• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

HOOGFEEST VAN DE HEILIGE APOSTELEN PETRUS EN PAULUS MET OPLEGGING VAN HET PALLIUM AAN 34 AARTSBISSCHOPPEN
Pauselijke Basiliek Sint Pieter, Vaticaan

Mijne Heren Kardinalen,
Vereerde broeders in het bisschopsambt
en het priesterschap,
Geliefde broeders en zusters!

Ik groet u allen hartelijk met de woorden van de apostel bij wiens graf wij ons bevinden: “Genade voor u en vrede in rijke overvloed!” (1 Pt. 1, 2). Ik groet in het bijzonder de leden van de delegatie van het oecumenisch patriarchaat van Constantinopel en de vele aartsbisschoppen die vandaag het pallium ontvangen. In het openingsgebed van dit hoogfeest vragen wij de Heer “dat de Kerk altijd het onderricht van de Apostelen zou volgen van wie zij de eerste verkondiging heeft ontvangen in het geloof”. De vraag die wij tot God richten, gaat tezelfdertijd ook ons aan: volgen wij zelf het onderricht van de grote apostelen en stichters? Kennen wij hen werkelijk? In het Paulusjaar dat Paus Benedictus XVI - Homilie
Eerste Vespers van het Hoogfeest van de Heilige Apostelen Petrus en Paulus ter gelegenheid van de afsluiting van het Paulusjaar
Pauselijke Basiliek Sint-Paulus buiten de Muren
(28 juni 2009)
liep, hebben wij geprobeerd op een werkelijk nieuwe manier naar hem te luisteren, naar hem de “leraar van de volken”, en zo het nieuwe alfabet van het geloof te leren. Wij hebben geprobeerd met en door Paulus Christus te kennen en zo de weg te vinden naar een rechtschapen christelijk leven. In de canon van het Nieuwe Testament zijn er naast de Brieven van de heilige Paulus ook twee die geschreven zijn door de heilige Petrus. De eerste eindigt uitdrukkelijk met een groet vanuit Rome, dat echter onder de apocalyptische deknaam “Babylon” verschijnt: “U groet de zustergemeente in Babylon” (1 Petr. 5,13). Door van de Kerk van Rome te zeggen: zij is “uitverkoren zoals gij”, schrijft hij haar in de grote gemeenschap van al de plaatselijke Kerken in - de gemeenschap van allen die God verenigd heeft - opdat in het tijdelijke Babylon van deze wereld Gods volk zou opgebouwd worden en Hij in de geschiedenis zou binnengelaten worden. De Eerste Brief van de heilige Petrus is een groet vanuit Rome aan heel de christenheid van alle tijden. De Brief vraagt ons te luisteren naar “het onderricht van de apostelen” dat ons de weg naar het leven toont.

