• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

H. RUPERT VAN DEUTZ

Geliefde broeders en zusters,

Wij maken vandaag kennis met een andere benedictijner monnik uit de 12e eeuw. Zijn naam is Rupert von Deutz, een stad bij Keulen, zetel van een bekend klooster. Rupert spreekt zelf over zijn leven in één van zijn belangrijkste werken, getiteld “H. Rupertus Tuitensis
In opus de gloria et honore Filii Hominis super Matthaeum
De glorie en eer van de Mensenzoon, commentaar op het Evangelie van Matteüs ()
”, een gedeeltelijke commentaar op het Evangelie van Matteüs. Als kind werd hij als oblaat opgenomen in het benedictijner klooster van de Heilige Laurentius in Luik, volgens het gebruik van die tijd om één van de kinderen toe te vertrouwen aan de opvoeding door monniken, met de bedoeling het aan God te schenken. Rupert heeft altijd van het kloosterleven gehouden. Hij leerde vlug Latijn om de Bijbel te bestuderen en van de liturgische vieringen te genieten. Hij onderscheidde zich door zijn zeer integer moreel gedrag en diepe genegenheid voor de Zetel van de Heilige Petrus.

Zijn tijd was gekentekend door tegenstellingen tussen pausdom en keizerrijk omwille van wat men noemt de “strijd der investituren”, waarmee – zoals ik in andere catecheses reeds zei – het pausdom wou verhinderen dat de benoeming van bisschoppen en de uitoefening van hun jurisdictie niet zou afhangen van burgerlijke autoriteiten, die zich meestal lieten leiden door politieke en economische motieven, zeker geen pastorale. De bisschop van Luik, Othbert, weerstond de richtlijnen van de paus en stuurde Bérenger, abt van het klooster van Sint-Laurentius in ballingschap, precies omwille van diens trouw aan de paus. In dat klooster leefde Rupert, die niet aarzelde de abt in zijn ballingschap te volgen; hij keerde pas naar Luik terug en aanvaarde pas de priesterwijding wanneer bisschop Othbert terug in gemeenschap was met de paus. Voordien had hij namelijk vermeden gewijd te worden door een bisschop die niet in overeenstemming was met de paus. Rupert leert ons dat bij controverses met de Kerk, de verwijzing naar het Petrusambt, een waarborg is voor trouw aan de gezonde leer en een bron is van sereniteit en innerlijke vrijheid. Na het geschil met Othbert moest hij zijn klooster nog twee keer verlaten. In 1116 wilden zijn tegenstrevers hem zelfs een proces aandoen. Alhoewel hij van alle beschuldigingen vrijgesproken was, verkoos Rupert zich een zekere tijd terug te trekken in Siegburg, doch aangezien de polemiek nog niet opgehouden was toen hij naar het klooster van Luik terugkeerde, besloot hij zich definitief in Duitsland te vestigen. Hij werd in 1120 abt benoemd in Deutz en bleef er tot 1129, het jaar van zijn dood. Hij verliet het slechts één keer, voor een bedevaart naar Rome in 1124.
Als productief schrijver, liet Rupert zeer veel werken na, die ook vandaag nog van groot belang zijn, ook omdat hij betrokken was bij meerdere belangrijke en verschillende theologische discussies van zijn tijd. Zo sprak hij bijvoorbeeld vastberaden tijdens de controverse over de Eucharistie, die in 1077 geleid had tot de veroordeling van Bérenger van Tours. Deze had een reducerende interpretatie gegeven van de aanwezigheid van Christus in het sacrament van de Eucharistie, door ze slechts symbolisch te noemen. In de taal van de Kerk, had de term “transsubstantiatie” het licht nog niet gezien, maar Rupert die soms stoutmoedige uitdrukkingen gebruikte, wierp zich op als vastberaden verdediger van het Eucharistisch realisme en vooral in een werk getiteld “H. Rupertus Tuitensis
De divinis officiis
De Goddelijke liturgie ()
” (De Goddelijke liturgie) bevestigde hij stellig de continuïteit tussen het Lichaam van het mens geworden Woord, Christus en het Lichaam dat aanwezig is in de Eucharistische speciën van brood en wijn.
