• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

GOD-MET-ONS NODIGT ONS UIT: ZIJN WIJ-MET-HEM?
Viering van de Voetwassing en de Instelling van het Allerheiligst Sacrament en de Wijding - Sint Jan van Lateranen

Geliefde broeders en zusters,

Op een meer uitgebreide manier dan de drie andere evangelisten, verwijst de heilige Johannes in zijn Evangelie, op zijn eigen manier naar Jezus’ afscheidsrede die ook voorkomt als Zijn testament en als synthese van de essentie van Zijn boodschap. Jezus’ rede begint met de voetwassing die Zijn verlossende dienstbaarheid aan de mensheid, die nood heeft aan uitzuivering, samenvat in een nederig gebaar. Naar het einde toe worden Jezus’ woorden een gebed, het hogepriesterlijk gebed, waarvan de achtergrond door exegeten gevonden werd in het ritueel van de joodse Grote Verzoendag. Wat de betekenis van dit feest en zijn rituelen was – de zuivering van de wereld, haar verzoening met God – realiseert zich in Jezus’ gebed, een gebed dat zowel het Lijden anticipeert als het lijden omzet in gebed. Zo wordt in het hogepriesterlijk gebed op een heel bijzondere wijze het voortdurende mysterie van Witte Donderdag zichtbaar: het nieuwe priesterschap van Jezus Christus en de voortzetting ervan in de wijding van de apostelen, in de deelname van de leerlingen aan het priesterschap van de Heer. Uit deze onuitputtelijke tekst zou ik nu drie woorden van Jezus willen kiezen die ons dieper in het mysterie van Witte Donderdag kunnen binnenvoeren.

Vooreerst is er de zin: “En dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen, de enige ware God en Hem die Gij hebt gezonden, Jezus Christus” (Joh. 17, 3). Iedere mens wil leven. Hij verlangt echt, vol leven, een leven dat de moeite loont, dat een vreugde is. De verzuchting naar het leven gaat gepaard met weerstand tegen de dood, die echter onontkoombaar is. Wanneer Jezus over het eeuwig leven spreekt, bedoelt Hij het authentieke, ware leven, dat waard is geleefd te worden. Hij bedoelt niet gewoon het leven na de dood. Hij bedoelt een authentieke manier van leven – een leven dat ten volle leven is en daarom onttrokken aan de dood, en dat werkelijk reeds in deze wereld kan beginnen, of beter, dat daar moet beginnen: alleen als we nu reeds op een authentieke manier leren leven, als we het leven leren dat de dood niet kan wegnemen, alleen dan heeft de beloofde eeuwigheid zin. Maar hoe gebeurt dat? Wat is dan dit echte eeuwige leven waaraan de dood geen schade kan toebrengen? Jezus’ antwoord hebben we gehoord: het ware leven is dat zij U, God, kennen en Uw gezondene, Jezus Christus. Tot onze verbazing wordt hier gezegd dat het leven kennis is. Dat betekent vooral, dat het leven een relatie is. Niemand heeft het leven uit zichzelf en slechts voor zichzelf. Wij krijgen het van de andere, in de relatie met de andere. Als het een relatie in waarheid en liefde is, een geven en krijgen, geeft zij volheid aan het leven, maakt zij het leven mooi. Doch juist daarom kan de vernietiging van de relatie - het werk van de dood - bijzonder pijnlijk zijn, kan dit het leven zelf in vraag stellen. Alleen de relatie met Degene die zelf het Leven is, kan ook mijn leven dragen boven de wateren van de dood, kan mij er levend doorheen brengen. Reeds in de Griekse filosofie bestond de idee dat de mens een eeuwig leven kan vinden als hij zich hecht aan wat onverwoestbaar is – aan de waarheid die eeuwig is. Men zou zich bij wijze van spreken, met de waarheid moeten vullen om de substantie van de eeuwigheid in zich te dragen. Maar alleen als de Waarheid een Persoon is, kan zij mij door de nacht van de dood brengen. Wij hechten ons aan God, aan Jezus Christus, de Verrezene. En zo worden wij gedragen door Degene die het Leven zelf is. In deze relatie leven wij ook als we door de dood gaan, want Hij die het Leven zelf is, laat ons niet in de steek.

