• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x
THEOLOGISCH COMMENTAAR OP DE VERSCHIJNINGEN VAN FATIMA
PARAGRAAF 1  -  Publieke openbaring en privé openbaringen - hun theologische plaats

PARAGRAAF 1 - Publieke openbaring en privé openbaringen - hun theologische plaats

Vooraleer een poging tot interpretatie te ondernemen, waarvan de essentiële lijnen kunnen gevonden worden in de H. Paus Johannes Paulus II - Toespraak
Uitleg derde geheim van Fatima - Uitgesproken door Kardinaal Sodano
(13 mei 2000)
, aan het slot van de Eucharistieviering gecelebreerd door de Heilige Vader in Fatima, is het passend enkele grondige ophelderingen te geven over de materie waaronder volgens de leer van de Kerk, fenomenen zoals die van Fatima, in het geloofsleven moeten verstaan worden. De leer van de Kerk onderscheidt “publieke openbaring” en “privé openbaringen”. Tussen deze twee realiteiten is niet alleen een verschil in graad, maar ook van natuur. De term “publieke openbaring” verwijst naar een openbarende handeling van God, die bestemd is voor heel de mensheid en die haar literaire uitdrukking vond in de twee delen van de Bijbel: het Oude en het Nieuwe Testament. Men noemt ze “openbaring” omdat God zich daarin geleidelijk aan de mens heeft kenbaar gemaakt, tot op het punt dat Hijzelf mens werd om heel de wereld tot Hem te trekken en met Hem te verenigen door Zijn mens geworden Zoon, Jezus Christus. Het gaat dus niet om intellectuele mededelingen, maar om een levensproces waarbij God de mens nabijkomt; en in dat proces ontsluiert zich tevens en heel natuurlijk een inhoud die ook interessant is voor het verstand en voor een begrip van het Godsmysterie. Het proces gaat de hele mens aan en dus ook de rede, maar niet alleen de rede. Omdat God uniek is, is de geschiedenis die Hij met de mensheid beleeft, uniek; zij geldt voor alle tijden en heeft haar vervulling gevonden in het leven, de dood en de verrijzenis van Jezus Christus. In Christus heeft God alles gezegd, Hij heeft namelijk Zichzelf uitgesproken en dus is de openbaring voltooid met de verwezenlijking van het Christusmysterie dat in het Nieuwe Testament zijn uitdrukking gevonden heeft. De Catechismus van de Katholieke Kerk citeert een tekst van de heilige Johannes van het Kruis om uit te leggen dat de openbaring definitief is en volledig: “Want Hij heeft zijn Zoon gegeven, zijn enig Woord. Hij heeft geen ander. Daarmee heeft Hij in dit ene Woord alles tegelijk gezegd in één keer. Méér heeft Hij niet te zeggen (...). Datgene immers wat Hij vroeger broksgewijze aan de profeten meedeelde, heeft Hij nu in zijn geheel tot ons gezegd door ons het Al te geven, namelijk zijn Zoon. Daarom zou degene die nu God wil ondervragen of een visioen of openbaring wenst, niet alleen een dwaasheid begaan, maar hij zou God ook een belediging aandoen, omdat hij zijn ogen niet geheel en al op Christus vestigt zonder iets anders of iets nieuws te wensen” Catechismus-Compendium, Catechismus van de Katholieke Kerk (15 aug 1997), 65 H. Johannes van het Kruis, De bestijging van de Berg Karmel, Subida del Monte Carmelo. 2,22.
Het feit dat de ene openbaring van God die tot alle volken gericht is, voltooid werd met Christus en door het getuigenis over Hem in de boeken van het Nieuwe Testament, en dat dit feit de Kerk bindt aan de unieke gebeurtenis van de heilsgeschiedenis en aan het woord van de Bijbel dat deze gebeurtenis waarborgt en interpreteert, betekent niet dat de Kerk nu alleen naar het verleden zou kunnen kijken en zo tot steriele herhaling zou veroordeeld zijn. De Catechismus-Compendium
Catechismus van de Katholieke Kerk
(15 augustus 1997)
zegt hierover: “Toch is de openbaring, ook al is zij voltooid, niet geheel ontvouwd; het zal de taak van het christelijk geloof zijn in de loop der eeuwen geleidelijk de gehele omvang ervan te begrijpen” Catechismus-Compendium, Catechismus van de Katholieke Kerk (15 aug 1997), 66. De twee aspecten, namelijk de band met de uniciteit van het gebeuren en de vooruitgang in het begrijpen ervan, worden zeer goed geïllustreerd in de laatste redevoering van Christus wanneer Hij bij het afscheid aan de leerlingen zegt: “Nog veel heb Ik u te zeggen, maar gij kunt het nu niet verdragen. Wanneer Hij echter komt, de Geest der waarheid, zal Hij u tot de volle waarheid brengen; Hij zal niet uit zichzelf