• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

GUILLAUME DE SAINT-THIERRY

Geliefde broeders en zusters,

In een Paus Benedictus XVI - Audiëntie
H. Bernardus van Clairvaux
17e catechese in de reeks over grote middeleeuwse kerkelijke auteurs
(21 oktober 2009)
heb ik gesproken over de figuur van Bernardus van Clarivaux, de “honingzoete leraar”, een grote persoonlijkheid in de twaalfde eeuw. Zijn biograaf – vriend en bewonderaar – was Willem van Saint-Thierry, over wie mijn reflectie van deze voormiddag gaat.

Willem werd in Luik geboren tussen 1075 en 1080. Hij was van adel, begiftigd met een groot verstand en een aangeboren liefde voor de studie en bezocht de befaamde scholen van zijn tijd, zoals die van zijn geboortestad en van Reims in Frankrijk. Hij kreeg persoonlijk contact met Abélard, de leraar die de filosofie toepaste op de theologie en wel op zo een originele manier dat hij dikwijls perplexiteit en tegenkantingen opriep. Ook Willem maakte voorbehoud tegen hem en vroeg zijn vriend Bernardus stelling te nemen tegen Abélard. Als antwoord op die geheimvolle en onweerstaanbare roep van God, die de roeping tot het Godgewijde leven is, trad Willem in 1113 in de benedictijner abdij van Saint-Nicaise in Reims in en enkele jaren later werd hij abt van het klooster van Saint-Thierry in het bisdom Reims. In die periode was de vereiste om het monastieke leven te zuiveren en te vernieuwen opdat het echt evangelisch zou worden, wijd verspreid. Willem ging in die zin te werk in zijn eigen klooster en algemeen in de benedictijner Orde. Doch, hij stootte bij zijn pogingen tot hervorming op heel wat weerstand en zo verliet hij in 1135 de benedictijner abdij, tegen de raad van zijn vriend Bernardus in; hij trok het zwarte habijt uit en trok een wit habijt aan om zich vervoegen met de cisterciënzers van Signy. Van toen af tot aan zijn dood in 1148, wijdde hij zich aan de biddende contemplatie van de Goddelijke mysteries, die altijd reeds het voorwerp geweest waren van zijn diepste verlangens, en aan het schrijven van geestelijke literatuur, die voor de geschiedenis van de monastieke theologie van belang gebleven is. Red.

: De overbrenging van zijn gebeente vanuit de kruisgang naar de kerk van de abdij Signy in 1215 was aanleiding voor de Cisterciënser Order hem als zalige te vereren, in het Martyrologium Romanum is hij niet opgenomen

