• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

Al in de loop van de eerste eeuwen zijn verkeerde wijzen van bidden de Kerk binnengedrongen. Enige teksten uit het Nieuwe Testament laten daar sporen van zien (1 Tim. 4, 3-4). Later zijn er twee fundamentele dwalingen te onderscheiden: de pseudo-gnosis en het Messalianisme waarmee de Kerkvaders zich bemoeid hebben. Die begin-ervaringen en de houding der Vaders kunnen voor ons erg leerzaam zijn om de huidige problematiek het hoofd te bieden. Tegenover de dwaling van de pseudo-gnosis De pseudo-gnosis beschouwde de materie als iets onzuivers, iets laags dat de ziel in een onwetendheid hulde waaruit het gebed haar zou moeten bevrijden om haar te verheffen tot de ware en hogere kennis en aldus tot zuiverheid. Natuurlijk was niet iedereen daartoe in staat, maar enkel zij die waarlijk geestelijk zijn; de eenvoudige gelovigen hadden voldoende aan het geloof en aan het onderhouden van Christus' geboden. houden de Vaders staande dat de materie door God geschapen is en als zodanig niet slecht. Bovendien houden zij eraan vast dat de genade, waarvan de bron steeds de Heilige Geest is, niet het eigendom van de ziel is, maar als een gave van God moet worden afgesmeekt. De verlichting of hogere kennis van de Geest ('gnosis') maakt het christelijk geloof niet overbodig. Tenslotte is voor de Vaders het waarachtig kenmerk van een hogere kennis - vrucht van gebed - nog steeds de christelijke liefde.

De verhevenheid van de gnostieke kennis is geen basis om de volmaaktheid van het christelijke gebed te beoordelen. Evenmin komt daarvoor in aanmerking de ervaring met het goddelijke, zoals het Messalianisme beweert. Over de Messalianen had zich al afwijzend uitgelaten de de volgende schrijvers H. Efrem de Syriƫr, Hymnen. contra Haereses 22,4, uitg. E. Beek, SCSO 169, 1957, blz. 79 H. Epiphanius van Salamis, Panarion haereticorum. PG 41, 156-1200; 42, 9-832 H. Amphilochius van Iconium, Contra haereticos. G. Ficker, Amphilochiana 1, Leipzig 1906, 21-77) De schijn-charismatici uit de 4de eeuw vereenzelvigden de genade van de Heilige Geest met de psychologische ervaring van diens aanwezigheid in de ziel. In hun verweer tegen hen legden de Vaders nadruk op het feit, dat de vereniging van de biddende ziel met God zich in het mysterie voltrekt, met name via de sacramenten van de Kerk. Zo kan zij plaats vinden, zelfs in de ervaring van verdriet en ook in de ervaring van verlatenheid. In tegenstelling tot wat de Messalianen denken, zijn deze ervaringen niet per se het teken dat de Geest de ziel verlaten heeft.

Zoals de geestelijke meesters al altijd duidelijk hebben onderkend, kunnen deze ervaringen juist een waarachtige deelname zijn aan de toestand van verlatenheid op het Kruis waarin onze Heer verkeerde die nog altijd voorbeeld en middelaar van het gebed is. Vgl. H. Johannes van het Kruis, De bestijging van de Berg Karmel, Subida del Monte Carmelo. II, hfdst. 7, 11

Deze twee vormen van dwaling blijven voor de zondige mens een bekoring vormen. Ze zetten hem ertoe aan, de afstand die het schepsel van de Schepper scheidt, zo mogelijk te niet te doen als iets dat niet zou moeten bestaan; ze brengen hem ertoe de weg van Christus op aarde, waarlangs Hij ons naar de Vader heeft willen brengen, te beschouwen als een achterhaalde werkelijkheid; en tenslotte wordt de zondige mens ertoe gebracht dat wat als pure genade verleend wordt naar het niveau te trekken van de natuurlijke psychologie, als een soort 'hogere kennis' of een bepaald type van 'ervaring'.

Deze verkeerde vormen hebben van tijd tot tijd de kop opgestoken in sommige uithoeken van de biddende Kerk. Maar tegenwoordig schijnen ze op talrijke Christenen weer indruk te maken door zich voor te doen als een psychologisch en geestelijk geneesmiddel en als een snelle wijze om God te vinden.

Maar deze verkeerde vormen, waar ze ook mogen opduiken, kunnen heel eenvoudig onderkend worden. De christelijke meditatie probeert al biddend in de heilbrengende werken van God in Jezus Christus, het vleesgeworden Woord, en in de gave van zijn Geest de goddelijke diepte te vatten die zich daar altijd openbaart via de menselijke en aardse dimensie.

Bij die andere meditatiemethoden daarentegen, probeert men - ook al gaat men uit van Jezus' woorden en werken - zoveel mogelijk wat aards is en tastbaar en begrippelijk beperkt van zich af te laten vallen, om op te gaan of neer te zinken in de sfeer van het goddelijke, dat als zodanig niet aards is, niet tastbaar en niet in gedachten te vatten.t- Al aanwezig in de latere Griekse religiositeit (vooral die van het neoplatonisme) treft men deze tendens in de grond van de zaak aan in de religieuze inspiratie van talrijke volkeren, zodra die het broze karakter van hun godsvoorstellingen hebben onderkend alsook de hachelijkheid van hun pogingen om het goddelijke te benaderen.

Met de huidige verbreiding van oosterse meditatie-methoden in de christelijke wereld en in de kerkgemeenschappen, staan wij tegenover een hevige nieuwe poging, niet vrij van gevaren en dwalingen, om christelijke en niet-christelijke meditatie te vermengen. Voorstellen in die richting zijn er vele, de één minder, de ander meer radicaal. Sommigen maken enkel van oosterse methoden gebruik om zich geestelijk en lichamelijk voor te bereiden op een werkelijk christelijke contemplatie. Anderen gaan verder en proberen via bepaalde technieken geestelijke ervaringen te bewerkstelligen, analoog aan die welke ter sprake komen in de geschriften van sommige katholieke mystici. Weer andere schrikken er niet voor terug om het absolute los van enig beeld of begrip - zoals het eigen is aan de theorie van het Boeddhismel - op één lijn te stellen met de majesteit Gods, die in Christus geopenbaard is en die uitstijgt boven de eindige werkelijkheid; en ten dien einde maken ze gebruik van een 'theologia negativa' die uitstijgt boven elk inhoudelijk spreken over God en aldus ontkent dat aardse werkelijkheden een teken zouden kunnen zijn dat naar de oneindigheid van God verwijst.

Ze hebben het voornemen zich bij de meditatie niet meer bezig te houden met de heilswerken die de God van het Oude en Nieuwe Testament in de geschiedenis tot stand heeft gebracht; ja, zelfs de gedachte aan God, één en drievuldig, die liefde is, laten ze vallen om te verzinken ''in een grenzeloze afgrond van de godheid". Deze of dergelijke voorstellen om christelijke meditatie en oosterse technieken met elkaar in harmonie te brengen, dienen steeds te worden onderzocht; inhoud en methode moeten zorgvuldig worden beoordeeld om te voorkomen dat we terechtkomen in een verderfelijk syncretisme.

Document

Naam: ORATIONIS FORMAS
Enige aspecten van de christelijke meditatie - Brief aan de Bisschoppen van de R.K. Kerk
Soort: Congregatie voor de Geloofsleer
Datum: 15 oktober 1989
Copyrights: © 1990, Kerkelijke Documentatie nr. 3, p. 10-23
Bewerkt: 29 november 2017

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
 
|
Pagina delen: 
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2019, Stg. InterKerk, Schiedam