• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

HET CONCILIE VOORTZETTEN
Voorafgaand aan de eerste zegen "Urbi et Orbi" aan het einde van het conclaaf

Toespraak voorafgaand aan de eerste zegen "Urbi et Orbi" aan het einde van het conclaaf, in de Sixtijnse Kapel, in aanwezigheid van het college van kardinalen, uitgezonden door radio en televisie.

Eerbiedwaardige broeders, dierbare zonen van de heilige Kerk, en alle mensen van goede wil, die nu naar ons luistert!

Slechts één woord, tussen zovele andere, komt op dit ogenblik dadelijk op onze lippen, nu we ons, na onze verkiezing tot de Stoel van Petrus, aan u voorstellen. En dat woord dat in ons opkomt en onze persoonlijke en menselijke beperking scherp doet uitkomen tegenover de ontzaglijke verantwoordelijkheid die ons wordt opgelegd, is het woord van Paulus: "O, onpeilbare rijkdom van de wijsheid en wetenschap Gods. Hoe ondoorgrondelijk zijn zijn beslissingen, hoe onnaspeurlijk zijn wegen" (Rom. 11, 33).

Inderdaad, wie had kunnen voorzien, na de dood van de onvergetelijke Paus Paulus VI, dat ook zijn vriendelijke opvolger, Johannes Paulus I voortijdig zou heengaan? Hoe zouden wijzelf hebben kunnen voorzien dat hun vreeswekkende erfenis op onze schouders zou overgaan ? Daarom moeten we het geheime raadsbesluit overwegen van Gods voorzienigheid en goedheid, niet om te trachten te begrijpen, maar om te aanbidden en ons in gebed tot Hem te richten.

Ja, we voelen ons verplicht het woord te herhalen van de psalmist die, de ogen tot God opgeheven, uitriep: "Vanwaar kan ik hulp verwachten? Mijn hulp komt van de Heer." (Ps. 120, 1-2). Deze gebeurtenissen, die geen mens kon voorzien en die zich in zo'n kort tijdsbestek hebben voorgedaan, en ook onze onbekwaamheid om aan de verwachting te beantwoorden, sporen ons aan ons naar de Heer te keren en ons volle vertrouwen op Hem te stellen. Tegelijkertijd laten ze geen programmaverklaring van dit pontificaat toe, die langdurig overleg en zorgvuldige uitwerking zou vereisen. Doch dat tekort wordt nu reeds enigermate goedgemaakt, en dat is op zichzelf een teken van de bemoedigende aanwezigheid van God.

Nauwelijks iets meer dan een maand geleden hebben we allen, binnen of buiten de historische muren van de Sixtijnse Kapel, naar de toespraak geluisterd van Paus Johannes Paulus, bij de aanvang van zijn zoveel belovend ministerie. We zijn van oordeel dat we er ons niet kunnen van losmaken, zowel wegens de herinnering die eenieder onder ons ervan bewaart, als wegens de wijze raadgevingen die erin bevat zijn. Deze rede was ten volle aangepast aan de omstandigheden waarin ze werd gehouden; ze bewaart haar kracht ook nu, bij de aanvang van een nieuw pauselijk ministerie, dat onszelf onverbreekbaar bindt aan God en de Kerk.

We wensen dus enige punten, die we uiterst belangrijk achten, te onderstrepen. Het is onze bedoeling, met vertrouwen in Gods hulp, onze volle aandacht eraan te besteden en de uitvoering ervan te bevorderen, opdat ze aanvaard worden in het ware kerkelijke leven. Vóór alles willen we het blijvende belang van het Tweede Oecumenisch Vaticaans Concilie onderstrepen. Dit betekent voor ons een formele verplichting het zorgvuldig ten uitvoer te brengen. Is dit Concilie niet een mijlpaal, m.a.w. een gebeurtenis van uitzonderlijk belang, in het tweeduizendjarige bestaan van de Kerk en bijgevoig ook in de godsdienstige en culturele geschiedenis van de mensheid? Maar zoals het Concilie niet beperkt blijft tot de documenten, zo eindigt het evenmin met de toepassingen ervan die gevolgd zijn in de postconciliaire jaren. We achten het dan ook als onze eerste plicht de uitvoering van de normen en richtlijnen van het Concilie zo zorgvuldig mogelijk te bevorderen, en dit door een voorzichtige en tevens aanmoedigende actie: bovenal willen we de groei van een aangepaste mentaliteit begunstigen. We bedoelen dit: eerst moeten we onszelf afstemmen op het Concilie, om dan in praktijk te brengen wat het Concilie uitdrukkelijk heeft verklaard, en om wat erin bevat ligt - en dat men gewoonlijk "impliciet" noemt - duidelijk naar voren te brengen, in het licht van de experimenten die nadien ondernomen zijn en van de eisen die ontstaan zijn uit de nieuwe omstandigheden. Het is, in één woord, nodig dat het vruchtbare zaad dat de Concilievaders, gevoed door Gods woord, in goede aarde gezaaid hebben, opgroeit tot rijpheid, in een ontwikkeling die eigen is aan beweging en leven. En met dat goede zaad door de Concilievaders gezaaid bedoelen wij hun gezaghebbende onderrichtingen en hun pastorale deliberaties.