Deze Brief is een heel rijke tekst die uit het hart komt en het hart raakt. De kern ervan is – hoe zou het anders kunnen? – de persoon van Christus, die voorgesteld wordt als Degene die lijdt en bemint, de Gekruisigde en Verrezene: “Als Hij gescholden werd, schold Hij niet terug. Als men Hem leed aandeed, uitte Hij geen dreigementen ... Door zijn striemen zijt gij genezen” (1 Pt. 2, 23, e.v.). Uitgaande van deze kern, van Christus, is de Brief ook een inleiding op de fundamentele christelijke sacramenten van doop en Eucharistie en een toespraak tot de priesters, wiens medepriester Petrus naar eigen zeggen is. Hij spreekt tot de priesters van alle generaties als degene die door de Heer persoonlijk belast werd de schapen te weiden en heeft zo op een bijzondere manier een priesterlijk mandaat gekregen. Wat zegt ons de heilige Petrus dan – precies in dit Priesterjaar – over de taak van de priester? Vooreerst ziet hij het priesterambt volledig vanuit Christus. Hij noemt Christus “de herder en behoeder van uw zielen” (1 Pt. 2, 25). Daar waar de Nederlandse vertaling spreekt over “behoeder”, gebruikt de Griekse tekst het woord “episcopos” (bisschop). Een beetje verder wordt Christus “archipoímen” (“opperherder”) genoemd. Het is verrassend dat Petrus Christus “bisschop” noemt – “bisschop van de zielen”. Wat bedoelt hij daarmee? In het Griekse woord “episcopos” is het woord “zien” vervat; daarom wordt het vertaald door “behoeder”, dat betekent “opzichter”. Maar het gaat zeker niet om een uitwendig toezicht, zoals een gevangenisbewaker bijvoorbeeld doet. Het gaat eerder om een visie van boven – een visie vanuit Gods verhevenheid. Een visie vanuit Gods perspectief is de kijk van de liefde die de ander wil dienen, die hem wil helpen om werkelijk zichzelf te worden. Christus is de “bisschop van de zielen”, zegt Petrus ons. Dat betekent dat Hij ons ziet vanuit Gods perspectief. Door vanuit God te kijken, heeft men een totaalblik, ziet men de gevaren maar ook de hoop en de kansen. In Gods perspectief ziet men de essentie, ziet men de innerlijke mens. Als Christus de bisschop van de zielen is, dan heeft dit de bedoeling te vermijden dat de ziel in de mens verarmt; ervoor te zorgen dat de mens zijn essentie, zijn bekwaamheid tot waarheid en liefde behoudt; ervoor te zorgen dat hij God leert kennen; dat hij niet in een doodlopende straat terechtkomt; dat hij zichzelf niet verliest door isolement, maar open blijft voor het geheel. Jezus, “bisschop van de zielen”, is het prototype van ieder bisschoppelijk en priesterlijk ambt. Bisschop zijn, priester zijn, betekent in dit perspectief: de positie van Christus op zich nemen; denken, zien en handelen vanuit Zijn verheven positie; vanuit Hem ter beschikking staan van de mensen opdat zij het leven vinden.
Zo benadert het woord “bisschop” het woord ”herder”; meer nog, beide begrippen worden onderling uitwisselbaar. De plicht van de herder is de kudde te weiden en te bewaken en naar goed weiland te brengen. De kudde weiden wil zeggen, ervoor zorgen dat de schapen de juiste voeding krijgen, dat hun honger gestild en hun dorst gelest wordt. Deze beeldspraak betekent: het woord van God is het voedsel dat de mens nodig heeft. De goede herder heeft tot taak, het woord God steeds opnieuw te brengen en zo de mensen voedsel te geven. En hij moet ook kunnen weerstand bieden aan de vijand, de wolven. Hij moet voorgaan, de weg wijzen, de eenheid van de kudde bewaren. Petrus beklemtoont in zijn toespraak tot de priesters nog een belangrijk punt. Spreken volstaat niet. De herders moeten “een voorbeeld voor de kudde” zijn (1 Pt. 5, 3). Het woord van God wordt van het verleden overgebracht naar het heden wanneer het in praktijk gebracht wordt. Het is heerlijk om zien hoe bij de heiligen Gods woord een woord wordt dat gericht is naar onze tijd. Bij personen zoals Franciscus, Padre Pio en vele anderen, wordt Christus werkelijk een tijdgenoot van hun generatie; Hij is uit het verleden gekomen en is het heden binnen gekomen. Dat betekent herder zijn – een voorbeeld zijn voor de kudde: het Woord vandaag beleven in de grote gemeenschap van de heilige Kerk.