spreken (...). Hij zal Mij verheerlijken, omdat Hij aan u zal verkondigen wat Hij van Mij ontvangen heeft” (Joh. 16, 12-14). Enerzijds is de Geest een gids en maakt Hij een kennis voor ons toegankelijk, doch voordien ontbrak de vooronderstelling om het gewicht van deze kennis te dragen – wegens de nooit bereikte omvang en diepgang van het christelijk geloof. Anderzijds is deze functie als gids een manier om te “nemen” uit de schat van Jezus Christus zelf, waarvan de onpeilbare diepte tot uiting komt in de leiding van de Geest. De Catechismus citeert hieromtrent een diep woord van paus Gregorius de Grote: “de goddelijke woorden en wie ze leest groeien samen” Catechismus-Compendium, Catechismus van de Katholieke Kerk (15 aug 1997), 94 H. Paus Gregorius de Grote, Homilieën over Ezechiël, In Ezechielem Homiliae. 1, 7, 8. Het Tweede Vaticaans Concilie wijst drie essentiële wegen waardoor de leiding van de Heilige Geest en dus de “groei van het woord” werkzaam zijn; deze werking voltrekt zich door middel van meditatie en studie van de gelovigen, door middel van een diep inzicht dat voortkomt uit spirituele ervaring en uit de verkondiging “van hen die met de opvolging in het bisschopsambt de betrouwbare geestesgave van de waarheid ontvangen hebben” 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Goddelijke openbaring, Dei Verbum (18 nov 1965), 8.
In deze context wordt het nu mogelijk het begrip “privé openbaring” juist te verstaan, dat betrekking heeft op alle visioenen en alle openbaringen die plaats hebben na de afsluiting van het Nieuwe Testament; het betreft dus de categorie waarbinnen wij de boodschap van Fatima moeten plaatsen. Beginnen wij met wat de Catechismus-Compendium
Catechismus van de Katholieke Kerk
(15 augustus 1997)
hierover zegt: “In de loop der eeuwen zijn er zogenaamde ‘bijzondere of privé openbaringen geweest, waarvan er sommige door het gezag van de kerk erkend zijn. (...) Hun rol is het niet de definitieve openbaring van Christus (...) ‘aan te vullen’, maar te helpen deze voller te beleven in een bepaald tijdperk van de geschiedenis” Catechismus-Compendium, Catechismus van de Katholieke Kerk (15 aug 1997), 67. Twee elementen worden aldus verhelderd:
  1. Het gezag van privé openbaringen verschilt wezenlijk van het gezag van de ene publieke openbaring: deze laatste vereist ons geloof; inderdaad, door bemiddeling van menselijke woorden en van de levende gemeenschap van de Kerk spreekt God zelf daarin tot ons. Het geloof in God en in Zijn woord onderscheidt zich van ieder ander geloof, overtuiging of menselijke opinie. De zekerheid dat God spreekt geeft mij de zekerheid dat ik de waarheid zelf ontmoet, en aldus een zekerheid die door geen enkele menselijke vorm van kennis kan geverifieerd worden. Het is de zekerheid waarop ik mijn leven bouw en waaraan ik mij bij mijn sterven toevertrouw.
  2. De privé openbaring is een hulp voor het geloof en zij toont zich geloofwaardig juist omdat zij verwijst naar de ene publieke openbaring. Kardinaal Prospero Lambertini, de toekomstige Paus Benedictus XIV, zegt hierover in zijn klassieke uiteenzetting, die nadien bepalend geworden is voor zaligverklaringen en heiligverklaringen: “Een instemming van het katholieke geloof komt niet door openbaringen die op die manier goedgekeurd worden; dat is zelfs niet mogelijk. Deze openbaringen vereisen eerder een instemming van menselijk geloof dat overeenstemt met de regels van de voorzichtigheid, die ze ons voorstellen als waarschijnlijk en geloofwaardig in een geest van vroomheid”. De Vlaamse theoloog E. Dhanis, eminent kenner van deze kwestie, zegt samenvattend dat de goedkeuring van een privé openbaring door de Kerk drie elementen bevat: de betreffende boodschap bevat niets dat tegengesteld is aan het geloof en de goede zeden; het is geoorloofd ze publiek te maken en de geloven hebben de toelating er op voorzichtige manier mee in te stemmen E. Dhanis, Regard sur Fatima et bilan d’une discussion, La Civiltà cattolica 104 (1953, II), pp. 392-406, bijzonder p. 397. Een dergelijke boodschap kan een waardevolle hulp zijn om het Evangelie op het actuele ogenblik te begrijpen en beter te beleven; om die reden moet ze niet verwaarloosd worden. Ze is een hulp die aangeboden wordt, maar waarvan men niet verplicht is gebruik te maken.
