• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

EERSTE VESPERS VAN HET HOOGFEEST VAN DE HEILIGE APOSTELEN PETRUS EN PAULUS TER GELEGENHEID VAN DE AFSLUITING VAN HET PAULUSJAAR
Pauselijke Basiliek Sint-Paulus buiten de Muren

Heren Kardinalen, Vereerde Broeders in het Bisschopsambt en het Priesterschap, Geachte leden van de delegatie van het oecumenisch Patriarchaat, Dierbare broeders en zusters,

Aan elk van u richt ik mijn hartelijke groet. Ik groet in het bijzonder de kardinaal-aartspriester van deze basiliek en zijn medewerkers, ik groet de abt en de monastieke communiteit van de Benedictijnen en ik groet ook de delegatie van het oecumenisch Patriarchaat van Constantinopel.

Het jaar ter herdenking van de geboorte van Sint-Paulus wordt vanavond besloten. Wij zijn verzameld bij het graf van de Apostel, wiens sarcofaag, bewaard onder het pauselijk altaar, recent het voorwerp is geweest van een nauwkeurig, wetenschappelijk onderzoek: in de sarcofaag, die nooit is geopend geworden gedurende vele eeuwen, is een zeer kleine holte geboord om zo een speciale sonde te kunnen inbrengen. Hiermee zijn sporen van een kostbaar, purperen linnen stof, gelamineerd met zuiver goud, en van een blauwkleurige stof met linnen draden aan het licht gekomen. Tevens is de aanwezigheid geconstateerd van korrels rode wierook en de stoffen proteïne en kalk. Onderzoek van zeer kleine fragmenten van beenderen door middel van de C 14-methode door experts die niets wisten van de afkomst van deze fragmenten, wees bovendien uit dat zij toebehoren aan een persoon die tussen de 1ste en 2de eeuw geleefd heeft. Dit lijkt de unanieme en onbetwiste traditie dat het hier gaat om de stoffelijke resten van de Apostel Paulus te bevestigen. Dit alles vervult onze ziel met diepe gevoelens.

Velen hebben gedurende deze maanden de wegen van de Apostel gevolgd –de uitwendige en meer nog de inwendige wegen die hij gedurende zijn leven gegaan is: de weg van Damascus naar de ontmoeting met de Verrezene; de wegen in de middellandse wereld met de fakkel van het Evangelie, waar hij tegenstand en aanhang kende, tot aan het martelaarschap waardoor hij voor altijd tot de Kerk van Rome behoort. Tot deze Kerk heeft hij ook zijn grootste en belangrijkste Brief gericht. Het Paulusjaar komt ten einde maar samen op weg zijn met Paulus, met hem en dankzij hem komen tot de kennis van Jezus, en zoals hij, verlicht en omgevormd worden door het evangelie – dat zal altijd deel uitmaken van het christelijk bestaan. En door verder te gaan dan de context van de gelovigen, blijft hij altijd “de meester van de volkeren”, die de boodschap van de Verrezene aan allen wil blijven omdat Christus allen gekend en bemind heeft; Hij is gestorven en verrezen voor hen allen. Wij willen hem dus beluisteren in dit uur dat wij plechtig het feest van de beiden Apostelen, die door een sterke band met elkaar verenigd zijn, beginnen.

Zie ook:
Uitleg van hetgeen aangetroffen is.
Het maakt deel uit van de structuur van de Brieven van Paulus dat zij –altijd onder verwijzing naar de plaats en de particuliere situatie – eerst het mysterie van Christus uitleggen, ons in het geloof onderrichten. In een tweede deel volgt dan de toepassing op ons leven: wat volgt er uit dit geloof? Hoe vormt dit geloof ons bestaan dag na dag? In de Brief aan de Romeinen begint dit tweede deel met het 12de hoofdstuk, waarin de Apostel in de eerste twee verzen meteen de wezenskern van het christelijk bestaan samenvat. Wat zegt ons Sint-Paulus in deze passage? Eerst bevestigt hij als van fundamenteel belang dat Christus begonnen is met een nieuwe wijze om God te vereren, een nieuwe eredienst. Deze bestaat erin dat de levende mens zélf een aanbidding wordt, “offer” tot in het eigen lichaam. Er dienen nu geen dingen meer aan god geofferd te worden. Het is ons eigen bestaan dat tot een lofzang voor God moet worden. Maar hoe gebeurt dit? In het tweede vers wordt ons het antwoord gegeven: “Stem uw gedrag niet af op deze wereld. Laat u omvormen door uw wijze van denken te vernieuwen. Dan bent u in staat om uit te maken wat God van u wil, ...” (Rom. 12, 2). De twee beslissende woorden in deze passage zijn: “omvormen” en “vernieuwen”. We dienen nieuwe mensen te worden wiens bestaan omgevormd is tot een nieuw bestaan. De wereld is steeds op zoek naar het nieuwe omdat ze terecht steeds ontevreden is over de concrete wereld. Paulus zegt ons: de wereld kan niet vernieuwd worden zonder nieuwe mensen. Enkel indien er nieuwe mensen zullen zijn, zal er ook een nieuwe wereld, een vernieuwde en betere wereld zijn. Aan het begin staat de vernieuwing van de mens. Dit geldt voor elkéén afzonderlijk. Enkel indien wij zelf nieuw worden, wordt de wereld nieuw. Dit betekent ook dat de aanpassing aan de huidige situatie niet volstaat. De Apostel roept ons op tot een non-conformisme.