Zeer kort zou ik nog de aandacht willen vestigen op twee andere uitspraken in de Eerste Brief van de heilige Petrus, die ons allemaal, in onze tijd, bijzonder aangaan. Er is vooreerst een zin die vandaag opnieuw ontdekt wordt en op basis waarvan de theologen uit de Middeleeuwen hun opdracht verstonden - hun opdracht als theoloog: “heiligt in uw hart Christus als de Heer. Weest altijd bereid tot verantwoording aan al wie u rekenschap vraagt van de hoop die in u leeft” (1 Pt. 3, 15). Het christelijk geloof is hoop. Hoop baant de weg naar de toekomst. En deze hoop is redelijk; het is hoop waarvan wij de rede kunnen en moeten aantonen. Het geloof komt uit de eeuwige Rede die in onze wereld gekomen is en ons de ware God getoond heeft. Het geloof dringt dieper door dan ons verstandelijk vermogen, zoals liefde ook meer ziet dan het verstand alleen. Het geloof spreekt de rede aan, het heeft zijn plaats in de dialoog, het geloof kan het verstand het hoofd bieden. Het geloof spreekt de rede niet tegen, het houdt er gelijke tred mee en tilt de rede tegelijk boven zichzelf uit – het geloof maakt de rede vertrouwd met de Rede van God die groter is. Als herders van onze tijd hebben wij de plicht als eersten de rede van het geloof te begrijpen, de plicht om het geloof niet slechts traditie te laten zijn maar het te erkennen als een antwoord op onze vragen. Het geloof vereist de deelname van ons verstand, dat zich verdiept en uitzuivert in de uitwisseling van de liefde. Het behoort tot onze plicht als herder om met ons denken door te dringen in het geloof, ten einde de rede van onze hoop te kunnen aantonen in het debat dat onze tijd voert. Doch, al is het denken noodzakelijk, op zich volstaat het niet, zoals ook het woord op zich niet volstaat. In zijn catechese over Doop en Eucharistie vermeldt Petrus in het tweede hoofdstuk van zijn Brief, de Psalm die in de eerste Kerk gebruikt werd in de context van de Communie: “Ervaart het, ziet: mild is de Heer” (Ps. 34, 9)(1 Pt. 2, 3). Proeven doet zien. Denken we aan de leerlingen van Emmaüs: pas in het gemoedelijk samenzijn met Jezus, pas bij het breken van het brood, gaan hun ogen open. Als zij werkelijk een ervaring opdoen van gemeenschap met de Heer, dan zien zij. En dat geldt voor ons allemaal: meer dan aan de gedachte en het woord, hebben wij nood aan de ervaring van het geloof, van de levende relatie met Jezus Christus. Geloof mag geen theorie blijven: het moet leven worden. Indien wij de Heer in het sacrament ontmoeten, indien wij in het gebed met Hem spreken, indien wij ons in de beslissingen van alledag met Christus verenigen – dan “zien” wij steeds beter hoe goed Hij is. Dan ervaren wij dat het goed is met Hem te zijn. Uit zo een ervaren zekerheid vloeit vervolgens de bekwaamheid om het geloof op een geloofwaardige manier bij anderen over te brengen. De pastoor van Ars was geen groot denker. Maar hij “proefde” de Heer. Hij leefde met Hem in de kleinste alledaagse dingen en in de grote vereisten van het pastorale ambt. Zo werd hij “iemand die ziet”. Hij had geproefd en daarom wist hij dat de Heer goed is. Bidden wij de Heer dat Hij ons de mogelijkheid geeft te proeven zodat wij geloofwaardige getuigen worden van de hoop die in ons leeft.
