• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

WITTE DONDERDAG EN DE BETEKENIS VAN MARIA
Brief aan de Priesters bij gelegenheid van Witte Donderdag 1988

Dierbare broeders in het priesterschap,
Vandaag keren wij allen terug naar het cenakel. Op vele plaatsen in de wereld verzamelen wij ons rondom het altaar en vieren wij op bijzondere wijze de gedachtenis van het Laatste Avondmaal midden in de gemeenschap van het volk van God, dat wij dienen. De woorden die Christus uitgesproken heeft "op de dag van zijn lijden", klinken in de liturgie op de avond van Witte Donderdag uit onze mond zoals iedere dag en toch op een andere manier, vanwege die unieke avond welke juist vandaag door de kerk herdacht wordt.

Zoals onze Heer en tevens in Persona Christi spreken wij de woorden uit: "Neemt en eet hiervan gij allen, want dit is Mijn Lichaam. Neemt deze beker en drinkt hier allen uit, want dit is mijn Bloed". Dit heeft de Heer zelf ons immers aanbevolen te doen toen Hii tot de apostelen sprak: "Doet dit tot een gedachtenis aan Mij" (Lc. 22, 19).

Als wij dit doen, moet heel het mysterie van de menswording ons levendig voor de geest staan en na aan het hart liggen. Christus, die op Witte Donderdag aankondigt dat zijn lichaam "gegeven" en zijn Bloed "vergoten" zal worden, is de eeuwige Zoon die "in de wereld komt" en tot de Vader zegt: "Gij hebt voor Mij een lichaam bereid. . .om uw wil te doen". Vgl. Heb. 10, 5-7

Pasen is nabij, de dag waarop de Zoon van God als Verlosser van de wereld de wil van de Vader zal volbrengen door het offer van zijn Lichaam en Bloed op Golgota. Het is door dit offer dat Hij met zijn eigen Bloed "in het heiligdom is binnengegaan, eens voor altijd, en een eeuwige verlossing heeft verworven" (Heb. 9,12). Dit is inderdaad het offer van het "nieuwe, altijddurende" Verbond, dat nauw verbonden is met het mysterie van de menswording: het Woord dat vlees is geworden Vgl. Joh. 1, 14 , offert zijn mensheid, als "homo assumptus" in de eenheid van de goddelijke Persoon.

In dit jaar dat de gehele kerk viert als mariaal jaar is het passend in het kader van de instelling van de Eucharistie en daarmee van het sacrament van het priesterschap te herinneren aan de werkelijkheid van de menswording zelf. Deze is het werk van de Heilige Geest die neergedaald is over de Maagd van Nazaret, toen zij haar "fiat" uitsprak in antwoord op de aankondiging van de engel. Vgl. Lc. 1, 38

"Wees gegroet, waarachtig Lichaam. geboren uit de Maagd Maria, dat waarlijk heeft geleden en aan het kruis voor de mens is geofferd".
Ja, hetzelfde Lichaam! Als wij de Eucharistie vieren wordt door ons priesterlijk dienstwerk het mysterie tegenwoordig gesteld van het mensgeworden Woord, van de Zoon die een in wezen is met de Vader en als mens "uit een vrouw geboren" de zoon van de maagd Maria is.
De Moeder van Christus blijkt niet aanwezig in het cenakel tijdens het Laatste Avondmaal. Zij was daarentegen wel aanwezig op Calvarië, aan de voet van het kruis. Het Concilie verklaart'. "Daar stand zij niet zonder Gods beschikking Vgl. Joh. 19, 25 , daar heeft zij smartelijk met haar Eniggeborene meegeleden en zich met haar moederhart bij zijn offer aangesloten, liefdevol toestemmend in de slachting van het offerlam dat uit haar was geboren" 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk, Lumen Gentium (21 nov 1964), 58 Zo ver gaat het "fiat" dat Maria uitgesproken heeft bij de aankondiging.

Als wij "in persona Christi" handelen in de viering van het sacrament van dat enige offer waarvan Christus de enige priester en het enige slachtoffer is en blijft, moeten wij niet dat meelijden van de Moeder vergeten waarin de woorden vervuld zijn welke Simeon uitgesproken heeft in de tempel van Jeruzalem: "Uw eigen ziel zal door een zwaard worden doorboord" (Lc. 2, 35). Deze woorden waren veertig dagen na de geboorte van Jezus gericht tot Maria zelf; op Golgota zijn zij onder het kruis tot op de bodem in vervulling gegaan. Toen haar Zoon Zich op het kruis volledig openbaarde als "teken dat weersproken wordt", trof dat offer, die doodsstrijd van de Zoon, ook het moederhart van Maria.