Eén van zijn eerste werken is getiteld “Guillaume de Saint-Thierry
De natura et dignitate amoris
Wezen en grootheid van de liefde ()
” (“De natuur en waardigheid van de liefde”). Men vindt er één van de fundamentele gedachten van Willem in terug, die ook voor ons geldt. De belangrijkste energie die de ziel doet leven, is de liefde, zegt hij. De menselijke natuur bestaat in diepste essentie uit liefhebben. Uiteindelijk wordt aan iedere mens één enkele taak toevertrouwd: leren liefhebben, oprecht, waarachtig, onbaatzuchtig. Doch die taak wordt alleen in de leerschool van God vervuld, alleen daar kan de mens het doel bereiken waartoe hij geschapen is. Willen schrijft namelijk: “De kunst der kunsten is de kunst van de liefde ... De liefde wordt opgewekt door de Schepper van de natuur. De liefde is een kracht van de ziel, die haar als door een natuurlijk gewicht leidt naar het oord en het doel die haar eigen zijn” Guillaume de Saint-Thierry, Wezen en grootheid van de liefde, De natura et dignitate amoris. 1, PL 184, 379. Leren liefhebben vraagt een lange en veeleisende weg, waarin Willem vier fases onderscheidt, overeenkomstig de leeftijden van de mens: de kindertijd, de jeugd, de volwassenheid en de ouderdom. Op deze weg moet de mens zich een doeltreffende ascese opleggen, grote zelfbeheersing om iedere ongeordende genegenheid en bekoring van zijn egoïsme uit de weg te ruimen, en om zijn leven tot eenheid te brengen in God, bron, doel en kracht van de liefde, tot men het hoogtepunt bereikt van het geestelijk leven dat Willem omschrijft als “wijsheid”. Aan het einde van deze ascetische weg ervaart men grote sereniteit en zachtheid. Alle vermogens van de mens – verstand, wil, gevoelens van genegenheid – rusten in God, die gekend en bemind wordt in Christus. Ook in andere werken spreekt Willem over deze radicale roeping tot liefde voor God, die het geheim is van een geslaagd en gelukkig leven en die hij beschrijft als een onophoudelijk en toenemend verlangen dat God zelf inspireert in het hart van de mens. Hij zegt in een meditatie dat het voorwerp van deze liefde de Liefde is met een hoofdletter A, namelijk God. Hij is het die zichzelf uitstort in het hart van degene die liefheeft en die hem bekwaam maakt Hem te ontvangen. Hij geeft zich tot verzadiging toe, zodanig dat het verlangen naar deze verzadiging nooit ontbreekt. Dit élan van liefde is de vervulling van de mens” Guillaume de Saint-Thierry, De contemplando Deo. 6, passim, SC 61bis, pp. 79-83. Men wordt getroffen door het feit dat, wanneer Willem over de liefde voor God spreekt, hij groot belang toekent aan de affectieve dimensie. Beste vrienden, eigenlijk is ons hart van vlees en als wij God beminnen die de Liefde zelf is, hoe zouden wij dan in deze relatie met de Heer onze heel menselijke gevoelens zoals tederheid, gevoeligheid, fijngevoeligheid niet uitdrukken? Door mens te worden heeft de Heer zelf ons met een hart van vlees willen liefhebben!
Volgens Willem heeft de liefde nog een andere belangrijke eigenschap: zij verlicht het verstand en stelt in staat God beter en dieper te kennen en in God, de mensen en gebeurtenissen. Kennis die voortkomt uit de zintuigen en het verstand verkleint de afstand tussen onderwerp en voorwerp, tussen gij en ik maar neemt hem niet weg. Liefde daarentegen brengt aantrekking en gemeenschap voort, tot en met transformatie en assimilatie tussen het onderwerp dat bemint en het beminde voorwerp. Deze wederkerigheid van genegenheid en sympathie laat dan een veel diepere kennis toe dan degene die alleen het werk is van het verstand. Zo kan men een bekende uitspraak van Willem begrijpen: “Amor ipse intellectus est” – “in zich, is de liefde reeds een principe van kennis”. Geliefde vrienden, stellen wij onszelf de vraag: is het zo niet in ons leven? Is het niet zo dat wij alleen degenen die wij liefhebben, echt kennen! En dat geldt vooral in de kennis van God en Zijn mysteries die de bekwaamheid van ons verstand overstijgen: men kent God als men Hem bemint!
