• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x
Het kan gebeuren dat pastores worden benaderd door ouders met een middelmatig geloof en die hun geloof slechts bij gelegenheid praktiseren, of ook door niet-christelijke ouders die om redenen die het overwegen waard zijn het Doopsel voor hun kind vragen.

In dit geval moeten de pastores door een openhartig gesprek en vol welwillendheid proberen hun belangstelling te wekken voor het Sacrament dat zij vragen en hen herinneren aan de verplichting welke zij aangaan. Want de Kerk kan niet aan het verlangen van dergelijke ouders voldoen, tenzij door hen de waarborg wordt gegeven, dat het gedoopte kind daarna een christelijke opvoeding zal worden gegeven welke het Sacrament vereist, en ook moet zij de gegronde hoop hebben, dat het Doopsel zijn vruchten zal afwerpen. Vgl. Congregatie voor de Eredienst en de Sacramenten, Het Doopsel van kinderen, Ordo Baptismi parvulorum (15 mei 1969). Praenotanda, no. 3, p. 15

Wanneer voldoende waarborgen zijn gegeven - zoals de keuze van de peters en meters die met ernstige wil de zorg voor het kind aanvaarden, of de hulp van de gemeenschap van de gelovigen - dan zal de priester niet kunnen weigeren om het Doopsel zonder uitstel te vieren op dezelfde wijze waarop hij handelt ten aanzien van de kinderen van christelijke gezinnen. Indien de waarborgen daarentegen niet voldoende waren, wordt het Doopsel voorzichtigheidshalve uitgesteld; maar de pastores moeten het contact met de ouders bewaren, zodat indien het mogelijk is, de voorwaarden worden verkregen die van hen worden verwacht en die noodzakelijk zijn om het Sacrament te vieren. Wanneer tenslotte ook dat niet mogelijk zal zijn, kan als uiterste middel de inschrijving van het kind voor een catechumenaat worden voorgesteld in de tijd dat het naar school gaat.

Deze normen die reeds zijn uitgevaardigd en van kracht zijn, Deze normen die voor de eerste maal werden uitgevaardigd door de brief van deze congregatie voor de geloofsleer om op de vraag van mgr Barthélemy Hanrion, bisschop van Dapango in Togo, te antwoorden, werden tegelijk als de vraag van voornoemde bisschop gepubliceerd in Notitiae 61, 1971 (jaarg. 7), blz. 64-70 hebben nog enige verduidelijkingen nodig. Allereerst moet het duidelijk zijn, dat de weigering van een dergelijk Doopsel in geen geval mag worden gezien als een vorm van dwang. Het gaat hier overigens niet om een weigering en nog veel minder om een discriminatie van personen, maar om een pedagogisch uitstel dat de bedoeling heeft, dat het gezin al naar omstandigheden of in geloof vooruitgaat of zich meer bewust wordt van zijn verplichtingen.

Wat de waarborgen betreft, moet de belofte waarop een gegronde hoop mag worden gekoesterd dat de kinderen in de christelijke godsdienst zullen worden opgevoed, voldoende worden geacht.

Een eventuele inschrijving voor een toekomstig catechumenaat mag niet met een daartoe opgestelde ritus worden gevierd, welke gemakkelijk als gelijkwaardig aan het Sacrament zelf zou kunnen worden gewaardeerd. Het moet ook duidelijk zijn, dat een dergelijke inschrijving geen werkelijke toetreding is tot het catechumenaat en dat de kinderen die aldus worden ingeschreven niet voor catechumenen mogen worden gehouden met alle aan deze staat verbonden voorrechten. Later moeten zij voor een catechumenaat worden aangeboden dat bij hun leeftijd past. Wat dit betreft moet uitdrukkelijk worden verklaard, dat ook al bestaat er in het rituaal voor het Doopsel van volwassenen een Orde van dienst voor de initiatie van kinderen die de leeftijd hebben om catechese te ontvangen. Congregatie voor de Eredienst en de Sacramenten, Orde van dienst voor het catechemunaat, Ordo initiationis christianae adultorum (6 jan 1972). ed. typica, Romae, Jan. 6, 1972, cap. 5, pp. 125-149 dit geenszins betekent, dat de Kerk liever het uitstel van het Doopsel tot deze leeftijd wil of het als gewoon beschouwt.

In streken tenslotte waar weinig-gelovende of niet-christelijke gezinnen de meerderheid van de bewoners vormen, zodat de bisschoppenconferenties daar ook terecht een gemeenschappelijke pastorale norm hebben ingevoerd over het in acht nemen van een langere tussentijd voor de viering van het Doopsel dan in de algemene wet, Vgl. Congregatie voor de Eredienst en de Sacramenten, Het Doopsel van kinderen, Ordo Baptismi parvulorum (15 mei 1969). Praenotanda, no. 8, pars. 3-4, p. 17 behouden de christelijke gezinnen die daar leven, hun volle recht hun kinderen eerder te laten dopen. Voor dezen moet dus het Sacrament worden toegediend, zoals de Kerk het verlangt en het geloof en de edelmoedigheid van de gezinnen verdienen.

Document

Naam: PASTORALIS ACTIO
Instructie over het Doopsel van kinderen
Soort: Congregatie voor de Geloofsleer
Auteur: Franjo Kardinaal Seper
Datum: 20 oktober 1980
Copyrights: © 1981, Archief van Kerken, jrg. 16 p. 719-730
Bewerkt: 28 juli 2020

Referenties naar dit document

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2021, Stg. InterKerk, Schiedam