• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x
De toekomstige priester en de kerkmuziek
I.

Zij die priester wensen te worden, moeten niet alleen in de seminaries, maar ook in de kloosterscholen, vanaf hun prille jeugd, onderwezen worden in de gregoriaanse zang en in de gewijde muziek. Dan immers leren zij gemakkelijker aan, wat betrekking heeft op melodie en stemvorming en kunnen zij de stemgebreken - zo zij die hebben - afleren of ten minste verbeteren. Op meer gevorderde leeftijd toch is het onmogelijk daarin verbetering aan te brengen. Het onderricht in zang en muziek moet reeds op de lagere scholen beginnen en op gymnasium en lyceum worden voortgezet. Zo zullen zij, die zich tot de heilige wijdingen voorbereiden, langzamerhand vaardigheld verkrijijgen in het zingen, zodat zij, gedurende de cursus van hun theologische studieën, zonder inspanning of moeite kunnen onderwezen worden in die hogere wetenschap, die men terecht de aesthetica (of vormleer) van het gregoriaans en van de muziek, van de polyphonie en van het orgelspel zou kunnen noemen en waarvan de geestelijkheid een grondige kennnis dient te bezitten.

II.

Daarom moet er in de seminaries en in de andere studiehuizen tot degelijke vorming van beiderlei clerussen korte, maar herhaalde, ja bijna dagelijkse les of oefening gegeven worden in de gregoriaanse zang en in de gewijde muziek. Zo dit in liturgische geest geschiedt, zal het, na de studie van moeilijker vakken, voor de leerlingen eerder een ontspanninig zijn dan een last. Dit meer uitgebreid en volledig onderricht in de liturgische muziek van beiderlei clerus zal zeker tot resultaat hebben, dat het koorofficie - een hoofdbestanddeel van de goddelijke eredienst - in zijn oude waardigheid, en luister wordt hersteld, en eveneens, dat de zg. scholae en kerkkoren weer in vroegere roem zullen herrijzen.

Het koorofficie
III.

Al degenen, die in basilieken, kathedralen, collegiaal- en conventkerken van religieuzen de eredienst leiden en uitoefenen, moeten met alle kracht er naar streven, dat het koorofficie naar behoren, d.w.z. volgens de kerkelijke voorschriften worden hersteld; niet alleen wat betreft het algemeen voorschrift, om het goddelijk officie steeds waardig, aandachtig en godvruchtig te volbrengen, maar ook wat betreft de regels van de zang. Bij het psalmgezang immers moet men zorgen voor het juiste gebruik der tonen, alsmede voor de daarbij passende Middencadenzen en finalen; voor een passende rust bij de asteriscus en voor volmaakte eenheid bij het samenzingen van psalmverzen en hymnenstrofen. Als dit onberispelijk geschiedt en allen op juiste wijze psalmodiëren, dan tonen zij op wonderbare wijze de eenheid hunner zielen in de aanbidding van God en schijnen zij door een regelmatige beurtzang der twee koorhelften te wedijveren met de eeuwige lofzang der seraphijnen, die elkander het "Heilig, heilig, heilig" toeroepen.

IV.

Opdat niemand in het vervolg gemakkelijk verontschuldigingen aanvoere, om zich ontslagen te achten van de plicht om aan de kerkelijke wetten te gehoorzamen, moeten alle kapittels van kanunniken en de bovengenoemde religieuze communiteite in officiële bijeenkomsten deze zaken behandelen. En zoals er vroeger een cantor of rector chori (koorleider) was, zo moet in het vervolg uit het koor van de kanunniken of religieuzen een bevoegd persoon gekozen worden, die niet alleen moet zorgen, dat de regels van liturgie en koorzang worden toegepast, maar ook de fouten moet verbeteren van ieder afzonderlijk of van het gehele koor. In verband hiermee mag men niet vergeten, dat, volgens oud en onafgebroken kerkelijk gebruik en overeenkomstig de nog steeds van kracht zijnde kapittel-constituties zelf, allen, die tot het koorofficie gehouden zijn, ten minste de gregoriaanse zang grondig moeten kennen. De gregoriaanse zang nu, die in alle kerken, van welke rang ook, voorgeschreven is, is die, welke hersteld is volgens de oude handschriften en door de Kerk is uitgegeven in een officiële uitgave van de Vaticaanse drukkerij.

