• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x
De Kerk heeft van haar stichter Christus de opdracht ontvangen, te waken over de heiligheid van de goddelijke eredienst. Haar komt het dus toe met behoud, van het wezen van Misoffer en sacramenten de ceremoniën, riten, formulen, gebeden en zang voor te schrijven, waardoor het best geregeld wordt dat verheven en officiële dienstwerk, dat als de heilige handeling bij uitnemendheid de naam liturgie draagt. De liturgie is inderdaad een heilige zaak. Door haar verheffen wij ons tot God en worden wij met Hem verenigd; door haar belijden wij ons geloof en kwijten wij ons jegens God van de dure plicht van dankbaarheid voor de weldaden en genaden, die wij voortdurend behoeven. Vandaar de innige band tussen dogma en liturgie zoals ook tussen christelijke eredienst en heiliging van het volk. Daarom was Celestinus I er van overtuigd, dat in de eerbiedwaardige formulen der liturgie de norm van het geloof ligt uitgedrukt. Hij zegt immers: "De norm van het gebed moet de norm van het geloof bepalen. Want wanneer de leiders van het christenvolk de hun toevertrouwde zending vervullen, pleiten zij ten gunste van het menselijk geslacht bij de goddelijke barmhartigheid; zij bidden en smeken in gemeenschap met geheel de Kerk, die met hen medeverzucht."
Dat gemeenschappelijk smeekgebed, eerst opus Dei (werk Gods) genoemd, later officium divinum (goddelijke dienst), is als het ware een schuld, die wij dagelijks bij God moeten inlossen. Vroeger werd het dag en nacht onder grote toeloop der christenen verricht en reeds van oudsher hebben de ongekunstelde melodieën die de vrome gebeden en de liturgische handelingen opluisterden, wonderbaar veel bijgedragen tot bevordering der vroomheid onder het volk. Want vooral in de oude basilieken, waar bisschop, geestelijkheid en volk afwisselend Gods lof zongen, hebben de liturgische gezangen er niet weinig toe bijgedragen, dat naar het getuigenis der geschiedenis zeer veel heidenen tot de christelijke en maatschappelijke beschaving werden gebracht. In de kerken kregen de tegenstanders van het katholiek geloof een dieper inzicht in het dogma van de gemeenschap der heiligen. Zo was keizer Valens, een Arlaan, buiten zichzelf van ontroering om de verhevenheld van het goddelijk mysterie, door de H. Basilius opgedragen. En te Milaan werd de H. Ambrosius door de ketters beschuldigd dat hij de menigte met zijn liturgische gezangen betoverde; gezangen, waardoor Augustinus zó getroffen werd, dat hij het plan opvatte, om het geloof aan Christus te omhelzen. Later werden in de kerken, waarin bijna heel de bevolking één groot koor vormde, werklieden, metselaars, schilders, beeldhouwers, ja zelfs geletterden door de liturgie tot die theologische kennis opgevoerd, waarvan nu nog de middeleeuwse monumenten zo heerlijk getuigen.
Zo begrijpen wij, waarom de pausen van Rome zoveel zorg besteed hebben, om de liturgle te beschermen en ongerept te bewaren. Zoals zij met grote nauwgezetheid de geloofsleer met de juiste woorden hebben geformuleerd, zo hebben zij er ook naar gestreefd de wetten der heilige liturgie te regelen, te beschermen, en tegen alle vervorming te behoeden. Eveneens is het duidelijk, waarom de heilige Vaders met woord en geschrift de heilige liturgie (dat is de norm van het gebod: lex supplicandi) hebben verklaard, en waarom het Concilie van Trente gewild heeft, dat zij aan het christenvolk uiteengezet en uitgelegd zou worden.
Het motu proprio van Pius X
Wat nu onze tijd betreft: toen Pius X, vijfentwintig jaar geleden, zijn H. Paus Pius X - Motu Proprio
Tra le sollecitudini - Inter sollicitudines
Instructie over de gewijde muziek
(20 november 1903)
uitvaardigde, dat de regels bevat betreffende de gregoriaanse zang en de gewijde muziek, beoogde hij op de eerste plaats, bij de volkeren de christelijke geest op te wekken en aan te kweken, door wijselijk alles te verwijderen, wat de heiligheid en de majesteit van Gods huis onwaardig is. Want de gelovigen komen in de heiligeplaatsen tezarnen, om daar, als uit de hoofdbron hun godvrucht te putten, door de actieve deelname aan de eerbiedwaardige geheimen en de openbare en plechtige gebeden der Kerk. Van zeer groot gewicht is het derhalve, dat alles, wat tot opluistering der liturgie strekt, door bepaalde kerkelijke regels en voorschriften wordt vastgelegd, opdat de schone kunsten, zoals het behoort, als edele dienaressen de goddelijke eredienst ondersteunen. Dit zal geenszins tot nadeel, maar veeleer tot veredeling en luister strekken van die kunsten, die in de gewijde plaatsen worden aangewend. Dat is op wonderbare wijze het geval geweest bij de gewijde muziek; want overal waar bovengenoemde regels nauwgezet zijn toegepast, begon de schoonheld van deze uitgelezen kunst te herleven en de geest van godsvrucht op te bloeien. Immers, het christenvolk, dieper doordrongen van de liturgische geest, begon inniger deel te nemen aan de Eucharistieviering, het heilig psalmgezang en de openbare gebeden. Wij zelf hebben dit met vreugde ondervonden, toen in het eerste jaar van ons pontificaat, een machtig koor van geestelijken uit alle landen de liturgische plechtigheid, welke wij in de Vaticaanse basiliek celebreerden, met gregoriaanse zang opluisterde.
Nu valt het echter te betreuren, dat op sommige plaatsen deze wijze voorschriften, niet zijn toegepast en derhalve ook de gewenste vruchten niet werden geplukt. Wij weten het heel goed: enigen beweerden, dat zij niet gehouden waren aan deze voorschriften, ofschoon ze zo plechtig waren uitgevaardigd; anderen hielden zich er aanvankelijk aan, maar geleidelijk deden zij concessies aan die soort muziek, die beslist uit de kerk geweerd moet worden; weer anderen vonden in de viering van profane feesten ter gedachtenis van beroernde toondichters een aanleiding, om enige hunner werken in de kerk uit te voeren, werken, die, hoe prachtig ook, volstrekt niet moesten worden uitgevoerd in de kerken, daar zij niet stroken met de heiligheid van de gewijde plaats en van de liturgie.

Document

Naam: DIVINI CULTUS SANCTITATEM
Over het gestadig meer bevorderen van de liturgie, de gregoriaanse zang en de gewijde muziek
Soort: Paus Pius XI - Apostolische Constitutie
Auteur: Paus Pius XII
Datum: 20 december 1928
Copyrights: © 1949, Ecclesia Docens G&S 0148, uitg. Gooi en Sticht, Hilversum
Bewerkt: 30 mei 2019

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
Trefwoordenlijst voor dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2019, Stg. InterKerk, Schiedam