Om te eindigen zou ik nog een kort maar belangrijk woord van de heilige Petrus willen opmerken. Bij de aanvang van de Brief zegt hij ons dat het heil van de zielen het doel is van ons geloof Vgl. 1 Pt. 1, 6 . In de wereld van het spreken en denken van de actuele christenheid is het een vreemde uitspraak, voor sommigen zelfs een aanstoot. Het woord “ziel” is in diskrediet geraakt. Men zegt dat dit zou leiden tot de verdeling van de mens in een spirituele en een fysieke dimensie, tussen ziel en lichaam, terwijl hij in werkelijkheid een ondeelbare eenheid zou zijn. Bovendien lijkt “het heil van de zielen” als doel van het geloof, te wijzen op een individualistisch christendom, een verlies van verantwoordelijkheid voor de wereld in haar totaliteit, in haar lichamelijkheid en stoffelijkheid. Doch daar is niets van terug te vinden in de Brief van de heilige Petrus. Getuigenis dat opkomt voor de hoop, verantwoordelijkheid voor de anderen, typerend heel deze tekst. Om het heil van de zielen als doel van het geloof, te begrijpen moeten wij van elders vertrekken. Inderdaad, tekort aan aandacht voor de zielen, verarming van de innerlijke mens, het doodt niet alleen het individu maar het bedreigt ook de bestemming van de hele mensheid. Zonder de genezing van de zielen, zonder de genezing van de mens van binnenuit, kan er voor de mensheid in haar geheel geen heil zijn. De echte ziekte van de zielen noemt de heilige Petrus, tot onze verbazing, de onwetendheid – het niet kennen van God. Wie God niet kent, wie Hem niet oprecht zoekt, blijft buiten het echte leven staan Vgl. 1 Pt. 1, 14 . Nog een ander woord uit de Brief kan ons ook helpen om de uitdrukking “heil van de zielen” beter te begrijpen: uw ziel reinigen door de waarheid gehoorzaam te aanvaarden Vgl. 1 Pt. 1, 22 . Het is de gehoorzaamheid aan de waarheid die de ziel zuiver maakt. Samenleven met de leugen, vervuilt haar. Gehoorzaamheid aan de waarheid begint met de kleine waarheden in het dagelijks leven, die dikwijls moeilijk en pijnlijk kunnen zijn. Deze gehoorzaamheid strekt zich vervolgens uit tot de onvoorwaardelijke gehoorzaamheid aan de Waarheid zelf die Christus is. Deze gehoorzaamheid zuivert ons niet alleen maar maakt ons vooral ook vrij voor de dienst aan Christus en zo voor het heil van de wereld, wat altijd begint bij de gehoorzame zuivering van onze ziel door de waarheid. We kunnen de weg naar de waarheid slechts aanwijzen indien wij ons zelf – gehoorzaam en geduldig – door de waarheid laten zuiveren.
En nu richt ik mij tot u, dierbare confraters in het bisschopsambt, die vandaag het pallium uit mijn handen ontvangt. Het werd geweven met lamswol, door de Paus gezegend op het feest van de heilige Agnes. Het herinnert dus aan de lammeren en schapen van Christus die de verrezen Heer aan Petrus heeft toevertrouwd samen met de plicht hen te weiden Vgl. Joh. 21, 15-18 . Het herinnert aan de kudde van Jezus Christus, die u, geliefde broeders, in gemeenschap met Petrus moet weiden. Het herinnert aan Christus zelf die als Goede Herder het verdwaalde schaap, de mensheid, op de schouders heeft genomen om het terug thuis te brengen. Het herinnert aan het feit dat Hij, de Opperherder, zichzelf tot Lam heeft willen maken, om onze bestemming van binnenuit op zich te nemen; om ons terug te brengen en binnenin te verzorgen. Wij willen tot de Heer bidden, opdat Hij ons helpt als goede herders Zijn voetsporen te betreden, “zoals God het wil: van harte en niet uit dwang, met toewijding ... een voorbeeld voor de kudde” (1 Pt. 5, 2-3).

Amen.

Document

Naam: HOOGFEEST VAN DE HEILIGE APOSTELEN PETRUS EN PAULUS MET OPLEGGING VAN HET PALLIUM AAN 34 AARTSBISSCHOPPEN
Pauselijke Basiliek Sint Pieter, Vaticaan
Soort: Paus Benedictus XVI - Homilie
Auteur: Paus Benedictus XVI
Datum: 29 juni 2009
Copyrights: © 2009, Libreria Editrice Vaticana
Vert.: Sorores Christi; alineaverdeling en -nummering: redactie
Bewerkt: 26 maart 2015

Referenties naar dit document

 
Geen documenten gevonden!
 
Geen berichten gevonden!

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
 
|
Pagina delen: 
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2019, Stg. InterKerk, Schiedam