat betekent de juiste weg naar een zinvol leven vinden om eenmaal te kunnen zeggen: “Ja, het was goed te leven”.

Het volk van Israël was en is God dankbaar, omdat Hij met de Geboden de weg naar het leven gewezen heeft. De grote Psalm 119 (118) is een unieke uiting van vreugde daarover; Vgl. Ps. 119 wij tasten niet in het duister. God heeft ons getoond waar de weg is, hoe wij op de juiste manier kunnen voortgaan. Wat de Geboden zeggen, is in het leven van Jezus samengevat en is zo een levend model geworden. Zo begrijpen we dat Gods richtlijnen geen ketens zijn, maar een weg die Hij ons aanwijst. Wij mogen er blij om zijn en ons verheugen omdat zij in Christus als geleefde werkelijkheid voor ons staan. Hijzelf heeft ons blij gemaakt. Als we met Christus op weg gaan, ervaren we de vreugde van de Openbaring, en als priesters moeten wij aan de mensen de vreugde overbrengen voor het feit dat ons de juiste weg naar het leven gewezen is.

Dan is er dat woord over het ‘donker dal’ waar de Heer de mens doorheen leidt. De weg van elk van ons zal ons eenmaal in het donkere dal van de dood voeren, waarin niemand ons kan begeleiden. Maar Hij zal daar zijn. Christus zelf is in de duistere nacht van de dood afgedaald. Ook daar laat Hij ons niet in de steek. Ook daar gidst Hij ons. “Al lag ik neer in het dodenrijk – U bent daar.”, zegt Psalm 139. Vgl. Ps. 139 Jazeker, ook in de laatste nood bent U aanwezig, en zo kan onze Antwoordpsalm zeggen: ook daar, in het donkere dal, ben ik voor geen onheil bang.

Als we over het ‘donkere dal’ spreken, kunnen we echter ook aan de donkere dalen van de verzoekingen, de ontmoediging en de beproeving denken, die elke mens moet doorkruisen. Ook in deze duistere dalen van het leven is Hij daar. Ja Heer, toon mij in het duister van de verzoeking, in de uren van verduistering wanneer alle lichten gedoofd lijken, dat U er toch bent. Help ons, priesters, om de ons toevertrouwde personen in deze donkere nachten te kunnen bijstaan, om hun uw licht te kunnen tonen.

“Uw knots en uw staf geven mij vertrouwen”: de herder heeft een knots nodig tegen de wilde dieren die in de kudde kunnen inbreken, en tegen de dieven die zich een buit zoeken. Naast de knots is er de staf, die steun geeft en moeilijke doortochten helpt oversteken.

Beide zaken behoren ook bij de dienst in de Kerk, bij het dienstwerk van de priester. Ook de Kerk moet de knots van de herder gebruiken om het geloof te beschermen tegen de vervalsers, tegen oriëntaties die in feite misleidingen zijn. Juist het gebruik van de knots kan een liefdedienst zijn.

Tegenwoordig zien we dat het geen liefde is, wanneer men houdingen duldt die een priesterleven onwaardig zijn. Evenmin gaat het om liefde, als men de ketterij, de misvorming en de vernietiging van het geloof laat woekeren, alsof wij autonoom het geloof zouden uitvinden. Alsof dit niet meer Gods geschenk, de kostbare parel zou zijn die we ons niet laten ontglippen. Maar tegelijk moet de knots telkens opnieuw de staf van de herder worden, die de mensen helpt om op moeilijke wegen te kunnen gaan en de Heer na te volgen.

