• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x
Het tweede punt is de nieuwheid van de encycliek H. Paus Paulus VI - Encycliek
Populorum Progressio
Over de ontwikkeling van de volken
(26 maart 1967)
, die blijkt uit de uitgestrektheid van de gezichtskring, welke openstaat voor wat algemeen bekend is als het 'sociale vraagstuk'. In feite was de encycliek H. Paus Johannes XXIII - Encycliek
Mater et Magistra
Moderne ontwikkeling van het sociale leven en de christelijke beginselen
(15 mei 1961)
van Paus Johannes XXIII reeds opgesteld in deze wijdere gezichtskring Vgl. H. Paus Johannes XXIII, Encycliek, Moderne ontwikkeling van het sociale leven en de christelijke beginselen, Mater et Magistra (15 mei 1961), 50, welke het Concilie nagevolgd heeft in de pastorale constitutie 2e Vaticaans Concilie - Constitutie
Gaudium et Spes
Over de Kerk in de wereld van deze tijd
(7 december 1965)
2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk in de wereld van deze tijd, Gaudium et Spes (7 dec 1965), 63.

Het sociale onderricht van de Kerk was er echter nog niet toe gekomen geheel duidelijk te bevestigen dat het sociale vraagstuk wereldwijde afmetingen gekregen heeft Vgl. H. Paus Paulus VI, Encycliek, Over de ontwikkeling van de volken, Populorum Progressio (26 mrt 1967), 3.9, en zij had van deze bevestiging en van de daarmee samenhangende analyse nog geen 'richtlijn tot handelen' gemaakt, zoals Paus Paulus VI doet in zijn encycliek.

Een zo uitdrukkelijke stellingname biedt een grote rijkdom aan inhoud. Het is gewenst deze weer te geven.

Eerst dient een mogelijk misverstand uit de weg geruimd te worden. De erkenning dat het sociale vraagstuk mondiale afmetingen aangenomen heeft, betekent in het geheel niet dat haar gewicht en waarde minder zijn geworden of dat zij haar betekenis verloren heeft op nationaal en locaal vlak. Het betekent integendeel dat de problemen, in de bedrijven of in de arbeiders- en vakbeweging van een bepaald land of een bepaalde streek, niet gezien moeten worden als verspreide eilanden zonder verbinding met elkaar, maar dat zij in toenemende mate afhangen van de invloed van factoren die de regionale of nationale grenzen overschrijden. Economisch gezien zijn de ontwikkelingslanden helaas veel talrijker dan de ontwikkelde landen: het aantal mensen dat verstoken is van de goederen en diensten welke de ontwikkeling biedt, is veel groter dan het aantal mensen dat er wel over beschikt.

Wij staan dus voor een ernstig probleem van ongelijke verdeling van de bestaansmiddelen die oorspronkelijk bestemd zijn voor alle mensen, en zodoende ook van de voordelen die daaruit voortvloeien. En dat komt niet voor rekening van de behoeftige volken en nog minder gaat het om een soort noodlot dat van de natuurlijke condities afhangt of van het geheel van de omstandigheden. Als de encycliek van Paulus VI verklaart dat het sociale vraagstuk wereldwijde afmetingen aangenomen heeft, dan stelt zij zich allereerst voor om een moreel feit aan te wijzen, dat zijn fundamenten heeft in de objectieve analyse van de realiteit. Volgens de woorden van de encycliek 'moet iedereen zich bewust maken' van dit feit Vgl. H. Paus Paulus VI, Encycliek, Over de ontwikkeling van de volken, Populorum Progressio (26 mrt 1967), 3, juist omdat het onmiddellijk het geweten raakt, dat de bron is van de morele beslissingen.

In dit kader bestaat de nieuwheid van de encycliek niet zozeer in de uitspraak over de universaliteit van het sociale vraagstuk, welke een historisch karakter heeft, maar meer in de morele waardering van deze realiteit. Daarom hebben zij die de publieke verantwoordelijkheid dragen, de burgers van de rijke landen ieder persoonlijk en vooral de christenen, de morele plicht in de persoonlijke beslissingen en in die van de overheid, volgens de respectievelijke graad van verantwoordelijkheid, rekening te houden met deze band van universaliteit, met deze onderlinge afhankelijkheid die bestaat tussen hun handelwijzen en de nood en de onderontwikkeling van zoveel miljoenen mensen. Met grote nauwkeurigheid geeft de encycliek van Paulus VI de morele plicht weer als "plicht tot solidariteit" H. Paus Paulus VI, Encycliek, Over de ontwikkeling van de volken, Populorum Progressio (26 mrt 1967), 48. Ofschoon vele situaties in de wereld veranderd zijn, heeft deze uitspraak heden ten dage dezelfde kracht en geldigheid als toen hij neergeschreven werd. Van de andere kant, maar zonder af te wijken van de lijnen van deze morele visie, bestaat de nieuwheid van de encycliek tevens in de fundamentele opvatting dat het begrip zelf van de ontwikkeling in belangrijke mate verandert als men het ziet in het perspectief van de universele onderlinge afhankelijkheid. De echte ontwikkeling kan niet bestaan in de eenvoudige opeenhoping van rijkdommen en in de vermeerdering van de beschikbare goederen en diensten, als dat verkregen wordt ten kosten van de onderontwikkeling van grote scharen mensen en zonder de vereiste aandacht voor de sociale, culturele en geestelijke dimensies van het menselijke wezen Vgl. H. Paus Paulus VI, Encycliek, Over de ontwikkeling van de volken, Populorum Progressio (26 mrt 1967), 14. "De ontwikkeling, waarover wij spreken, beperkt zich niet tot een louter economische groei. Wil er sprake zijn van echte ontwikkeling, dan moet deze alomvattend zijn, d.w.z. gericht op de ontplooiing van iedere mens en van de gehele mens.".

Document

Naam: SOLLICITUDO REI SOCIALIS
De ontwikkeling van de mens en de samenleving
Twintig jaar na Populorum Progressio van Paus Paulus VI
Soort: H. Paus Johannes Paulus II - Encycliek
Auteur: H. Paus Johannes Paulus II
Datum: 30 december 1987
Copyrights: © 1987, Stg. RKVoorlichting, Oegstgeest
Bewerkt: 7 november 2019

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2019, Stg. InterKerk, Schiedam