Geliefde broeders en zusters, het lijkt mij dat wij op dit punt ook aan onze tijd moeten denken; het gevaar om het Eucharistisch realisme een nieuwe dimensie te geven bestaat ook vandaag, namelijk het gevaar om de Eucharistie bijna alleen te beschouwen als een ritueel van gemeenschap, van socialisatie, waarbij gemakkelijk vergeten wordt dat de verrezen Christus werkelijk aanwezig is in de Eucharistie – met Zijn verrezen lichaam – die zich in onze handen legt om ons uit onszelf te laten treden, ons in Zijn onsterfelijk lichaam te laten inlijven en ons te laten leiden naar een nieuw leven. Dit grote mysterie, dat de Heer in heel Zijn werkelijkheid in de Eucharistische speciën aanwezig is, is een mysterie dat steeds opnieuw moet aanbeden en bemind worden! Ik zou hier de woorden van de Catechismus-Compendium
Catechismus van de Katholieke Kerk
(15 augustus 1997)
willen citeren, die de vrucht bevatten van de overweging van het geloof en van het theologisch denken van tweeduizend jaren: “De wijze waarop Christus onder de eucharistische gedaanten aanwezig is, is uniek. ... In het allerheiligste sacrament van de eucharistie zijn ‘het lichaam en bloed van onze Heer Jezus Christus samen met zijn ziel en zijn godheid, en bijgevolg de gehele Christus, waarachtig, werkelijk en wezenlijk tegenwoordig’. Deze tegenwoordigheid wordt ‘werkelijk’ genoemd, niet bij wijze van uitsluiting, alsof de andere vormen van tegenwoordigheid niet ‘werkelijk’ waren, maar bij wijze van uitnemendheid, omdat zij wezenlijk is, en omdat door haar de gehele Christus, God en mens, tegenwoordig gesteld wordt’.” Catechismus-Compendium, Catechismus van de Katholieke Kerk (15 aug 1997), 1374 Ook Rupert heeft met zijn overwegingen bijgedragen tot deze precieze formulering.
Een andere controverse waarin de abt van Deutz betrokken was, gaat over het probleem van de verzoening van de goedheid en almacht van God met het bestaan van het kwaad. Indien God almachtig is en goed, hoe legt men dan de werkelijkheid van het kwaad uit? Rupert reageert namelijk op de stelling van de meesters van de theologische school van Laon, die met een reeks filosofische redeneringen die in de wil van God het feit van “goed te keuren” onderscheidden van “toe te laten” en zij besloten dat God het kwaad toelaat zonder het goed te keuren en dus zonder het te willen. Rupert daarentegen doet geen beroep op de filosofie die hij inadequaat vindt ten overstaan van een zo groot probleem en blijft gewoon trouw aan het Bijbelverhaal. Hij vertrekt van Gods goedheid, van de waarheid volgens dewelke God uiterst goed is en alleen het goede kan willen. Zo identificeert hij de oorsprong van het kwaad in de mens zelf en in het verkeerd gebruik van de menselijke vrijheid. Wanneer Rupert dit thema aanpakt, schrijft hij bladzijden die doordrongen zijn van godsdienstige bezieling om de oneindige barmhartigheid van de Vader te loven, het geduld en welwillendheid van God tegenover de zondige mens.
Zoals andere theologen van de Middeleeuwen vraagt ook Rupert zich af: waarom is het Woord van God, de Zoon van God, mens geworden? Bepaalde en zelfs vele mensen verklaren de menswording van het Woord door de dringende noodzaak om de zonde van de mens te herstellen. Rupert daarentegen, met een visie die geconcentreerd is op de Christus van de heilsgeschiedenis, verruimt het perspectief en in één van zijn werken, “H. Rupertus Tuitensis
De glorificatione Trinitatis et processione Sancti Spiritus
De verheerlijking van de Drie-eenheid ()