In onze Brief wordt gezegd: zich niet onderwerpen aan het schema van de huidige tijd. Op dit punt zullen we moeten terugkeren wanneer we nadenken over de tweede tekst die ik vandaag met jullie wil overwegen. Het “neen” van de Apostel is duidelijk en ook overtuigend voor ieder die het “schema” van onze wereld gadeslaat. Maar nieuw worden – hoe kan men dit doen? Zijn we daar werkelijk toe in staat? Met de uitdrukking over het “nieuw worden”, verwijst Paulus naar zijn eigen bekering: naar zijn ontmoeting met de verrezen Christus, een ontmoeting waarvan hij in de Tweede Brief aan de Korinthiërs zegt: “Zo is dus wie in Christus is, een nieuwe schepping: het oude is voorbij, het nieuwe is al gekomen.” (2 Kor. 5, 17). Deze ontmoeting met Christus was voor hem een zodanige ommekeer dat hij erover zegt: “Ik ben gestorven” (Gal. 2, 19) Vgl. Rom. 6 . Hij is nieuw geworden, een ander iemand omdat hij niet meer voor zichzelf en krachtens zichzelf leeft, maar door Christus en in Hem. In de loop der jaren heeft hij echter ook gezien dat dit proces van vernieuwing en omvorming geheel het leven verder gaat. Wij worden nieuw, indien wij ons laten grijpen en omvormen door de nieuwe Mens Jezus Christus. Hij is de nieuwe Mens bij uitstek. In Hem is het nieuwe menselijke bestaan werkelijkheid geworden en wij kunnen niet waarlijk nieuw worden indien wij ons niet aan Zijn handen toevertrouwen en ons door Hem laten omvormen.

Paulus verduidelijkt dit proces van “omsmelting” nog meer wanneer hij zegt dat wij nieuw worden door onze wijze van denken om te vormen. Wat hier vertaald is geworden met “wijze van denken” is de Griekse term “nous”. Dit is een complex woord. Het kan vertaald worden met “geest”, “gevoelens”, “verstand” en inderdaad ook met “wijze van denken”. Ons verstand moet nieuw worden. Dit verbaast ons. We zouden misschien verwacht hebben dat het eerder te maken had met een houding: wat wij in ons handelen moeten veranderen. Maar neen: de vernieuwing moet tot het einde toe gaan. Onze wijze om naar de wereld te kijken, om de werkelijkheid te begrijpen – geheel ons denken dient zich te wijzigen te beginnen met het fundament. Het denken van de oude mens, de gewone wijze van denken is in het algemeen gericht op het bezit, het welzijn, de invloed, het succes, de faam etc. Maar op deze wijze heeft de oude mens een te zeer beperkte draagwijdte. Uiteindelijk blijft zo enkel het eigen “ik” als centrum van de wereld. We moeten leren om op een diepere wijze te denken. Wat dit betekent zegt Sint-Paulus ons in het tweede deel van de zin: we moeten de wil van God leren begrijpen zodanig dat deze wil onze wil omvormt. Zo willen wij wat God wil omdat wij herkennen dat wat God wil het mooie en het goede is. Het gaat dus om een ommekeer van onze diepste geestelijke oriëntatie. God moet binnentreden in de horizon van ons denken: wat Hij wil en de wijze waarop Hij de wereld en mezelf gedacht heeft. We moeten leren deel te hebben aan het denken en het willen van Jezus Christus. Het is dan dat wij nieuwe mensen zullen worden waaruit een nieuwe wereld zal ontstaan.
Paulus heeft verder deze gedachte van een noodzakelijke vernieuwing van onze menselijke persoon toegelicht in twee passages in de Brief aan de Efeziërs, waarop wij nog kort willen ingaan. In het vierde hoofdstuk van de Brief zegt de Apostel ons dat mét Christus wij de volwassen leeftijd moeten bereiken, een volwassen mensheid. Wij kunnen niet meer “kleine kinderen zijn, heen en weer geslingerd en meegesleurd door windvlaag, ik bedoel, elke leer...” (Ef. 4, 14). Paulus verlangt dat de christenen een “verantwoordelijk” geloof, een “volwassen geloof” hebben.