Dit algemeen besluit van trouw aan het Concilie en onze uitdrukkelijke wil het in de praktijk toe te passen, in zover het van onszelf afhangt, omvat verschillende sectoren: van de missionaire tot de oecumenische, van de leerstellige tot de organisatorische. Maar er is één gebied waar onze bijzondere zorg zal naartoe gaan, dat is de ecclesiologie of leer over de Kerk.

Eerbiedwaardige broeders en zonen van de katholieke wereld, we moeten opnieuw de "magna charta" van het Concilie ter hand nemen, nl. de dogmatische constitutie over de Kerk 2e Vaticaans Concilie - Constitutie
Lumen Gentium
Over de Kerk
(21 november 1964)
. Met een hernieuwde en bemoedigende aandacht moeten we de natuur en de taak van de Kerk onderzoeken, haar eigenheid en haar actie, en dit niet alleen om de vereniging in Christus te verwezenlijken van allen die in hem geloven en op hem hopen, maar ook om bij te dragen tot een meer totale en innige eenheid van geheel de mensenfamilie. Paus Johannes XXIII herhaalde graag deze woorden: "De Kerk van Christus is het licht der volkeren." De Kerk is inderdaad (het Concilie heeft zijn uitspraak overgenomen) een universeel heils- en eenheidssacrament voor de mensheid. Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk, Lumen Gentium (21 nov 1964), 1.48 Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Decreet, Over de missie-activiteit van de Kerk, Ad Gentes Divinitus (7 dec 1965), 1

Het heilsmysterie dat in de Kerk haar middelpunt heeft en door de Kerk wordt verwezenlijkt, het dynamisme dat door de kracht van hetzelfde mysterie het volk van God bezielt, de bijzondere band of collegialiteit, die de bisschoppen "met Petrus en onder Petrus" met elkaar verbindt, het zijn elementen die we tot nu toe onvoldoende onderzocht hebben. Toch is dit nodig, met het oog op de constante of tijdelijke noodwendigheden van de mensen, om te beslissen over de aard van de aanwezigheid van de Kerk in deze wereld en haar methoden van handelen. Een volledige instemming met deze onderrichting van het Concilie, gezien in het licht van de traditie en de dogmatische uitspraken honderd jaar geleden uitgevaardigd in het Eerste Vaticaans Concilie, zal voor ons, herders en gelovigen, een veilige wegwijzer zijn en een krachtige stimulans: het zal ons bekwaam maken - wij herhalen het - om de weg te bewandelen van het leven en van de geschiedenis. Heel bijzonder bevelen we aan grondiger te onderzoeken wat het principe van de collegialiteit inhoudt, om onszelf er meer bewust van te maken en tegelijktertijd onze taak met meer waakzaamheid beter uit te voeren. Collegialiteit verbindt bisschoppen innig met de opvolger van Petrus en bindt hen onderling. Ze laat hen toe het licht van het Evangelie naar de wereld te brengen, deze te heiligen door de genademiddelen van de Kerk en met herderlijke bezorgdheid leiding te geven aan geheel het volk van God. Collegialiteit betekent ook het creëren van organismen, deels nieuwe organismen, deels reeds bestaande maar aan de huidige noden aangepast: deze zullen een hechtere eenheid van de harten, de plannen en de actie verzekeren, in het werk van de opbouw van het lichaam van Christus dat de Kerk is. Vgl. Ef. 4, 12 Vgl. Kol. 1, 24 Naar aanleiding hiervan vermelden we heel bijzonder de bisschoppensynode, voor het eerst opgericht, nog vóór het einde van het Concilie, door de geniale Paulus VI. Vgl. Z. Paus Paulus VI, Motu Proprio, Oprichting van de Synode van Bisschoppen voor de universele Kerk, Apostolica Sollicitudo (15 sept 1965)