Zie, de agonie van het hart van de Moeder, die samen met Hem leed en toestemde "in de slachting van het offerlam dat uit haar was geboren". Dit vormt het hoogtepunt van de tegenwoordigheid van Maria in het mysterie van Christus en van de kerk op aarde. Dit hoogtepunt bevindt zich op de weg van de "pelgrimstocht van het geloof", waaraan wij in dit Mariajaar speciaal denken Vgl. H. Paus Johannes Paulus II, Encycliek, Moeder van de Verlosser, Redemptoris Mater (25 mrt 1987), 30

Dierbare broeders, wie heeft meer dan wij een diep en onwankelbaar geloof nodig - wij die krachtens de apostolische successie die haar oorsprong heeft in het cenakel, het sacrament van het offer van Christus vieren? Onze geestelijke band met de Moeder van God, die heel het volks Gods "voorgaat" op de pelgrimstocht van het geloof moet dus voortdurend dieper worden.

Zij die zich door haar heldhaftig geloof juist op Golgota het meest met haar Zoon verenigd heeft, moet ons in het bijzonder nabij zijn als wij in de viering van de Eucharistie ons iedere dag op Golgota bevinden.

Heeft Christus overigens soms niet voor ons een speciale aanwijzing daarvoor nagelaten? Tijdens zijn doodsstrijd aan het kruis heeft Hij de woorden uitgesproken die voor ons de betekenis van een testament hebben: ".Toen Jezus zijn moeder zag en naast haar de leerling die Hij liefhad, zei Hij tot zijn moeder: 'Vrouw zie daar uw zoon'. Vervolgens zei Hij tot de leerling: 'Zie daar uw moeder'. En van dat ogenblik af nam de leerling haar bij zich in huis" (Joh. 19, 26v.).

Die leerling, de apostel Johannes, bevond zich samen met Christus tijdens het Laatste Avondmaal. Hij was een van de "twaalf" tot wie de Meester samen met de instellingswoorden van de Eucharistie de aanbeveling richtte: "Doet dit tot een gedachtenis aan Mij". Hij ontving de macht om, als allerheiligst sacrament van de kerk, het eucharistische offer te vieren dat op de dag voor het lijden in het cenakel ingesteld is.

Op het ogenblik van zijn sterven gaf Jezus zijn eigen Moeder aan die leerling. Johannes "nam haar bij zich in huis": hij nam haar bij zich als eerste getuige van het mysterie van de menswording. Juist hij drukte als evangelist op de meest diepe en tegelijk meest eenvoudige wijze de waarheid uit over het Woord dat "vlees is geworden en onder ons heeft gewoond" (Joh. 1, 14): de waarheid over de menswording en de waarheid over de Immanuel.

Toen hij zo de Moeder die onder het kruis van de Zoon stond, "bij zich in huis" opnam, ontving hij tegelijk alles wat op Golgota in haar was omgegaan: het feit dat "zij smartelijk met haar Eniggeborene meegeleden en zich met haar moederhart bij zijn offer aangesloten heeft, liefdevol toestemmend in de slachting van het offerlam dat uit haar geboren was". Dit alles, heel de bovenmenselijke ervaring van het offer van onze verlossing, welke gebrand was in het hart van de Moeder zelf van Christus de Verlosser, werd toevertrouwd aan de man die in het cenakel de macht had ontvangen om dit offer tegenwoordig te stellen door de priesterlijke dienst van de Eucharistie.

Is dit niet bijzonder veelzeggend voor ieder van ons? Als Johannes in zekere zin onder het kruis alle mensen voorstelt, iedere man en iedere vrouw, tot wie het moederschap van de Moeder Gods geestelijk uitgestrekt wordt, hoeveel te meer geldt dit dan voor ieder van ons die op sacramentele wijze geroepen zijn tot de priesterlijke dienst van de Eucharistie in de kerk!