Aan het einde van de Psalm is er sprake van de gedekte tafel, van de olie waarmee het hoofd gezalfd wordt, van de overvolle beker, van het mogen wonen bij de Heer. In de Psalm vertolkt dit bovenal het uitzicht op de feestvreugde om met God in de tempel te zijn, om door Hem zelf onthaald en bediend te worden, om bij Hem te mogen wonen. Voor ons, die deze Psalm met Christus en met zijn Lichaam, de Kerk, bidden, heeft dit hoopvolle uitzicht nog een grotere breedte en diepte gekregen. Wij zien in deze woorden als het ware een profetische voorafbeelding van het mysterie van de Eucharistie; want hier neemt God zelf ons gastvrij op en geeft Hij zichzelf aan ons als voedsel – als dat brood en die voortreffelijke wijn, die alleen het laatste antwoord kunnen brengen op de diepste honger en dorst van de mens. Hoe zouden we ons niet verheugen, als we beseffen dat we dagelijks aan Gods eigen tafel te gast mogen zijn en bij Hem mogen wonen? Dat Hij ons opgedragen heeft: “Blijft dit doen om Mij te gedenken”. Dat Hij ons de mogelijkheid schenkt, Gods tafel voor de mensen te dekken, hun Zijn Lichaam en Bloed aan te reiken en hun het kostbare geschenk van Zijn tegenwoordigheid te geven. Ja, van ganser harte mogen wij de woorden van de Psalm meebidden: “Uw goedheid en trouw blijven mij volgen, alle dagen van mijn leven” (Ps. 23, 6).

Laten we tenslotte nog een korte blik werpen op de beide Communieliederen, die de Kerk ons vandaag in haar liturgie voorlegt. Er is allereerst het woord waarmee de heilige Johannes het verhaal van Jezus’ kruisiging afsluit: “Een soldaat stak met een lans in Zijn zijde en meteen vloeide er bloed en water uit” (Joh. 19, 34).

Het hart van Jezus is zopas met een lans doorboord. Het werd geopend en zo wordt het een bron: het water en het bloed, die eruit stromen, verwijzen naar de beide basissacramenten, waaruit de Kerk leeft: het Doopsel en de Eucharistie. Uit de geopende zijde van de Heer, uit zijn geopend hart ontspringt de levende bron, die de eeuwen door vloeit en de Kerk opbouwt. Het open hart is bron van een nieuwe levensstroom. In deze context heeft Johannes zeker ook aan de profetie van Ezechiël gedacht, die uit de nieuwe tempel een stroom ziet opwellen, die vruchtbaarheid en leven schenkt (Ez. 47): Jezus zelf is de nieuwe tempel en Zijn open hart is een bron; daaruit komt een stroom van nieuw leven voort, die zich in Doopsel en Eucharistie aan ons meedeelt.

De liturgie van het feest van Jezus’ Heilig Hart voorziet als Communielied ook nog een ander soortgelijk woord, genomen uit het Evangelie van Johannes: "Laat wie dorst heeft, bij mij komen. Wie in mij gelooft, kan drinken". De Schrift zegt: “Uit zijn binnenste zullen stromen van levend water vloeien”. Vgl. Joh. 7, 37. vv In geloof drinken wij als het ware van het levend water van Gods woord. Zo wordt de gelovige zelf een bron; zo schenkt hij aan de dorstige akker van de geschiedenis levend water. Dat zien we in de heiligen; en we zien het in Maria, die als grote dame van geloof en liefde de eeuwen door zelf een bron geworden is van geloof, liefde en leven. Elke christen en elke priester zou vanuit Christus een bron moeten worden, die aan anderen leven meedeelt. Aan een dorstige wereld zouden wij water van leven moeten schenken.

Heer, wij danken U omdat Gij Uw hart voor ons geopend hebt; omdat Gij in Uw dood en in Uw verrijzenis bron van leven bent geworden. Geef dat we levende personen worden, die leven van Uw bron, en schenk ons de gunst om zelf ook bronnen te zijn, in staat om aan onze tijdgenoten water van leven te schenken. Wij danken U voor de genade van de priesterlijke dienst. Heer, zegen ons en zegen alle dorstige en zoekende mensen van deze tijd.

Amen.

Document

Naam: BIJ DE AFSLUITING VAN HET PRIESTERJAAR
In concelebratie met ca. 15.000 priesters op het Sint Pietersplein
Soort: Paus Benedictus XVI - Homilie
Auteur: Paus Benedictus XVI
Datum: 11 juni 2010
Copyrights: © 2010, Libreria Editrice Vaticana
Vert. vanuit het Italiaans: Hugo Maes pr.; alineaverdeling en -nummering: redactie
Bewerkt: 30 augustus 2013

Referenties naar dit document

 
Geen documenten gevonden!

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
 
|
Pagina delen: 
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2019, Stg. InterKerk, Schiedam