• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

DE FORMULERING VAN HET GELOOF VAN DE KERK IN JEZUS CHRISTUS
Conciliaire definities over Christus (3)

Op de wekelijkse algemene audiëntie van woensdag 23 maart 1988 heeft Paus Johannes Paulus II zijn catechese-cyclus over "De formulering van het geloof van de Kerk in Jezus Christus" voortgezet met een derde uiteenzetting over de conciliaire definities over Chrsitus.
In 451 heeft het concilie van Chalcedon gedefinieerd, dat er in Jezus Christus twee naturen zijn, de goddelijke en de menselijke, die verenigd zijn in een enkel persoonlijk subject, in een enkele hypostase, de goddelijke Persoon van het Woord Gods. Vanwege de term hypostase pleegt men te spreken van de hypostatische vereniging. Door de leer over het Woord, de Zoon van God, die de menselijke natuur heeft aangenomen, heeft het concilie ook de waardigheid van de mens als persoon doen uitkomen, die onmiskenbaar subject van bestaan, van leven, rechten en plichten is. De menswording van Gods Zoon is de grondslag en oorsprong, zowel van een nieuwe bovennatuurlijke bestaansorde van de mens, als van een christelijke antropologie, die ook in de natuurlijke sfeer van het menselijke denken en leven doordringt. Vgl. H. Ireneüs van Lyon, Tegen de ketters, Adversus Haereses. III, 17, 4

In de volmaakte eenheid van de goddelijke Persoon is Jezus Christus dus waarlijk God en waarlijk mens. In de eenheid van de persoon is een tweeheid van natuur en bijgevolg ook een tweeheid van wil en van handelen. Dit laatste is gedefinieerd door het derde concilie van Constantinopel (681) tegen de dwaling van het monoteletisme, die aan Christus slechts een wil toekende. Er zijn in Christus twee willen, die echter niet aan elkaar tegengesteld zijn. De menselijke wil volgt zonder verzet of weerspannigheid de goddelijke wil, zoals Jezus zelf aangegeven heeft: "Ik ben immers uit de hemel neergedaald, niet om mijn eigen wil te doen, maar de wil van de Vader, die Mij gezonden heeft" (Joh. 6, 38).

De eerste concilies hebben dus naast de godheid, ook volledig de mensheid van Christus in het zicht gesteld. Hij is waarlijk mens, heeft menselijke kennis, een menselijke wil en een menselijk bewustzijn en Hij kent het menselijke lijden en de menselijke dood. Alleen in het licht van dit geheel menszijn kan men de teksten begrijpen, die spreken over de gehoorzaamheid van Christus Vgl. Fil. 2, 8 Vgl. Rom. 5, 19 Vgl. Hebr. 5, 8 en vooral het gebed in 'Getsemane: "Niet Mijn wil, maar Uw wil geschiede" (Lc. 22, 42). Tegelijk is het waar, dat het menselijke willen en handelen van Christus de goddelijke Persoon toebehoren, zoals blijkt uit de uitroep: "Abba" (Mc. 14, 36). Jezus was zich volledig bewust van zijn goddelijke Persoon, zoals bijvoorbeeld blijkt uit zijn woorden: "Voor Abraham werd, ben Ik (Joh. 8, 58). Er is geen enkele tekst in de Evangelies waaruit zou blijken, dat Jezus van zich zelf gesproken heeft als over een menselijke persoon. Hij heeft zich zelf de Mensenzoon genoemd, maar deze term blijkt onder de sluier van de Bijbelse en messiaanse uitdrukking aan te duiden, dat degene die hem op zich zelf toepast, wat de werkelijkheid van zijn Ik betreft, tot een andere en hogere orde behoort dan de gewone stervelingen.
Het christologische dogma, dat door de grote Concilies uiteengezet werd, is op bondige wijze weergegeven door paus Leo de Grote in een van zijn H. Paus Leo I de Grote
Lectis dilectionis tuae - Tomus I Leonis
Over de Menswording van het Woord van God - Aan Bisschop Flavianus
(13 juni 449)
:
'Hij, die waarlijk God is, is ook waarlijk mens. De nederige conditie van de mens en de verhevenheid van de godheid gaan samen zonder de minste schijn. Zoals God niet veranderd door zijn barmhartig nederdaling, zo wordt de mens niet geabsorbeerd door de goddelijke waardigheid. Elk van de beide naturen bewerkt in vereniging met de anderen, wat haar eigen is. Het Woord doet dus, wat aan het Woord toekomt, terwijl het vlees doet, wat aan het vlees toekomt. De ene schittert vanwege haar wonderen, de andere ondergaat de beledigingen. En zoals het woord de gelijkheid met de Vader niet verliest, blijft het vees in de conditie van het menszijn... Zeggen: "Ik en de Vader, Wij zijn een" (Joh. 14, 28), en zeggen : "De Vader is grote dan Ik" (Joh. 14, 28) behoren niet tot dezelfde natuur. Want ofschoon er in de Heer Jezus Christus, die God en mens is, een persoon is, is het beginsel, waaruit voor God en voor de mens de vernedering voortkomt, een ander, dan het beginsel, waaruit voor God en voor de mens de heerlijkheid voortkomt. Uit onze natuur heeft Hij een mensheid, die minder is dan de Vader, uit de Vader heeft hij een godheid, die gelijk is aan Vader'. H. Paus Leo I de Grote, Over de Menswording van het Woord van God - Aan Bisschop Flavianus, Lectis dilectionis tuae - Tomus I Leonis (13 juni 449), 8-10

Document

Naam: DE FORMULERING VAN HET GELOOF VAN DE KERK IN JEZUS CHRISTUS
Conciliaire definities over Christus (3)
Soort: H. Paus Johannes Paulus II - Audiëntie
Auteur: H. Paus Johannes Paulus II
Datum: 23 maart 1988
Copyrights: © 1988, Katholiek Nieuwsblad, 's Hertogenbosch
Bewerkt: 7 november 2019

Referenties naar dit document

 
Geen documenten gevonden!
 
Geen berichten gevonden!

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2020, Stg. InterKerk, Schiedam