• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x
De bedienaar van het Boetesacrament is alleen de priester.
§ 1 Voor de geldige absolutie van zonden is vereist dat de bedienaar, behalve de Wijdingsmacht, ook de bevoegdheid heeft om die uit te oefenen over de gelovigen aan wie hij de absolutie schenkt.

§ 2 Deze bevoegdheid kan gegeven worden aan een priester hetzij van rechtswege hetzij door de bevoegde overheid volgens can. 969.

§ 1 Naast de Paus bezitten de Kardinalen van rechtswege de bevoegdheid om overal ter wereld biecht te horen van christengelovigen; eveneens de Bisschoppen, die hiervan ook overal geoorloofd gebruik maken, tenzij de diocesane Bisschop dit in een bijzonder geval verboden heeft.

§ 2 Zij die de bevoegdheid bezitten om habitueel biecht te horen, hetzij krachtens hun ambt hetzij krachtens verlening door de Ordinaris van de plaats van incardinatie of van de plaats waar zij domicilie hebben, kunnen deze bevoegdheid overal uitoefenen, tenzij de plaatselijke Ordinaris dit in een bijzonder geval verboden heeft, met inachtneming van de voorschriften van can. 974, §§2 en 3.

§ 3 Van rechtswege genieten zij die krachtens hun ambt of door verlening door de bevoegde Overste volgens de canones 968, § 2 en 969, § 2 over de bevoegdheid beschikken om biecht te horen, diezelfde bevoegdheid overal ten aanzien van de leden en van anderen die dag en nacht in een huis van het instituut of de sociëteit verblijven; zij maken er ook geoorloofd gebruik van, tenzij een hogere Overste dit in een bijzonder geval ten aanzien van zijn eigen onderdanen geweigerd heeft.

§ 1 Krachtens hun ambt bezitten de bevoegdheid om de biecht te horen, ieder voor zijn gebied, de plaatselijke Ordinaris, de kanunnik-penitencier, en eveneens de pastoor en de anderen die de plaats van de pastoor innemen.
§ 2 Krachtens hun ambt bezitten de bevoegdheid om biecht te horen van hun onderdanen en van anderen die dag en nacht in hun huis verblijven, de Oversten van een religieus instituut of van een sociëteit van apostolisch leven, als zij clericaal en van pauselijk recht zijn, die volgens hun constituties uitvoerende bestuursmacht genieten, met inachtneming van het voorschrift van can. 630, § 4.

§ 1 Alleen de plaatselijke Ordinaris is bevoegd om aan iedere priester bevoegdheid te verlenen tot biechthoren van iedere gelovige; priesters echter die lid zijn van religieuze instituten, mogen van deze bevoegdheid geen gebruik maken zonder het ten minste verondersteld verlof van hun Overste.
§ 2 De Overste van een religieus instituut of van een sociëteit van apostolisch leven, over wie in can. 968, § 2, is bevoegd om aan iedere priester de bevoegdheid te verlenen om biecht te horen van zijn onderdanen en van anderen die dag en nacht in zijn huis verblijven.

De bevoegdheid om biecht te horen mag niet verleend worden tenzij aan priesters die door een examen geschikt bevonden zijn of wier geschiktheid anderszins vaststaat.
De plaatselijke Ordinaris mag de bevoegdheid om habitueel biecht te horen niet verlenen aan een priester, ook al heeft deze zijn domicilie of quasi-domicilie in zijn gebied, tenzij hij vooraf, in zover dit mogelijk is, de Ordinaris van deze priester gehoord heeft.

De bevoegdheid om biecht te horen kan door de bevoegde overheid vermeld in can. 969, verleend worden voor onbepaalde of voor bepaalde tijd.

De bevoegdheid om habitueel biecht te horen dient schriftelijk verleend te worden.

§ 1 De plaatselijke Ordinaris en eveneens de bevoegde Overste mogen de door hen verleende bevoegdheid om habitueel biecht te horen niet herroepen tenzij om een ernstige reden.
§ 2 Indien de bevoegdheid om biecht te horen, verleend door de in can. 967, § 2 vermelde plaatselijke Ordinaris, door deze herroepen wordt, verliest de priester deze bevoegdheid overal; indien dezelfde bevoegdheid door een andere plaatselijke Ordinaris herroepen wordt, verliest hij deze alleen in het ambtsgebied van degene die haar herroept.
§ 3 Iedere plaatselijke Ordinaris die de bevoegdheid om biecht te horen van een of andere priester herroepen heeft, dient de Ordinaris die op grond van incardinatie de eigen Ordinaris van de priester is, hiervan te verwittigen of, indien de priester lid in van een religieus instituut, diens bevoegde Overste.
§ 4 Wanneer de bevoegdheid om biecht te horen door de eigen hogere Overste herroepen is, verliest de priester overal ten aanzien van de leden van het instituut de bevoegdheid om biecht te horen; maar wanneer deze zelfde bevoegdheid door een andere bevoegde Overste herroepen is, verliest hij deze alleen ten aanzien van onderdanen in diens gebied.