De realiteit van Golgota, van het offer van Christus voor de verlossing van de wereld is waarlijk ontstellend! Het Mysterie van God waarvan wij de beheerders zijn in de sacramentele orde Vgl. 1 Kor. 4, 1 , is ontstellend. Maar worden wij niet bedreigd door het gevaar beheerders te zijn die niet voldoende waardig zijn; door het gevaar niet met voldoende trouw aan de voet van het kruis te gaan staan als wij de Eucharistie vieren? Laten wij dicht bij die Moeder proberen te staan in wier hart op unieke en onvergelijkelijke wijze het mysterie van de verlossing van de wereld gebrand is.

"Door de gave en taak van het goddelijk moederschap, dat haar met haar Zoon, de Verlosser, verenigt... is de heilige Maagd ook met de kerk innig verbonden", verklaart het Concilie. "De Moeder van God is het model van de kerk, zoals de heilige Ambrosius reeds leerde, met name in de orde van het geloof, de liefde en de volmaakte eenheid met Christus. In het mysterie immers van de kerk, die evenals zij met reden maagd en moeder wordt genoemd, is de heilige maagd Maria voorgegaan en vormt zij op schitterende en enige wijze het voorbeeld van de maagd en van de moeder". 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk, Lumen Gentium (21 nov 1964), 63

Verderop ontwikkelt de concilietekst de typologische analogie: "Nu echter wordt de kerk, die de verborgen heiligheid van Maria beschouwt, haar liefde navolgt en de wil van de Vader getrouw volbrengt, ook zelf moeder door het woord van God met getrouwheid op te nemen: door de prediking en het doopsel immers brengt zij zonen ter wereld, van de heilige Geest ontvangen en uit God geboren, voor een nieuw en onsterfelijk leven. Ook zij is Maagd: zij behoudt haar trouw aan de Bruidegom gaaf en zuiver en in navolging van de Moeder van haar Heer bewaart zij op maagdelijke wijze, door de kracht van de Heilige Geest, het ongerept geloof, de standvastige hoop en de oprechte liefde" 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk, Lumen Gentium (21 nov 1964), 64

Aan de voet van het kruis op Golgota nam de leerling Maria "bij zich in huis op", nadat zij hem door Christus toegewezen was met de woorden: "Zie daar uw moeder." De leer van het concilie toont aan hoe de gehele kerk Maria "bij zich in huis" opnam, hoe diep het mysterie van de Moedermaagd hoort bij het mysterie van de kerk, van haar innerlijke werkelijkheid.

Dat alles is van fundamentele betekenis voor alle zonen en dochters van de kerk. Dat alles heeft een speciale betekenis voor ons die getekend zijn met het sacramentele teken van het priesterschap, dat een rangorde is, maar tegelijk een dienst, naar het voorbeeld van Christus: de eerste dienaar van de verlossing van de wereld.

Omdat alle mannen en vrouwen in de kerk die door het doopsel deelhebben aan de priesterlijke functie van Christus, het "algemeen priesterschap" bezitten waarover de apostel Petrus spreekt Vgl. 1 Pt. 2, 9 , moeten zij allen de bovenaangehaalde woorden van de conciliaire constitutie op zich betrekken; maar zij hebben op speciale wijze betrekking op ons.

Het concilie ziet het moederschap van de kerk, naar het model van het moederschap van Maria, in het feit dat zij "zonen ter wereld brengt, van de heilige Geest ontvangen en uit God geboren, voor een nieuw en onsterfelijk leven." Wij horen hierin als het ware een echo van de woorden van sint Paulus over de "kinderen om wie hij opnieuw weeën moet doorstaan" Vgl. Gal. 4, 19 , zoals een moeder weeën doorstaat. Als wij in de brief aan de Efeziërs lezen over Christus, de Bruidegom, die de kerk "voedt en koestert" als zijn eigen vlees Vgl. Ef. 5, 29 , kunnen wij deze zorgen van Christus als Bruidegom vooral in verband brengen met de gave van het eucharistisch voedsel, die vergelijkbaar is met de vele zorgen van een moeder die het kindje "voedt en koestert."