Een samenvatting van de gedachten van Willem van Saint-Thierry staat in een lange brief aan de kartuizers van Mont-Dieu die hij bezocht had en die hij wou bemoedigen en troosten. De geleerde benedictijn Jean Mabillon gaf in 1690 aan deze brief de betekenisvolle titel: “Epistola aurea” (“Gulden brief”). Het onderricht over het geestelijk leven dat hij bevat is inderdaad kostbaar voor iedereen die wil groeien in de gemeenschap met God, in de heiligheid. In deze verhandeling stelt Willem een weg voor in drie fases. Men dient – zegt hij – over te gaan van de “dierlijke “ mens naar de “rationele” mens, om te komen tot de “geestelijke” mens. Wat bedoelt onze auteur met deze drie uitdrukkingen? In het begin aanvaardt de mens een gelovige levensvisie door een akte van gehoorzaamheid en vertrouwen. Daarna wordt door een proces van verinnerlijking, waarin verstand en wil een grote rol spelen, het geloof in Christus met grote overtuiging ontvangen en ervaart men een harmonieuze overeenstemming tussen wat men gelooft en hoopt en de meest geheimvolle verzuchtingen van onze ziel, verstand en gevoelens van genegenheid. Men komt zo tot de volmaaktheid van het geestelijk leven als de werkelijkheid van het geloof een bron van innige vreugde en werkelijke en bevredigende gemeenschap is met God. Men leeft slechts in de liefde en door de liefde. Willem baseert deze weg op een degelijke mensvisie, geïnspireerd door de Griekse kerkvaders, vooral Origines, die in stoutmoedige bewoordingen leerden dat de roeping van de mens is te worden als God die hem naar Zijn beeld en gelijkenis geschapen heeft. Het beeld van God in de mens stuwt hem naar de gelijkenis, dat wil zeggen naar een steeds vollediger identiteit tussen de eigen wil en de Goddelijke wil. Tot deze volmaaktheid, die Willem “eenheid van geest” noemt, komt men niet door persoonlijke inspanning, hoe oprecht en edelmoedig deze ook is; iets anders is nodig. Men bereikt deze volmaaktheid door de werking van de Heilige Geest die in de ziel komt wonen en ieder élan en ieder liefdesverlangen dat in de mens aanwezig is, zuivert, absorbeert en in liefde transformeert. “Er is vervolgens nog een andere gelijkenis op God”, lezen wij in de “Guillaume de Saint-Thierry
Epistula aurea ad Fratres de Monte Dei ()
”, “die niet meer gelijkenis genoemd wordt, maar eenheid van geest wanneer de mens uiteindelijk één is met God, één enkele geest, niet alleen door de eenheid van een identieke wil maar omdat hij niet meer in staat is iets anders te willen. De mens verdient niet God te worden, doch wel wat God is: de mens wordt door genade wat God is van nature” Guillaume de Saint-Thierry, Epistula aurea ad Fratres de Monte Dei. 262-263, SC 223, pp. 353-355.
Geliefde broeders en zusters, deze schrijver die wij “de dichter van de liefde, van de naastenliefde” zouden kunnen noemen, leert ons in ons leven de fundamentele keuze te maken die zin en waarde geeft aan alle andere keuzes: God liefhebben en met Zijn liefde, onze naaste liefhebben; alleen zo kunnen wij de ware vreugde ontmoeten, die anticipeert op de eeuwige zaligheid. Laat ons daarom in de leerschool van de heiligen gaan om op een waarachtige en totale manier te leren liefhebben, om ons op deze weg van ons bestaan te engageren. Met een jonge heilige, een Kerklerares, Theresia van het Kind Jezus, zeggen ook wij de Heer dat wij van liefde willen leven. En ik besluit met een gebed precies van deze heilige: “Ik bemin U en Gij weet het, Goddelijke Jezus! De Geest van liefde verteert mij met zijn vuur. Als ik U bemin, trek ik de Vader aan die in mijn zwakke hart woont zonder de mogelijkheid te ontsnappen. O Drie-eenheid! Gij zijt de gevangene van mijn liefde. Hier beneden van liefde leven, is een mateloze gave van zichzelf, zonder loon te vragen .. als men bemint, telt men niet. Ik heb alles gegeven aan het Goddelijk Hart dat overstroomt van tederheid! En ik loop met lichte tred. Ik heb niets meer en mijn enige rijkdom is van liefde te leven”.

Document

Naam: GUILLAUME DE SAINT-THIERRY
Soort: Paus Benedictus XVI - Audiëntie
Auteur: Paus Benedictus XVI
Datum: 2 december 2009
Copyrights: © 2009, Libreria Vaticana Editrice
Vert.: So
Bewerkt: 29 augustus 2016

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2019, Stg. InterKerk, Schiedam