De uitdrukking “volwassen geloof” is in de laatste decennia een wijdverspreide slogan geworden. Vaak bedoelt men hiermee een houding van diegene die niet meer luistert naar de Kerk en haar Herders maar autonoom kiest wat hij wil geloven en niet geloven – een geloof “dat jij maakt” dus. En men stelt het voor als “moed” om zich uit te drukken tegen het Leergezag van de Kerk. In werkelijkheid is hiervoor geen moed nodig omdat men altijd verzekert kan zijn van het applaus van het publiek. Moed is er veeleer nodig om het geloof van de Kerk aan te hangen, ook indien dit in tegenstrijd is met het “schema” van de huidige wereld. Het is dít non-conformisme van het geloof dat Paulus een “volwassen geloof” noemt. Hij beschouwt daarentegen als kinderlijk het nalopen van de wind en de stromingen van de tijd. Zo maakt bv. deel uit van het volwassen geloof het zich inzetten voor de onschendbaarheid van het menselijk leven vanaf het eerste moment en zich hierdoor radicaal te verzetten tegen het principe van het geweld, precies ook in de bescherming van de meest weerloze menselijke schepselen. Het maakt deel uit van het volwassen geloof het huwelijk tussen een man en een vrouw voor geheel het leven te herkennen als een regel van de Schepper, nieuw heringesteld door Christus. Het volwassen geloof laat zich niet meesleuren naar hier en naar daar door één of andere stroming. Zij zet zich af tegen de windvlagen van de mode. Het weet dat deze windvlagen niet de adem van de Heilige Geest zijn; het weet dat de Geest van God zich uitdrukt en zich toont in gemeenschap met Jezus Christus. Nochtans blijft ook hier Paulus niet stilstaan bij de ontkenning maar hij leidt ons naar het grote “ja”. Hij beschrijft het volwassen geloof, waarlijk volwassen op positieve manier met de uitdrukking: “handelen volgens de waarheid in liefde” Vgl. Ef. 4, 15 . De nieuwe wijze van denken, ons gegeven door het geloof, richt zich allereerst naar de waarheid. De macht van het kwaad is de leugen. De macht van het geloof, de macht van God is de waarheid. De waarheid over de wereld en over onszelf toont zich wanneer wij naar God kijken. En God toont zich aan ons in het gelaat van Jezus Christus. Door naar Christus te kijken herkennen wij een laatste zaak: waarheid en liefde zijn onafscheidelijk. In God zijn beiden onlosmakelijk één en dezelfde zaak: en dit is precies het wezen van God. Daarom gaan voor de christenen waarheid en liefde samen. De liefde is het bewijs van de waarheid. Altijd opnieuw zullen wij moeten gemeten worden volgens dit criterium: dat de waarheid liefde wordt en de liefde ons waarheidlievend maakt.