Maar laat ons terugkeren naar Jezus’ woorden: het eeuwig Leven is dat zij U en Uw Gezondene kennen. Natuurlijk begrijpt men hier onder “kennen” iets meer dan een uiterlijk kennen, zoals bijvoorbeeld de kennis wanneer een beroemde persoon gestorven is en wanneer een uitvinding gedaan werd. Kennen in de zin van de Heilige Schrift, is innerlijk één worden met de andere. God kennen, Christus kennen, betekent ook altijd Hem liefhebben, in zekere zin één met Hem worden door de kennis en de liefde. Ons leven wordt dus een authentiek, echt leven en aldus ook eeuwig indien wij Degene kennen die de oorsprong is van ieder wezen en van alle leven. Zo wordt Jezus’ woord een uitnodiging aan ons: laat ons vrienden van Jezus worden, proberen we Hem steeds beter te kennen! Laat ons in dialoog met Hem leven! Laten wij van Hem de rechte weg leren, laten wij Zijn getuigen worden! Dan worden wij mensen die liefhebben en dan handelen wij op de juiste manier. Dan leven wij echt.

Tot twee keer spreekt Jezus in het hogepriesterlijk gebed over de openbaring van Gods Naam. “Ik heb uw Naam geopenbaard aan de mensen die Gij Mij uit de wereld gegeven hebt” (Joh. 17, 6); “Uw naam heb Ik hun geopenbaard en Ik zal dit blijven doen, opdat de liefde waarmee Gij Mij hebt liefgehad, in hen moge zijn en Ik in hen” (Joh. 17, 26). De Heer verwijst hier naar de gebeurtenis van het brandend braambos, toen God op vraag van Mozes, Zijn Naam openbaarde. Jezus wil dus zeggen dat Hij voltooit wat met het brandend braambos begon; dat God die zich aan Mozes heeft kenbaar gemaakt, zich nu in Hem ten volle openbaart. En dat Hij zo de verzoening voltrekt; dat de liefde waarmee God Zijn Zoon in het mysterie van de Drie-eenheid bemint bemint, nu de mensen in deze Goddelijke liefdesstroom opneemt. Maar wat betekent het juist dat de openbaring in het brandend braambos tot haar voltooiing geleid wordt, dat zij haar doel ten volle bereikt? Het wezenlijke van het gebeuren op de berg Horeb was niet het mysterieuze woord, de “Naam” die God aan Mozes had prijsgegeven, als het ware als herkenningsteken. De naam meedelen betekent met de andere in relatie treden. De openbaring van de Goddelijke Naam betekent dus dat God, die oneindig is en op zichzelf bestaat, binnenstapt in de menselijke relaties; dat Hij, bij wijze van spreken, uit zichzelf treedt en één van de onzen wordt, iemand die in ons midden en voor ons aanwezig is. Daarom zag Israël de Naam van God niet alleen als een woord dat in mysterie gehuld was, maar het feit dat God-met-ons is. De Tempel is volgens de Heilige Schrift de plaats waar Gods Naam woont. God is niet opgesloten in een of andere ruimte op aarde; Hij verblijft oneindig ver boven de wereld. Maar Hij is in de Tempel voor ons aanwezig als Degene die kan genoemd worden – als Degene die met ons wil zijn. Dat God met-Zijn-volk-is voltooit zich in de menswording van de Zoon; voltooit werkelijk wat in het brandend braambos een aanvang had genomen: God kan als Mens door ons geroepen worden, Hij is ons nabij. Hij is één van ons en Hij is bovenal de eeuwige en oneindige God. Zijn liefde gaat als het ware uit Hem naar buiten en treedt bij ons binnen. Het mysterie van de Eucharistie, de aanwezigheid van de Heer onder de gedaanten van brood en wijn is de hoogste en meest intense verdichting van dit nieuwe met-ons-zijn van God. “Waarlijk, Gij zijt een verborgen God”, bad de profeet Jesaja (Jes. 45, 15). Dat blijft altijd waar. Maar tegelijk kunnen wij zeggen: Gij zijt waarlijk een nabije God, Gij zijt een God-met-ons. Gij hebt ons Uw mysterie geopenbaard en Gij hebt ons Uw gelaat getoond. Gij hebt uzelf geopenbaard en hebt U aan ons in handen gegeven … Op dit ogenblik moeten ons vreugde en dankbaarheid overspoelen omdat Hij zich getoond heeft; omdat Hij, de Oneindige en Ongrijpbare, omwille van ons, de nabije God is die liefheeft, de God die wij kunnen kennen en liefhebben.