”, neemt hij de stelling dat de Menswording, de centrale gebeurtenis van heel de geschiedenis, van in de eeuwigheid voorzien was, zelfs onafhankelijk van de zonde van de mens, opdat heel de schepping God de Vader zou kunnen loven en beminnen als één familie die verzameld is rond Christus, de Zoon van God. Hij ziet dan in de zwangere vrouw uit de Apocalyps heel de geschiedenis van de mensheid die op Christus gericht is, zoals een bevruchting gericht is op een bevalling, een perspectief dat door andere denkers zal ontwikkeld worden en ook gewaardeerd door de hedendaagse theologie, die bevestigt dat heel de geschiedenis van de wereld en de mensheid een bevruchting is die gericht is op de geboorte van Christus. In zijn exegetische verklaringen, waaraan Rupert zich met veel zorg en passie wijdde, staat Christus altijd in het centrum. Zo vindt hij een bewonderenswaardige eenheid in alle gebeurtenissen van de heilsgeschiedenis, van de schepping tot de voltooiing op het einde der tijden: “Heel de Schrift is één enkel boek, dat op hetzelfde doel gericht is (het Goddelijk Woord); dat op één enkele God gericht is en door één enkele Geest geschreven” H. Rupertus Tuitensis, De verheerlijking van de Drie-eenheid, De glorificatione Trinitatis et processione Sancti Spiritus. I, V, PL 169, 18.
Bij de interpretatie van de Bijbel beperkt Rupert zich niet tot het herhalen van de onderrichtingen van de Kerkvaders, maar geeft hij blijk van oorspronkelijkheid. Hij is bijvoorbeeld de eerste schrijver die de bruid uit het Hooglied identificeert met de Allerheiligste Maagd Maria. Aldus blijkt zijn commentaar op dit boek uit de Schrift een soort van Mariologische “summa” waarin de voorrechten en uitstekende deugden van Maria voorgesteld worden. In één van de meest geïnspireerde passages uit zijn commentaar, schrijft Rupert: “O zeer beminde onder de veelgeliefden, Maagd der maagden, wat looft uw veelgeliefde Zoon in u, wat roemt heel het engelenkoor? De eenvoud, zuiverheid, onschuld, leer, schroom, nederigheid, integriteit van lichaam en geest, met andere woorden de onbedorven maagdelijkheid” H. Rupertus Tuitensis, Hooglied, In Canticum Canticorum. 4,1-6, CCL 26, pp. 69-70.
De Mariale interpretatie van het Hooglied is een geslaagd voorbeeld van de harmonie tussen liturgie en theologie. Verschillende passages uit dit Bijbelse boek werden namelijk reeds gebruikt in liturgische vieringen van Mariafeesten.
Rupert zorgt bovendien dat zijn Mariologische leer ingelast is in de leer over de Kerk. Met andere woorden, hij ziet in de Allerheiligste Maagd Maria het heiligste deel van de hele Kerk. Daarom heeft mijn geëerde voorganger, Paus Paulus VI, in zijn H. Paus Paulus VI - Toespraak
Post Duos Menses
Sluiting van de Derde Zittingsperiode van het Tweede Vaticaans Concilie
(21 november 1964)
, precies een zin uit het werk van Rupert geciteerd toen hij Maria plechtig tot Moeder van de Kerk uitriep, een zin die Maria noemt “portio maxima, portio optima” – “het meest excellente deel, het beste deel van de Kerk” Vgl. H. Rupertus Tuitensis, In Apocalypsim Joannis Apostoli libri XII. 1.7, PL 169, 1043.
Geliefde vrienden, door deze vluchtige evocaties geven wij ons rekenschap dat Rupert een vurig theoloog was, met grote diepgang. Zoals alle vertegenwoordigers van de monastieke theologie, wist hij rationele studie van de mysteries van het geloof te verbinden met gebed en contemplatie, die als het hoogtepunt beschouwd worden van iedere kennis van God. Hijzelf spreekt soms over zijn mystieke ervaringen, zoals wanneer hij spreekt over de onuitsprekelijke vreugde wanneer men de aanwezigheid van de Heer ervaren heeft: “In dat korte ogenblik heb ik gevoeld hoe waar het is wat Hij ons zegt: Leert van Mij: Ik ben zachtmoedig en nederig van hartH. Rupertus Tuitensis, De glorie en eer van de Mensenzoon, commentaar op het Evangelie van Matteüs, In opus de gloria et honore Filii Hominis super Matthaeum. 12, PL 168, 1601. Ook wij kunnen ieder op onze manier, de Heer Jezus ontmoeten, die ons zonder ophouden op onze weg vergezelt, die aanwezig komt in het Eucharistisch Brood en in Zijn Woord voor ons heil.

Document

Naam: H. RUPERT VAN DEUTZ
Soort: Paus Benedictus XVI - Audiëntie
Auteur: Paus Benedictus XVI
Datum: 9 december 2009
Copyrights: © 2009, Libreria Editrice Vaticana
Vert.: Sorores Christi; alineaverdeling en -nummering: redactie
Bewerkt: 7 november 2019

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2019, Stg. InterKerk, Schiedam