Naast de trouw aan het Concilie, treedt naar voren de verantwoordelijkheid van een volkomen getrouwheid aan de taak die we ontvangen hebben en die ons, meer dan wie ook bindt. Geroepen tot het hoogste ambt in de kerk, zijn wij de eersten die de plicht hebben, door ons voorbeeld, door intentie en actie, met inzet van al onze krachten, van deze trouw blijk te geven. De geloofsschat moeten we daarom ongerept bewaren; we moeten ons eigen maken het bijzondere bevel van Christus, die aan Petrus, tot rots van de kerk aangesteld, de sleutels van het koninkrijk der hemelen toevertrouwde Vgl. Mt. 16, 18 , die hem beval zijn broeders te versterken Vgl. Lc. 22, 32 , en de schapen en lammeren van zijn kudde, als blijk van zijn liefde, te hoeden Vgl. Joh. 21, 15. vv . We zijn er ten volle van overtuigd dat in geen enkel onderzoek betreffende het "ministerium Petri", aan deze drie hoofdwaarheden mag voorgijgegaan worden. Het gaat hier immers om bijzondere facetten van dit ambt, die met de natuur van de kerk verband houden, en die tot doel hebben de inwendige eenheid en haar geestelijke opdracht veilig te stellen. Deze taak werd niet alleen aan Petrus toevertrouwd, maar ook aan zijn wettige opvolger. Het is onze overtuiging dat dit hoge ambt zijn voedingsbodem en zijn ontwikkelingskansen moet vinden in de liefde: deze is het noodzakelijke antwoord op Jezus' vraag: "Bemint gij mij?". Met Sint Paulus herhalen wij: "De liefde van Christus dwingt ons." (2 Kor. 5, 14). Wij willen ons ministerie van bij de aanvang af zien als een dienst van liefde, en dit is heel ons doen en laten.

Hierin willen wij in de leer gaan bij onze onmiddellijke voorgangers. Wie herinnert zich niet de woorden van Paulus VI, die sprak over "een beschaving van liefde", en die, ongeveer een maand voor zijn dood, met heel zijn hart verklaarde: "Ik heb het geloof bewaard." Z. Paus Paulus VI, Homilie, Op het Hoogfeest van Petrus en Paulus - 15 verjaardag van de kroning tot Paus, Bewaar de Kerk in waarheid en vrede (29 juni 1978) Dat deed hij niet om zichzelf te loven, maar om, na vijftien jaar dit apostolische ambt te hebben uitgeoefend, zijn eigen geweten diepgaand te ondervragen.

Wat kunnen we zeggen over Johannes Paulus I? Hij schijnt pas gisteren uit deze vergadering naar voren te zijn getreden om de zware last van de pauselijke waardigheid op zich te nemen. Maar wat een vlammende caritas, ja, wat een golf van liefde wenste hij voor de wereld in zijn laatste zondagse toespraak vóór het bidden van het Angelus. Hij bevestigde dit nog door de wijze cathechistische onderrichtingen die hij bij publieke audiënties gaf over geloof, hoop en liefde.

Eerbiedwaardige broeders in het episcopaat en dierbare zonen, de trouw betekent ook een ondubbelzinnige volgzaamheid tegenover het leerambt, vooral op doctrineel gebied. Het objectieve belang van de leer moet ons steeds voor de geest staan en beveiligd worden omdat vandaag de dag, bepaalde waarheden van het katholieke geloof in het gedrang komen. Trouw betekent vervolgens eerbiediging van de liturgische normen, die door het kerkelijke overheid voorgeschreven zijn, en die iedere willekeurige ongecontroleerde nieuwlichterij uitsluit, evenzeer als het verwerpen van voorschriften. Rituele die wettelijke zijn bepaald en ingevoerd. Nog houdt trouw eerbied in voor de kerkorde; ook daarover heeft onze onmiddellijke voorganger gesproken. Deze kerkorde is er niet om te verdrukken - zoals men zegt - klein te houden, maar eerder om de juiste orde in het mystieke lichaam van Christus te waarborgen. Ze verzekert de praktische en natuurlijke samenwerking tussen alle ledematen waaruit dit lichaam bestaat. Trouw betekent vervolgens het edelmoedige involgen van de verplichtingen van de priesterlijke en religieuze roeping, zodanig dat wat vrij voor God beloofd werd, altijd onderhouden en ontwikkeld wordt, in een stabiel bovennatuurlijk perspectief. Wat de gelovigen ten slotte betreft, voor hen wil trouw zeggen: plichtsvervulling, als een natuurlijk antwoord op hun christen zijn. Met bereidwillig en oprecht gemoed zullen ze dat christelijk geloof belijden door gehoorzaamheid aan hun gewijde herders, die de Heilige Geest heeft aangesteld om Gods kerk te besturen. Vgl. Hand. 20, 28 , en door samenwerking in de initiatieven en taken waartoe ze worden opgeroepen.