De best gekende bede uit het hogepriesterlijk gebed is de vraag om eenheid onder de leerlingen, van toen en van de toekomst: “Niet alleen voor hen bid Ik (– de gemeenschap van leerlingen die in de Bovenzaal bijeen is –) maar ook voor hen die door hun woord in Mij geloven, opdat zij allen één mogen zijn zoals Gij, Vader, in Mij en Ik in U: dat ook zij in Ons mogen zijn opdat de wereld gelove, dat Gij Mij gezonden hebt” (Joh. 17, 20-21) Vgl. Joh. 17, 11.13 . Wat vraagt de Heer hier precies? Boven alles bidt Hij voor de leerlingen van toen en van alle komende tijden. Hij kijkt vooruit naar de uitgestrektheid van de geschiedenis die gaat komen. Hij ziet er de gevaren van en beveelt deze gemeenschap aan het hart van de Vader aan. En Hij vraagt aan de Vader: de Kerk en haar eenheid. Er werd gezegd dat de Kerk - inderdaad het woord ekklesia wordt niet genoemd - niet voorkomt in het Evangelie van Johannes. Hier verschijnt zij echter met haar wezenlijke eigenschappen: als de gemeenschap van de leerlingen die door het apostolische woord in Jezus Christus gelooft en zo één wordt. Jezus smeekt dat de Kerk één en apostolisch is. Zo is dit gebed juist een stichtingsakte van de Kerk. De Heer vraagt de Kerk aan de Vader. Zij ontstaat uit Jezus’ gebed en door de verkondiging van de apostelen die Gods Naam kenbaar maken en de mensen binnenleiden in de liefdesgemeenschap met God. Jezus vraagt dus dat de verkondiging van de leerlingen verdergaat doorheen de tijden; dat deze verkondiging de mensen bijeenbrengt en dat zij daardoor God en Zijn Gezondene, de Zoon Jezus Christus, erkennen. En Hij bidt opdat de mensen tot het geloof gebracht worden en door middel van het geloof, tot de liefde. En Hij vraagt de Vader dat deze gelovigen “in Ons zouden zijn” (Joh. 17, 21); wij zouden kunnen zeggen, dat zij binnen in de gemeenschap met God en Jezus Christus leven en dat door de innerlijke gemeenschap met God, de zichtbare eenheid opgebouwd wordt. Tot twee keer zegt de Heer dat deze eenheid er zou moeten voor zorgen dat de wereld in Jezus’ zending gelooft. Het moet inderdaad een eenheid zijn die zichtbaar is – een eenheid die zoveel verder gaat dan wat gewoonlijk onder mensen mogelijk is, dat zij een teken wordt voor de wereld en dat zij de zending van Jezus Christus bevestigt. Jezus’ gebed geeft ons de waarborg dat de verkondiging van de apostelen in de geschiedenis nooit zal kunnen ophouden; dat zij altijd geloof zal wekken en mensen in eenheid zal bijeenbrengen – een eenheid die getuigt van de zending van Jezus Christus. Maar dit gebed is voor ons ook steeds een gewetensonderzoek. Op dit ogenblik vraagt de Heer ons: leeft gij door het geloof, in gemeenschap met Mij en ook in gemeenschap met God? Of leeft ge misschien eerder voor uzelf, en verwijdert ge u zo van het geloof? En zijt ge zo niet schuldig aan de verdeeldheid die Mijn zending verduistert in de wereld, die de toegang van de mensen tot Gods liefde verhindert? Dat Hij het gezien heeft en nog altijd alles ziet wat de eenheid bedreigt en vernielt, was één van de bestanddelen van het historische lijden van Jezus en blijft een deel van Zijn lijden dat in de geschiedenis doorgaat. Wanneer wij mediteren over het lijden van de Heer, moeten wij ook oog hebben voor de smart van Jezus door het feit dat wij in strijd zijn met Zijn gebed, dat wij weerstand bieden aan Zijn liefde, dat wij in strijd zijn met de eenheid die voor de wereld moet getuigen van Zijn zending.

Op dit ogenblik dat de Heer zichzelf geeft – Zijn lichaam en Zijn bloed - in de Allerheiligste Eucharistie, dat Hij zich aan ons in handen geeft en in ons hart, willen wij ons door Zijn gebed laten aanraken. Ook wij willen in Zijn gebed binnentreden en wij vragen het Hem: Ja, Heer, geef ons geloof in U, Gij die één zijt met de Vader in de Heilige Geest. Geef dat wij in Uw liefde leven en zo één worden met U, zoals Gij één zijt met de Vader, opdat de wereld gelove.

Amen.

Document

Naam: GOD-MET-ONS NODIGT ONS UIT: ZIJN WIJ-MET-HEM?
Viering van de Voetwassing en de Instelling van het Allerheiligst Sacrament en de Wijding - Sint Jan van Lateranen
Soort: Paus Benedictus XVI - Homilie
Auteur: Paus Benedictus XVI
Datum: 1 april 2010
Copyrights: © 2010, Libreria Editrice Vaticana
Vert.: Sorores Christi; alineaverdeling en -nummering: redactie
Bewerkt: 26 maart 2015

Referenties naar dit document

 
Geen documenten gevonden!
 
Geen berichten gevonden!

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
 
|
Pagina delen: 
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2019, Stg. InterKerk, Schiedam