Het is de moeite waard deze bijbelse uitdrukkingen in herinnering te brengen opdat de leer van het moederschap van de kerk naar het voorbeeld van de Moeder van God dieper doordringt in ons priesterlijk bewustzijn. En ook al beleeft ieder van ons dit geestelijk moederschap veeleer op de wijze van een man als vaderschap in de geest, toch heeft Maria als "model" van de kerk een aandeel in deze ervaring. En de geciteerde passages tonen aan hoe diep dit aandeel geschreven staat in het middelpunt van onze priesterlijke en herderlijke taak. Is de vergelijking van Paulus met de "barensweeën" ons allen soms niet vertrouwd in vele situaties waarin ook wij betrokken zijn in het geestelijk proces van de "wedergeboorte" van de mens uit kracht van de Geest die het leven geeft? Wat dit betreft beleven de biechtvaders op de meest verschillende plaatsen van de wereld de sterkste ervaringen en niet alleen zij.

Bij gelegenheid van Witte Donderdag moet deze mysterieuze werkelijkheid van onze roeping opnieuw verdiept worden: de werkelijkheid van ons "vaderschap in de geest", dat op menselijk vlak ook gelijk is aan het moederschap. Maakt overigens God die Schepper en Vader is, niet zelf de vergelijking tussen zijn liefde en die van de menselijke moeders? Vgl. Jes. 49, 15 Vgl. Jes. 66,13 Het gaat dus om een kenmerk van onze priesterlijke persoonlijkheid dat er juist de pastorale rijpheid en geestelijke vruchtbaarheid van uitdrukt. Als de kerk in haar geheel "van Maria haar eigen moederschap leert" Vgl. H. Paus Johannes Paulus II, Encycliek, Moeder van de Verlosser, Redemptoris Mater (25 mrt 1987), 43 , moeten dan ook wij dat niet doen? Het is dus nodig dat ieder van ons "haar bij zich in huis opneemt", zoals de apostel Johannes deed op Golgota, d. w. z. dat ieder van ons Maria toestaat verblijf te nemen "in het huis" van ons sacramenteel priesterschap, als moeder en middelares van dat "diepzinnig geheim" Vgl. Ef. 5, 32 dat wij allen met ons leven willen dienen.

Maria is de Moedermaagd en de Kerk die zich naar haar richt als naar haar model, herkent zich in haar, want ook zij "wordt moeder en maagd genoemd". Zij is maagd omdat zij "haar trouw aan de Bruidegom gaaf en zuiver bewaart". Christus is volgens de leer van de brief aan de Efeziërs Vgl. Ef. 5, 32 de Bruidegom van de kerk. De verlossing, gezien als relatie tussen bruid en bruidegom, spoort ieder van ons aan de trouw te bewaren aan de roeping waardoor wij deel gekregen hebben aan de heilszending van Christus, priester, profeet en koning.

De analogie tussen de kerk en de Moedermaagd is bijzonder veelbetekenend voor ons die onze priesterroeping verbinden met het celibaat, d.w.z. met het "zich-onhuwbaar-maken omwille van het Rijk der Hemelen." Herinneren wij ons het gesprek met de apostelen waarin Christus hun de betekenis van de keuze heeft uitgelegd Vgl. Mt. 19, 12 en proberen wij de motieven daarvoor volledig te begrijpen. Wij zien uit vrije wil af van het huwelijk, van het stichten van een eigen gezin, om beter God en de broeders te kunnen dienen. Men kan zeggen dat wij afstand doen van het "vaderschap van het vlees" opdat in ons het vaderschap "naar de geest" tot ontwikkeling en rijpheid kan komen, dat, zoals reeds gezegd, tevens moederlijke trekken heeft. De maagdelijke trouw aan de Bruidegom, die bijzonder tot uitdrukking komt in deze levensvorm, stelt ons in staat deel te nemen aan het innerlijke leven van de kerk, die naar het voorbeeld van de Maagd "haar trouw aan de Bruidegom gaaf en zuiver" zoekt te bewaren.

Vanwege dit model, dit prototype, dat de kerk in Maria vindt, moet onze priesterlijke keuze voor het celibaat voor het leven ook in haar hart neergelegd worden. Wij moeten onze toevlucht nemen tot deze Moedermaagd als wij moeilijkheden ontmoeten op de gekozen weg. Wij moeten met haar hulp trachten deze weg steeds dieper te begrijpen, steeds vollediger in onze harten te bevestigen. Wij moeten ten slotte in ons leven het vaderschap "in de geest" ontwikkelen, dat een van de vruchten is van het "zich-onhuwbaar-maken omwille van het Rijk der Hemelen."