We kunnen hier onze broeders niet vergeten die behoren tot andere kerken en andere christelijke confessies. De zaak van het oecumenisme is zo verheven en zo delicaat, dat we er niet kunnen aan voorbijgaan. Hoe dikwijls hebben we samen het testament van Christus overwogen, die aan zijn Vader voor zijn leerlingen de gave van de eenheid vroeg? Vgl. Joh. 17, 21-23 Wie herinnert zich niet hoe sterk Sint-Paulus aandrong op de eenheid van denken, eenheid in fiefde, saamhorigheid en eensgezindheid voor de leerlingen van Christus? Vgl. Fil. 2, 2 Het is nauwelijks te geloven dat het drama van de verdeeldheid - een oorzaak van verwarring en misschien van ergernis - nog steeds voortduurt onder de christenen. Daarom willen we verder gaan op de weg, waarop de eerste stappen reeds gezet zijn, en alle pogingen begunstigen die bij machte zijn de hinderpalen uit de weg te ruimen, in de hoop dat, door gemeenschappelijke inspanning, we eindelijk de volmaakte eenheid bereiken.

We richten ons ook tot alle mensen die als zonen van de almachtige God onze broeders zijn, en die we moeten liefhebben en dienen. Zonder eigenwaan maar in oprechte nederigheid, wensen we hun te zeggen dat het ons verlangen is een daadwerkelijke bijdrage te leveren tot bevordering van een ongestoorde en echte vrede, van de ontwikkeling en de internationale rechtvaardigheid. Hierbij worden we geenszins gedreven door het inzicht ons te mengen in politieke aangelegenheden of deel te hebben in het beheer van tijdelijke zaken. Zoals de kerk niet ingesloten kan worden in aardse categorieën, zo zullen wij ons, bij het benaderen van deze brandende kwesties van mensen en naties, uitsluitend laten leiden door religieuze en morele overwegingen. Hem volgend die aan zijn leerlingen als levensideaal voorhield "het zout der aarde" en "het licht der wereld" te zijn (Mt. 5, 13-16), willen we ons inspannen om de spirituele waarden te versterken, waarop de gemeenschap moet gefundeerd zijn. Deze plicht lukt ons nog meer dringend, in het licht van de voortdurende ongelijkheden en meningsverschillen, die in zovele delen van de wereld aanleiding geven tot spanningen en conflicten: deze, op hun beurt, dragen in zich het gevaar van onmenselijke rampen. We zullen daarom deze problemen tegemoet treden met een constante bezorgdheid, en een aangepaste en tijdige actie, zonder enig eigenbelang, maar geïnspireerd door het Evangelie.

Het weze ons toegelaten op dit ogenblik onze aandacht te richten op het ernstige probleem, dat het college der kardinalen "sede vacante" heeft beziggehouden: de situatie namelijk van het ons dierbare volk van Libanon, aan wie we allen vrede in vrijheid oprecht toewensen. Tegelijkertijd willen we de hand reiken aan alle volkeren en alle mensen, en ons hart openzetten voor al diegenen die daar welk onrecht of welke discriminatie ook te lijden hebben, zowel in het economische en politieke leven, als door gebrek aan godsdienst- of gewetensvrijheid. We moeten ernaar streven dat alle vormen van onrecht die nu nog bestaan verworpen worden door de publieke opinie, dat er een einde aan gesteld wordt, opdat alle mensen een echt menswaardig leven zouden leiden. Ook dat behoort tot de zending van de kerk, zoals in het Tweede Vaticaans Concilie, en dit niet alleen in de dogmatische constitutie 2e Vaticaans Concilie - Constitutie
Lumen Gentium
Over de Kerk
(21 november 1964)
, maar ook in de pastorale constitutie 2e Vaticaans Concilie - Constitutie
Gaudium et Spes
Over de Kerk in de wereld van deze tijd
(7 december 1965)
in het licht is gesteld.