In deze zin van Sint-Paulus komt nog een andere belangrijke gedachte naar boven. De Apostel zegt ons dat, handelend volgens de waarheid in liefde, wij ertoe bijdragen dat alles - het heelal - toegroeit naar Christus. Op basis van zijn geloof is Paulus niet enkel geïnteresseerd in onze persoonlijke rechtheid en de groei van de Kerk. Hij is geïnteresseerd in het heelal: ta pánta. Het uiteindelijke doel van het werk van Christus is het heelal - de omvorming van het heelal, van geheel de menselijke wereld, van geheel de schepping. Wie samen met Christus de waarheid dient in liefde, draagt bij tot de ware vooruitgang van de wereld. Inderdaad, het is hier heel duidelijk dat Paulus de idee van vooruitgang kent. Christus, Zijn leven, lijden en verrijzen was de ware grote sprong van vooruitgang voor de mensheid, voor de wereld. Nu echter moet het heelal groeien met het oog op Hem. Waar de aanwezigheid van Christus groeit, daar is de ware vooruitgang van de wereld. Daar wordt de mens nieuw en wordt zo de wereld nieuw.
Paulus maakt ons ditzelfde ook nog duidelijk vanuit een ander gezichtspunt. In het derde hoofdstuk van de Brief aan de Efeziërs spreekt hij ons over de noodzaak om “versterkt te worden in het innerlijke van de mens” (Ef. 3, 16). Hiermee herneemt hij een argument dat hij eerder, in een kwellende situatie, behandeld had in de Tweede Brief aan de Korinthiërs: “Al gaan wij ook ten onder naar de uitwendige mens, ons innerlijk leven vernieuwt zich van dag tot dag.” (2 Kor. 4, 16). De inwendige mens moet zich versterken – dit is een zeer gepaste eis voor onze tijd waarin de mens zo vaak innerlijk leeg blijft en daarom zich vastklemt aan beloften en drugs, die vervolgens het gevoelen van leegte in hun binnenste nog doen groeien. De innerlijke leegte – de zwakheid van de inwendige mens – is één van de grote problemen van onze tijd. De inwendigheid moet versterkt worden – het waarnemen van het hart; het vermogen om van binnenuit, met het hart de wereld en de mens te zien en te begrijpen. We hebben nood aan een verstand dat verlicht is door het hart om zo te leren handelen volgens de waarheid in liefde. Dit kan men echter niet realiseren zonder een intieme verhouding met God, zonder een leven van gebed. We hebben nood aan de ontmoeting met God die ons gegeven wordt in de Sacramenten. En we kunnen niet met God spreken in het gebed indien we niet eerst Hemzelf laten spreken, indien wij niet luisteren naar het woord dat Hij ons gegeven heeft. Paulus zegt ons hieromtrent: “Christus woont door het geloof in uw hart en op deze wijze, geworteld en gegrondvest in de liefde, moogt gij in staat zijn mét alle heiligen te vatten, wat de breedte en lengte en hoogte en diepte is en te kennen de liefde van Christus die alle kennis te boven gaat.” (Ef. 3, 17, e.v.). De liefde ziet vérder dan het eenvoudige verstand, dat is het wat Paulus ons zegt met deze woorden. En hij zegt ons ook nog dat enkel in gemeenschap met alle heiligen, d.w.z. in de grote gemeenschap van alle gelovigen - en niet tegen of zonder deze gemeenschap – wij de onmetelijkheid van het mysterie van Christus kunnen kennen. Hij omschrijft deze onmetelijkheid met woorden die uitdrukking willen geven aan de dimensies van de kosmos: breedte, lengte, hoogte en diepte. Het mysterie van Christus heeft een kosmische onmetelijkheid: Hij behoort niet enkel tot één bepaalde groep. De gekruisigde Christus omarmt het gehele universum in al zijn dimensies. Hij neemt de wereld in Zijn handelen en draagt deze naar omhoog, naar God. Te beginnen met Irenaeus van Lyon – dus aan het einde van de 2e eeuw – hebben de Vaders in deze woorden ‘ breedte, lengte, hoogte en diepte’ in verband met de liefde van Christus een verwijzing gezien naar het Kruis. De liefde van Christus heeft in het Kruis de laagste diepte – de nacht van de dood – en de hoogste verhevenheid – de verheffing van God zelf, omarmt. En Hij heeft de volheid en de onmetelijkheid van de mensheid en de wereld met al hun afstanden in zijn armen genomen. Altijd omarmt Hij het heelal – wij allen.
Bidden wij de Heer opdat Hij ons helpt om iets van de onmetelijkheid van Zijn liefde te herkennen. Bidden wij tot Hem opdat Zijn liefde en Zijn waarheid ons hart moge raken. Vragen wij dat Christus in onze harten woont en ons tot nieuwe mensen maakt die handelen volgens de waarheid in liefde. Amen!

Document

Naam: EERSTE VESPERS VAN HET HOOGFEEST VAN DE HEILIGE APOSTELEN PETRUS EN PAULUS TER GELEGENHEID VAN DE AFSLUITING VAN HET PAULUSJAAR
Pauselijke Basiliek Sint-Paulus buiten de Muren
Soort: Paus Benedictus XVI - Homilie
Auteur: Paus Benedictus XVI
Datum: 28 juni 2009
Copyrights: © 2009, Libreria Editrice Vaticana
Vertaling uit het Italiaans: Jörgen Vijgen
Alineaverdeling en -nummering: redactie
Bewerkt: 7 november 2019

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2019, Stg. InterKerk, Schiedam