De gewijde polyphonie
V.

Bij deze gelegenheid willen wij de belanghebbenden aanbevelen de kerkkoren (capellae musicorum), die in de loop der tijden in de plaats van de oude scholae zijn getreden en die zijn opgericht in de basilieken en grote kerken, om daar voomamelijk polyphone muziek uit te voeren. Wat nu de gewijde polyphonie betreft, terecht wordt haar na de gregoriaanse zang de eerste plaats toegekend. Daarom wensen wij vurig, dat deze kerkkoren - zoals ze in aanzien stonden van de 14e tot de 16e eeuw - ook heden ten dage weer verrijzen en tot bloei komen, vooral daar, waar de talrijke en luisterrijke godsdienstplechtigheden een groter getal en een meer uitgelezen schare van zangers vorderen.

Jongenskoren
VI.

Jongenskoren moeten worden opgericht, niet alleen in grotere kerken en kathedralen, maar ook in kleinere en parochiekerken. De jongens moeten onder leiding van de directeuren van de kerkkoren goed leren zingen, opdat hun stemmen, naar oud kerkelijk gebruik, aan de mannenkoren worden toegevoegd, bijzonder in de polyphone muziek, waarbij ze, zoals vroeger, voor de hoogste stem moeten gebruikt worden, welke men gewoonlijk cantus noemde. Uit deze jongens zijn, zoals men weet, vooral in de 16e eeuw beroemde meesters in de polyphonie voortgekomen, onder wie Giovanni Pierluigi da Palestrina ontegenzeggelijk de eerste plaats inneemt.

Het gebruik van muziekinstrumenten
VII.

Daar wij echter vernomen hebben, dat men op sommige plaatsen een soort van muziek tracht in te voeren, welke in het geheel niet past bij de heilige diensten, vooral wegens het overdreven gebruik van muziekinstrumenten, verklaren wij hier, dat zang met orkestbegeleiding volstrekt niet door de Kerk beschouwd wordt als een volmaaktere vorm van muziek en meer geschikt voor de heilige plechtigheden. Meer toch dan instrumenten behoort de stem zelf in de kerken te klinken: de stem nl. van clerus, zangers en volk. Men mene evenwel niet, dat de Kerk de bevordering der muzikale kunst belemmert, omdat zij aan de menselijke stem de voorkeur geeft boven welk instrument ook. Geen enkel instrument immers, hoe voortreffelijk en volmaakt ook, kan de menselijke stem overtreffen in het uitdrukken van gevoelens, vooral wanneer de ziel haar gebruikt om smeekbeden en lofzangen tot den almachtigen God op te zenden.

Het orgel
VIII.

De Kerk bezit evenwel een eigen muziekinstrument, dat haar door het voorgeslacht werd overgeleverd, nl. het orgel, dat om zijn wondere statigheid en voortreffelijkheid, waardig bevonden werd om bij de liturgische diensten aangewend te worden, hetzij om de zang te begeleiden, hetzij om er - overeenkomstig de voorschriften - welluidende harmonieën aan te ontlokken, wanneer het koor zwijgt. Maar ook hier moet men vermenging van het heilige met het profane vermijden. Door de schuld van orgelbouwers en van sommige organisten, die voorliefde gevoelen, voor de producten van ultra-moderne muziek, zou men er ten slotte toe komen, dit wondervolle instrument te doen afwijken van het doel, waartoe het bestemd is. Wel wensen wij zelf, dat, in overeenstemming met de regels der liturgie, alles wat op het orgel betrekking heeft, steeds nieuwe vorderingen make. Maar wij kunnen niet nalaten er over te klagen, dat men in onze dagen een profane geest in de kerk tracht te brengen door ultra-moderne muzikale vormen, zoals men dat vroeger heeft beproefd, door andere muzikale vormen, die de Kerk terecht verboden heeft. Indien, deze vormen zouden binnensluipen, zou de Kerk niet anders kunnen doen, dan ze beslist veroordelen. In de kerken weerklinke slechts die orgelmuziek, die aan de verhevenheid van de plaats beantwoordt en vervuld is van de heiligheid der plechtigheden. Op deze voorwaarde toch zal de kunst, zowel van de orgelbouwers als van hen die het orgel bespelen herleven tot een krachtig hulpmiddel der heilige liturgie.