Dierbare broeders en zonen, de recente gebeurtenissen in de kerk en in de wereld zijn voor ons een ernstige waarschuwing: hoe zal ons pontificaat zijn ? Wat zal, volgens Gods beschikking, het lot van de kerk zijn in de komende jaren ? Welke weg zal de mensheid volgen, nu het einde van deze eeuw - het jaar 2000 - reeds nadert? Op al deze vermetele vragen is er maar één antwoord: "God weet het". Vgl. 2 Kor. 12, 2-3 Onze eigen levensloop, die ons zo onverwacht tot de hoogste verantwoordelijkheid van apostolische dienstbaarheid heeft gebracht, heeft weinig waarde. Onze persoon, dat willen we onderstrepen, moet verdwijnen bij de zware taak die ons wordt opgelegd. En daarom moet onze toespraak plaats ruimen voor het gebed. En na ons gebed tot God voelen we dat we nood hebben aan meer gebeden, om de zo noodzakelijke hulp af te smeken die het ons mogelijk maakt de taak van onze voorgangers voort te zetten.

Na, ontroerd, de herinnering aan deze laatsten te hebben opgeroepen, begroeten we eenieder van u, hoogeerwaarde kardinalen, oprecht dankbaar. Een groet vervolgens van vertrouwen en bemoediging gaat naar al onze overige broeders in het episcopaat die overal ter wereld hun beste zorgen besteden aan de afzonderlijke kerken, uitverkoren afdelingen van het Volk van God, en die hun bijdrage leveren in het universele heilswerk.

Na hen gaan onze blikken naar de orde der priesters, naar de missionarissen, naar de menigte kloosterlingen, mannen en vrouwen. En tegelijkertijd wensen wij dat hun aantal stijgt, de woorden herhalend van de Heer: "De oogst is wel groot, maar arbeiders zijn er weinig." (Mt. 9, 37-38). Ook wenden we ons naar de christelijke families en gemeenschappen, de menigvuldige verenigingen die zich inzetten voor het apostolaat, naar de gelovigen, die, al zijn ze niet afzonderlijk door ons gekend, toch niet naamloos zijn, vreemd of marginaal, want ze behoren tot het glorierijke geheel dat de kerk van Christus is. Tussen hen zien we, met een bijzondere bezorgdheid, de zwakkeren, de armen, de zieken, de beproefden. Speciaal voor hen, willen wij, bij de aanvang van ons pastoraal ministerie, ons hart openen. Zijt gij het niet, broeders en zusters, die in uw lijden deelneemt aan het lijden van de Verlosser zelf, en het enigszins aanvult? Vgl. Kol. 1, 24

De onwaardige opvolger van Petrus die zich voorneemt "de onpeilbare rijkdommen", van Christus te doorgronden, heeft behoefte aan uw hulp, uw gebed, aan uw toewijding en offer, en hij vraagt er u nederig om.

Ter wille van de onverwoestbare liefde die ons verbindt met ons geboorteland, wensen we heel bijzonder te begroeten alle burgers van Polen "semper fidelis", de bisschoppen, priesters en gelovigen van Krakau. In deze groet leven herinneringen, gevoelens van ons hart, heimwee naar het vaderland en hoop, samen in een onverbreekbare band.

In dit voor ons ernstige en beangstigende uur kunnen we niet anders dan ons met kinderlijke godsvrucht keren naar de Maagd Maria, die als moeder steeds leeft en werkt in het mysterie van Christus. We herhalen de woorden "Totus tuus" die we vóór twintig jaar op de dag van onze bisschopswijding in ons hart en in ons wapenschild hebben geschreven. En we kunnen niet nalaten de heilige apostelen Petrus en Paulus aan te roepen en alle heiligen en zaligen van de universele kerk. En met het sterke gevoelen van vaderschap dat in ons hart leeft, begroeten we allen, bejaarden, volwassenen, jongeren, kinderen, pasgeborenen. Van harte wensen we dat ze allen mogen "toenemen in de genade en de kennis van onze Heer en Heiland Jezus Christus" (2 Pt. 3, 18).

Aan allen schenken we onze eerste Apostolische Zegen, die niet alleen over hen maar over heel de mensenfamilie de overvloed moge doen neerdalen van de gaven van de Vader die in de hemelen is. Amen.

Document

Naam: HET CONCILIE VOORTZETTEN
Voorafgaand aan de eerste zegen "Urbi et Orbi" aan het einde van het conclaaf
Soort: H. Paus Johannes Paulus II - Urbi et Orbi
Auteur: H. Paus Johannes Paulus II
Datum: 17 oktober 1978
Copyrights: © 1978, De man uit Polen, uitg. J.H. Gottmer, Haarlem
Bewerkt: 26 maart 2015

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
 
|
Pagina delen: 
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2018, Stg. InterKerk, Schiedam