Behalve door herroeping houdt de bevoegdheid waarover in can. 967, § 2, ook op door het verlies van ambt of door excardinatie of verlies van domicilie.
Iedere priester, zelfs al heeft hij geen bevoegdheid om Biecht te horen, absolveert geldig en geoorloofd iedere boeteling die in stervensgevaar verkeert, van elke censuur en zonde, ook al is een bevoegd priester aanwezig.
De absolutie van een medeplichtige in een zonde tegen het zesde gebod van de Catechismus-Compendium
Tien Geboden
()
is ongeldig, behalve in stervensgevaar.
§ 1 De priester dient bij het biechthoren te bedenken dat hij tegelijk als rechter en als geneesheer optreedt, en dat hij door God aangesteld is tot bedienaar zowel van de goddelijke gerechtigheid als barmhartigheid om zorg te dragen voor de eer van God en het zieleheil.
§ 2 Bij het bedienen van het sacrament moet de biechtvader, als bedienaar van de Kerk, zich trouw houden aan de leer van het Leergezag en aan de door de bevoegde overheid uitgevaardigde normen.

De priester dient bij het stellen van vragen voorzichtig en discreet te werk te gaan, rekening houdend met de situatie en de leeftijd van de boeteling; naar de naam van een medeplichtige mag hij niet vragen.

Indien er voor de biechtvader geen twijfel bestaat omtrent de gesteltenis van de boeteling en deze de absolutie vraagt, mag deze niet geweigerd noch uitgesteld worden.
Overeenkomstig de aard en het getal van de zonden, maar rekening houdend met de situatie van de boeteling, dient de biechtvader een heilzame en passende penitentie op te leggen; de boeteling is verplicht deze persoonlijk te volbrengen.
Wie belijdt een biechtvader die niet schuldig is, bij de kerkelijke overheid ten onrechte te hebben aangeklaagd op grond van de misdaad van aanzetten tot een zonde tegen het zesde gebod van de Catechismus-Compendium
Tien Geboden
()
, mag niet geabsolveerd worden, tenzij hij vooraf de valse aanklacht formeel ingetrokken heeft en bereid is eventuele schade te herstellen.
§ 1 Het biechtgeheim is onschendbaar; daarom is het de biechtvader ten strengste verboden met woorden of op welke andere wijze en om welke reden ook over de boeteling ook maar iets bekend te maken.

§ 2 Tot de verplichting om het geheim te bewaren zijn ook gehouden een eventuele tolk en alle anderen, die op welke wijze ook uit een belijdenis zonden te weten zijn gekomen.

§ 1 De biechtvader is het volstrekt verboden van de kennis uit een belijdenis verkregen, gebruik te maken op een wijze die bezwarend is voor de boeteling, ook al is elk gevaar van bekendmaking uitgesloten.
§ 2 Wie in een gezagsfunctie aangesteld is, mag op geen enkele wijze voor het uitwendig bestuur gebruik maken van kennis over zonden die hij, wanneer ook, uit een belijdenis heeft verkregen.
De novicenmeester en zijn socius, de rector van een seminarie of van een ander opleidingsinstituut mogen geen biecht horen van hun leerlingen die in hetzelfde huis wonen, tenzij deze in bijzondere gevallen uit eigen beweging erom vragen.
§ 1 Iedereen aan wie krachtens zijn ambt zielzorg opgedragen is, heeft de plicht ervoor te zorgen dat van de hem toevertrouwde gelovigen, die dit redelijkerwijze vragen, de Biecht gehoord wordt, en dat hun de gelegenheid geboden wordt op vastgestelde dagen en uren die hun schikken, een persoonlijke biecht te spreken.
§ 2 In geval van dringende noodzaak is iedere biechtvader verplicht de Biecht van christengelovigen te horen, en in stervensgevaar iedere priester.

Document

Naam: CODEX IURIS CANONICI
Codex van het Canonieke recht
Soort: Wetboek
Auteur: Aucturitate Ioannis Pauli PP. II
Datum: 25 januari 1983
Copyrights: © www.kerkrecht.nl
Aan de hier gepubliceerde versie kunnen geen rechten ontleend worden
Bewerkt: 13 september 2019

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
Trefwoordenlijst voor dit document
 
|
Pagina delen: 
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2019, Stg. InterKerk, Schiedam