De actieve deelname van het volk

IX.

Opdat echter de gelovigen meer actief deelnemen aan de goddelijke eredienst, moet de gregoriaanse zang, in zover hij voor het volk bestemd is, weer opnieuw in gebruik worden gegeven aan het volk. En inderdaad, het is hoognodig, dat de gelovigen de heilige handelingen bijwonen, niet als buitenstaanders of stomme toeschouwers, maar geheel en al doordrongen van de schoonheid der liturgie - ook dan, wanneer plechtige omgangen of processies gehouden worden, waaraan geestelijken en broederschappen deelnemen - zodat zij in beurtzang, naar de voorgeschreven regels, hun stem verenigen met die van priester en schola. Als dit naar wens verwezenlijkt wordt, dan zal het niet meer gebeuren, dat het volk in het geheel niet of slechts met een zacht en laag gemompel antwoordt op de gemeenschappelijke gebeden, die in de liturgische taal of in de volkstaal worden gebeden.

De liturgische en muzikale opleiding van het volk
X.

De seculiere en reguliere geestelijkheld moet, onder leiding van de bisschoppen en plaatselijke ordinarii, alle ijver aanwenden om zelf of met behulp van deskundigen te zorgen voor de liturgische en muzikale opleiding van het volk, want deze opleiding houdt nauw verband met de christelijke leer. Dat kan gemakkelijk bereikt worden, als vooral op de scholen, in de godvruchtige broederschappen en in andere verenigingen onderricht gegeven wordt in de liturgische gezangen. De communiteiten van religieuzen, zusters en godvruchtige vrouwen moeten zich beijveren, om dit doel te bereiken in de verschillende instituten, waar hun de opvoeding en het onderwijs zijn toevertrouwd. Wij vertrouwen, dat tot dit doel eveneens zullen bijdragen de verenigingen, die in sommige landen, overeenkomstig de wens der kerkelijke overheden, de gewijde muziek naar de voorschriften der Kerk trachten te herstellen.

Scholen en instituten voor kerkmuziek
XI.

Om al deze verwachtingen te verwezenlijken, is het absoluut nodig, dat er talrijke bekwame leermeesters zijn. In dit opzicht kennen wij de verdiende lof toe aan die scholenen instituten, die daartoe over heel de katholieke wereld zijn opgericht; want door de zorg voor het onderwijs in die vakken kweken zij zeer goede en bekwame leraren. In het bijzonder vermelden wij hier gaarne en prijzen in alle opzichten de pauselijke hogeschool voor kerkmuziek, door paus Pius X in 1910 te Rome gesticht. Deze school, die onze onmiddellijke voorganger Benedictus XV met zorg gesteund en in een nieuw gebouw ondergebracht heeft, schenken wij onze bijzondere genegenheid als een kostbare erfenis van deze twee pausen, en daarom bevelen wij haar bij alle ordinarii warm aan.

Document

Naam: DIVINI CULTUS SANCTITATEM
Over het gestadig meer bevorderen van de liturgie, de gregoriaanse zang en de gewijde muziek
Soort: Paus Pius XI - Apostolische Constitutie
Auteur: Paus Pius XII
Datum: 20 december 1928
Copyrights: © 1949, Ecclesia Docens G&S 0148, uitg. Gooi en Sticht, Hilversum
Bewerkt: 30 mei 2019

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
Trefwoordenlijst voor dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2019, Stg. InterKerk, Schiedam