Het criterium voor de waarheid en de waarde van een privé openbaring is dus de gerichtheid ervan op Christus zelf. Wanneer zij ons van Hem verwijderd, wanneer zij autonoom optreedt of ook wanneer zij zich laat doorgaan voor een ander en beter heilsplan, belangrijker dan het Evangelie, komt zij zeker niet van de Heilige Geest die ons binnen het Evangelie leidt en niet erbuiten. Dat sluit niet uit dat een privé openbaring nieuwe accenten legt, dat zij nieuwe vormen van vroomheid naar buiten laat treden, dat zij de oude vormen verdiept of eronder verstaat. Maar in ieder geval moet het bij dat alles gaan om voedsel voor het geloof, de hoop en de liefde, die voor iedereen de permanente weg van heil zijn. Wij kunnen toevoegen dat privé openbaringen dikwijls en vooral uit het volksgeloof voortkomen en zich daarin weerspiegelen, er nieuwe impulsen aan geven en toegang geven tot nieuwe vormgevingen ervan. Dat sluit niet uit dat zij ook uitwerkingen hebben in de liturgie zelf, wat bijvoorbeeld aangetoond wordt door de feesten van Corpus Domini en van het Heilig Hart van Jezus. Vanuit een bepaald standpunt tekent de relatie tussen Openbaring en privé openbaringen zich af in de relatie tussen liturgie en volksvroomheid: de liturgie is het criterium, zij is de vitale vorm van de Kerk in haar totaliteit, rechtstreeks gevoed door het Evangelie. Volksreligiositeit betekent dat het geloof zijn wortels vastzet in het hart van de volken, zodat het toegang vindt in de wereld van het dagelijkse leven. Volksreligiositeit is de eerste en fundamentele vorm van “inculturatie” van het geloof, die zich voortdurend moet laten oriënteren en leiden door de aanwijzingen van de liturgie maar die op haar beurt het geloof vruchtbaar maakt vanuit het hart.
Zo zijn we reeds van eerder negatieve verduidelijkingen, die op het eerste gezicht noodzakelijk waren, overgegaan naar positieve vaststellingen over privé openbaringen: hoe kunnen zij op een juiste manier gerangschikt worden vertrekkend vanuit de Schrift? Wat is hun theologische categorie? De oudste brief van de heilige Paulus die bewaard werd, de tekst die misschien de oudste is van het Nieuwe Testament in zijn geheel, namelijk de Eerste brief aan de Thessalonicenzen, lijkt mij een aanwijzing te geven. De apostel schrijft daar: “Blust de Geest niet uit, kleineert de profetische gaven niet, keurt alles, behoudt het goede” (1 Tess. 5, 19-21). In alle tijden is aan de Kerk het charisma van profetie gegeven, dat moet onderzocht maar niet mag geminacht worden. Wat dit betreft, past het rekening te houden met het feit dat profetie in Bijbelse zin, niet betekent het voorzeggen van de toekomst, doch Gods wil uitleggen voor het heden en dus de rechte weg tonen naar de toekomst. Wie de toekomst voorzegt, voldoet aan de nieuwsgierigheid van de rede die de sluier van de toekomst wenst weg te nemen; profetie van haar kant, geeft voldoening aan de verblinding van wil en gedachte en maakt Gods wil begrijpelijk als vereiste en aanwijzing voor het heden. In dat geval is het belang van het voorzeggen van de toekomst, bijkomstig. Wezenlijk is de actualisering van de ene openbaring die mij ten diepste aangaat: het profetische woord is een waarschuwing of een troost, of zelfs beide tegelijk. In die zin kan men het charisma van profetie verbinden met de categorie “tekenen van de tijd”, die door het Tweede Vaticaans Concilie opnieuw in het licht gesteld werd: “Van het beeld van land en lucht weet ge de juiste betekenis te bepalen, maar waarom dan niet van deze tijd?” (Lc. 12, 56). Onder “tekenen van de tijd” in deze woorden van Jezus, dient men zijn eigen weg, zichzelf, te verstaan. De tekenen van de tijd interpreteren in het licht van het geloof betekent Christus’ aanwezigheid erkennen in alle tijden. In privé openbaringen die door de Kerk erkend zijn – dus ook die van Fatima – gaat het hierom: ons helpen de tekenen van de tijd te verstaan en er het juiste antwoord voor te vinden in het geloof.

Document

Naam: THEOLOGISCH COMMENTAAR OP DE VERSCHIJNINGEN VAN FATIMA
Soort: Congregatie voor de Geloofsleer
Auteur: Joseph Kardinaal Ratzinger
Datum: 13 mei 2000
Copyrights: © 2003, Libreria Editrice Vaticana
© 2010 Vert.: Sorores Christi; alineaverdeling en -nummering: redactie
Bewerkt: 5 juli 2020

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2020, Stg. InterKerk, Schiedam