Trachten wij van Maria, die de bijzondere "vervulling" voorstelt van de bijbelse "vrouw" van het Proto-evangelie Vgl. Gen. 3, 15 en van de Apokalyps (Openb. 21, 1), ook het vermogen te verkrijgen tot de juiste betrekkingen met de vrouwen en de houding tegenover hen die Jezus van Nazareth getoond heeft. Daarvan vinden wij in vele passages van het evangelie de uitdrukking. Het is een belangrijk thema in het leven van iedere priester en het Mariajaar spoort ons aan het te hernemen en op special wijze uit te diepen. Om reden van zijn roeping en dienstwerk moet de priester op nieuwe wijze het probleem van de waardigheid en de roeping van de vrouw ontdekken, zowel in de kerk als in de wereld van deze tijd. Hij moet tot op de bodem begrijpen wat Christus aan ons allen wilde zeggen toen Hij met de Samaritaanse sprak Vgl. Joh. 4, 1-42 , de overspelige vrouw verdedigde die gestenigd dreigde te worden Vgl. Joh. 8, 1-11 het opnam voor haar aan wie vele zonden vergeven werden omdat zij veel liefde had betoond Vgl. Lc. 7, 36-50 , met Maria en Marta sprak te Betanië Vgl. Lc. 10, 38-42 Vgl. Joh. 11, 1-44 en tenslotte aan de vrouwen het eerst de blijde paasboodschap van zijn verrijzenis mededeelde. Vgl. Mt. 28, 1-10

Van de apostolische tijd af werd de zending van de kerk in verschillende hoedanigheid opgenomen door mannen en vrouwen. In onze tijd, na het Tweede Vaticaans Concilie, behelst dit feit een nieuwe oproep aan ieder van ons, opdat het priesterschap dat wij uitoefenen in de verschillende gemeenschappen van de kerk werkelijk dienst kan zijn en juist daarom pastoraal vruchtbaar en doeltreffend.

Nu wij elkaar vandaag, op Witte Donderdag, ontmoeten op de plaats van de oorsprong van ons priesterschap, willen wij de betekenis daarvan tot op de bodem herlezen door het prisma van de leer van het Concilie over de kerk en haar zending. De figuur van de Moeder van God behoort bij deze leer in haar geheel. Vandaar ook de overwegingen van de onderhavige meditatie.

Vanaf het kruis op Golgota sprak Christus tot de leerling: "Zie daar uw moeder". En de leerling "nam haar bij zich in huis op" als Moeder. Leiden ook wij Maria als Moeder binnen in het innerlijke "huis" van ons priesterschap. Want ook wij behoren tot de "gelovigen tot wier geboorte en opvoeding" de Moeder van God "met moederlijke liefde bijdraagt" 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk, Lumen Gentium (21 nov 1964), 63

Ja, wij hebben in zekere zin een speciaal "recht" op deze liefde vanwege het mysterie van het cenakel. Christus heeft gezegd: "Ik noem u geen dienaars meer... maar u heb Ik vrienden genoemd" (Joh. 15, 15). Het zou moeilijk zijn te geloven dat Hij zonder deze "vriendschap" aan ons, na de apostelen, het sacrament van zijn Lichaam en Bloed heeft toevertrouwd, het sacrament van zijn verlossingsdood en van zijn verrijzenis, opdat wij dit onuitsprekelijke sacrament in zijn naam zouden vieren, ja in persona Christi.

Het zou ook moeilijk zijn om zonder die speciale "vriendschap" te denken aan de avond van Pasen, toen de Verrezene temidden van de apostelen verscheen en hun zei: "Ontvangt de heilige Geest. Aan wie ge de zonden vergeeft, zijn ze vergeven, en aan wie ge ze niet vergeeft, zijn ze niet vergeven" (Joh. 20, 22v.).

Deze vriendschap legt verplichtingen op. Zij moet een heilige vreze behelzen, een veel groter verantwoordelijkheidsgevoel, een veel grotere bereidheid om met Gods hulp alles te geven waartoe men in staat is. In het cenakel is die vriendschap diep bevestigd door de belofte van de Parakleet: "Hij zal u alles leren en u alles in herinnering brengen wat ik u gezegd heb"; "Hij zal van Mij getuigenis afleggen. Maar ook gij moet getuigen" (Joh. 14, 26)(Joh. 15, 26v.).

Wij voelen ons steeds de vriendschap van Christus onwaardig. Maar het is goed dat wij de heilige vrees hebben dat wij er niet trouw aan blijven.

De Moeder van Christus weet dit alles. Zij heeft zelf vollediger negrepen wat de woorden betekenden die de Zoon op het ogenblik van de doodstrijd aan het kruis uitgesproken heeft: "Vrouw, zie daar uw zoon... Zie daar uw moeder." zij waren gericht tot haar en tot de leerling, een van hen tot wie Christus in het cenakel gezegd had: "Gij zijt mijn vrienden." (Joh. 15, 14): tot Johannes en tot allen die door middel van het mysterie van het Laatste Avondmaal deel hebben aan die "vriendschap". De Moeder van God, die (zoals het Concilie leert) met moederlijke liefde bijdraagt tot de geboorte en opvoeding van allen die broeders van haar Zoon worden, die zijn vrienden worden, zal alles doen opdat zij deze heilige vriendschap niet teleurstellen, opdat zij haar waardig zijn.

Samen met de apostel en evangelist Johannes richten wij de blik van onze geest nog op de "vrouw", bekleed met de zon", die in het boek van de Openbaring verschijnt aan de eschatologische horizon van de Kerk en de wereld. Vgl. Openb. 12, 1. v Het is niet moeilijk in haar dezelfde figuur te herkennen die aan het begin van de mensengeschiedenis na de erfzonde werd aangekondigd als Moeder van de Verlosser. Vgl. Gen. 3, 15 In de Apokalyps zien wij haar enerzijds als verheven vrouw in het midden van de zichtbare schepping en anderzijds als de vrouw die blijft deelnemen aan de geestelijke strijd voor de overwinning van de het goede op het kwade. Dat is de strijd die de kerk in vereniging met de moeder van God als haar "model voert tegen de werelbeheersers van deze duisternis, tegen de boze geesten", zoals wij in de brief aan de Efeziërs lezen (Ef. 6, 12).

Het begin van deze geestelijke strijd gaat terug tot het ogenblik waarop de mens "op aanraden van de boze misbruik gemaakt heeft van zijn vrijheid door zich tegen God op te richten en te proberen zijn einddoel buiten God te bereiken". 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk in de wereld van deze tijd, Gaudium et Spes (7 dec 1965), 13 Men kan zeggen dat de mens, verblind door het vooruitzicht verheven te worden boven het niveau van schepsel dat hij was, volgens de woorden van de verleider: "U zult gelijk worden aan God" Vgl. Gen. 3, 5 , opgehouden heeft de waarheid over zijn eigen bestaan en vooruitgang te zoeken in Hem die "de eerstgeborene van heel de schepping" is (Kol. 1, 15), en opgehouden heeft de schepping en zichzelf in Christus aan God te geven in wie alles zijn oorsprong vindt. De mens heeft het bewustzijn verloren priester te zijn van heel de zichtbare wereld, welke hij uitsluitend op zichzelf richt.

De woorden in het Proto-evangelie in het begin van de Heilige Schrift en die van de Apokalyps aan het einde daarvan, hebben betrekking op die strijd waarin de mens verwikkeld is. In het perspectief van die geestelijke strijd, welke zich ontwikkelt in de loop van de geschiedenis, is de Zoon van de vrouw van de Verlosser van de wereld. De verlossing geschiedt door middel van het offer waarin Christus, de Middelaar van het nieuwe, altijddurende Verbond, "eens en voor altijd het heiligdom is binnengegaan" door "zijn eigen Bloed" en in het huis van de Vader, in de schoot van de allerheiligste Drie-eenheid, ruimte geopend heeft voor allen "die geroepen zijn om het eeuwig erfdeel te ontvangen". Vgl. Heb. 9, 12-15 Juist hierom is de gekruisigde en verrezen Christus "de hogepriester van het waarachtige heil" (Heb. 9, 11), en zijn offer betekent een nieuwe oriëntering, van de geestelijke geschiedenis van de mens op God, de Schepper en Vader, naar wie de Eerstgeborene van heel de schepping in de heilige Geest allen voert.

Het priesterschap dat zijn oorsprong heeft in het Laatste Avondmaal, stelt ons in staat deel te nemen aan deze wezenlijke transformatie van de geestelijke geschiedenis van de mens. In de Eucharistie bieden wij immers het offer van de verlossing aan, hetzelfde dat Christus gebracht heeft aan het kruis "met zijn eigen Bloed". Door dit offer raken ook wij, sacramentele beheerders daarvan, samen met allen die wij dienen door het te vieren, voortdurend het beslissende moment van die geestelijke strijd welke volgens het boek Genesis en het boek van de Openbaring verbonden is met de "vrouw". In die strijd is zij geheel verenigd met de Verlosser. En daarom is ons priesterlijke dienstwerk ook met haar verenigd: met haar die de Moeder van de Verlosser is en het "model" van de kerk. Zo blijven allen verenigd met haar in die geestelijke strijd die zich ontwikkelt in de loop van heel de mensengeschiedenis. Krachtens ons sacramenteel priesterschap nemen wij op speciale wijze deel aan die strijd. Wij verrichten een bijzondere dienst in het werk van de verlossing van de wereld.

Het Concilie leert dat Maria is voortgegaan op de pelgrimstocht van het geloof door haar volmaakte vereniging met haar Zoon tot onder het kruis en op schitterende en enige wijze het volk Gods voorgaat, dat op dezelfde weg voortgaat en in de heilige Geest Christus volgt. Moeten wij, priesters, ons niet op speciale wijze met haar verenigen, wil die als herders van de kerk ook de gemeenschap die ons is toevertrouwd, moeten leiden op de weg die vanaf het cenakel van Pinksteren, Christus langs heel de mensengeschiedenis volgt?

Terwijl wij ons dierbare broeders in het priesterschap samen met de Bisschoppen vandaag op zovele plaatsen van de aarde verenigen, heb ik in deze jaarlijkse brief juist dit moment willen ontvouwen, dat mij bovendien bijzonder verbonden lijkt met de inhoud van het mariale jaar.

Laten wij bij het vieren van de Eucharistie aan zovele altaren in de gehele wereld de eeuwige Priester danken voor de gave die Hij ons in het Sacrament van het priesterschap geschonken heeft. En mogen in deze dankzegging de woorden weerklinken die de evangelist Maria in de mond legt bij gelegenheid van haar bezoek aan haar nicht Elizabet: "Wonderwerken deed aan mij, die machtig is en heilig is zijn Naam". Vgl. Lc. 1, 49 Laten wij ook Maria danken voor de onuitsprekelijke gave van het priesterschap, waardoor wij in de kerk iedereen mogen dienen. Moge de dankzegging, ook onze ijver opwekken! Wordt soms niet door ons priesterlijk dienstwerk vervuld waarover de volgende verzen van het Magnificat van Maria spreken? Zie, de Verlosser, de God van het kruis en de Eucharistie, "verheft" inderdaad "de geringen" en "overlaadt met gaven die hongeren". Hij "die rijk was en onzentwil arm is geworden, opdat wij rijk zouden worden door zijn armoede" Vgl. 2 Kor. 8, 9 , heeft het wonderbare mysterie van zijn armoede dat rijk doet worden, toevertrouwd aan de nederige Maagd van Nazareth. En Hij vertrouwt datzelfde mysterie ook aan ons toe door middel van het sacrament van het priesterschap.

Danken wij hiervoor zonder ophouden. Zeggen wij met heel ons leven dank. Zeggen wij dank met alles wat wij vermogen. Danken wij samen met Maria, de Moeder van de priesters. "Kan ik ooit vergelden de Heer al wat Hij voor mij heeft gedaan? De beker des heils wil ik heffen, aanroepen de naam van de Heer" (Ps. 116, 12v.).

Aan al mijn broeders in het priesterschap en in het Bisschopsambt zend ik met broederlijke liefde voor de dag van ons gemeenschappelijk feest hartelijke groeten en de Apostolische Zegen.

Vanuit het Vaticaan, op 25 maart, feest van de Aankondiging van de Heer,
van het jaar 1988, het tiende van mijn pontificaat

Paus Johannes Paulus II

Document

Naam: WITTE DONDERDAG EN DE BETEKENIS VAN MARIA
Brief aan de Priesters bij gelegenheid van Witte Donderdag 1988
Soort: H. Paus Johannes Paulus II - Brief
Auteur: H. Paus Johannes Paulus II
Datum: 25 maart 1988
Copyrights: © 1988, Katholiek Nieuwsblad, 's Hertogenbosch
Bewerkt: 26 maart 2015

Referenties naar dit document

 
Geen documenten gevonden!
 
Geen berichten gevonden!

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
 
|
Pagina delen: 
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2019, Stg. InterKerk, Schiedam