• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

§ 1 Als door het feit zelf uit het instituut weggezonden moet beschouwd worden een lid dat:

  1. op publiek gekende wijze van het katholiek geloof afgevallen is;
  2. een huwelijk gesloten heeft of dit, ook louter burgerlijk, gewaagd heeft.
  3. onwettig afwezig is uit het religieus huis, zoals gesteld in Wetboek
    Codex Iuris Canonici
    Codex van het Canonieke recht
    (25 januari 1983)
    , rekening houdend met de onbereikbaarheid van de religieus zelf.

§ 2 In deze gevallen dient de hogere Overste met zijn raad zonder enig uitstel, nadat het bewijsmateriaal bijeen gebracht is, een vaststelling van het feit uit te vaardigen, opdat de wegzending juridisch vaststaat.

§ 3. Opdat een dergelijke vaststelling, als bedoeld in § 1 nr. 3, juridisch vaststaat, moet deze door de Heilige Stoel bevestigd worden; voor de instellingen van diocesaan recht is de bevestiging aan de bisschop van de hoofdzetel.

Zie ook:

Onderstreept is toegevoegd bij Motu Proprio Paus Franciscus - Motu Proprio
Communis Vita
Leven in gemeenschap
(19 maart 2019)
 van 19-03-2019 van Paus Franciscus en geldig vanaf 10 april 2019.

§ 1 Een lid moet weggezonden worden wegens de misdrijven waarover in de canones 1397, 1398 en 1395, tenzij de Overste bij de misdrijven waarover in can. 1395, § 2, van oordeel is dat wegzending niet volstrekt noodzakelijk is en dat voor de verbetering van het lid en voor het herstel van de rechtvaardigheid en het wegnemen van ergernis op andere wijze voldoende gezorgd kan worden.

§ 2 In deze gevallen dient de hogere Overste, nadat de bewijzen betreffende de feiten en de toerekenbaarheid bijeengebracht zijn, aan het weg te zenden lid de beschuldiging te betekenen, waarbij hem de mogelijkheid gegeven wordt zich te verdedigen. Alle akten, door de hogere Overste en een notarius ondertekend, dienen tegelijk met de antwoorden van het lid, op schrift gesteld en door het lid zelf ondertekend, aan de hoogste Bestuurder overgemaakt te worden.

§ 1 Een lid kan ook wegens andere gronden weggezonden worden, mits deze ernstig zijn, uitwendig, aanrekenbaar en juridisch bewezen, zoals: een voortdurende verwaarlozing van de verplichtingen van het gewijd leven; herhaalde schendingen van de gewijde banden; hardnekkige ongehoorzaamheid aan wettige voorschriften van de Oversten in ernstige aangelegenheden; zware ergernis ontstaan uit een schuldige handelwijze van het lid; hardnekkig vasthouden aan of verspreiden van doctrines die door het leergezag van de Kerk veroordeeld zijn; publiek aanhangen van ideologieën die aangetast zijn door materialisme of atheïsme; onwettige afwezigheid waarover in can. 665, § 2 gedurende een half jaar; andere gronden van gelijke zwaarte mogelijk in het eigen recht van het instituut bepaald.
§ 2 Voor de wegzending van een lid met tijdelijke geloften volstaan ook gronden van minder ernstige aard, in het eigen recht vastgesteld.

In de gevallen waarover in can. 696, dient de hogere Overste, na het horen van zijn raad, als hij van oordeel is een wegzendingsproces te moeten beginnen, het volgende te doen:
  1. hij dient de bewijzen te verzamelen of te vervolledigen;
  2. hij dient het lid schriftelijk of in aanwezigheid van twee getuigen te waarschuwen met de expliciete dreiging dat wegzending zal volgen als hij niet tot inkeer komt, waarbij hij duidelijk de reden van wegzending aangeeft en het lid ten volle de mogelijkheid biedt zich te verdedigen; als deze waarschuwing tevergeefs is, dient hij, na een tussentijd van ten minste vijftien dagen, tot een tweede waarschuwing over te gaan;
  3. als ook deze waarschuwing tevergeefs geweest is en de hogere Overste met zijn raad van oordeel is dat de onverbeterlijkheid van het lid voldoende vaststaat en dat zijn verdediging ontoereikend is, dient hij, nadat vijftien dagen sinds de laatste waarschuwing vruchteloos verstreken zijn, alle akten, door hem zelf en door een notarius ondertekend, samen met de antwoorden van het lid, door het lid zelf ondertekend, aan de hoogste Bestuurder over te maken.
In alle gevallen waarover in de canones 695 en 696, blijft steeds onverminderd het recht van het lid om in contact te treden met de hoogste Bestuurder en zijn verdediging rechtstreeks aan hem voor te leggen.
§ 1 De hoogste Bestuurder dient met zijn raad, die voor de geldigheid uit ten minste vier leden moet bestaan, als college te werk te gaan om de bewijzen, de argumenten en de verdediging nauwkeurig af te wegen en, indien daartoe bij geheime stemming beslist is, het wegzendingsdecreet uit te vaardigen, waarin voor de geldigheid ten minste summier de motieven in rechte en in feite aangegeven moeten zijn.

§ 2 In de rechtens zelfstandige kloosters waarover in can. 615, komt de beslissing over wegzending toe aan de diocesane Bisschop, aan wie de Overste de akten, nadat die door zijn raad nauwkeurig beoordeeld zijn, dient voor te leggen.

Het wegzendingsdecreet heeft geen rechtskracht tenzij het bekrachtigd is door de Heilige Stoel, aan wie het decreet en alle akten overgemaakt moeten worden; als het gaat over een instituut van diocesaan recht, komt de bekrachtiging toe aan de Bisschop van het bisdom waar het huis gelegen is waartoe de religieus behoort. Het decreet moet echter, om geldig te zijn, het recht vermelden dat de weggezondene heeft, om binnen tien dagen na ontvangst van de kennisgeving in beroep te gaan bij de bevoegde overheid. Het beroep heeft opschortende werking.
Met de wettige wegzending houden door het feit zelf de geloften op te bestaan alsook de rechten en verplichtingen voortvloeiend uit de professie. Als het lid echter clericus is, kan hij de heilige wijdingen niet uitoefenen, totdat hij een Bisschop gevonden heeft die hem na een passende proeftijd in het bisdom overeenkomstig can. 693 opneemt, of hem ten minste de uitoefening van de heilige wijdingen toestaat.
§ 1 Zij die wettig uit een religieus instituut treden of er wettig uit weggezonden zijn, kunnen niets terugvorderen voor welk werk ook daarin verricht.
§ 2 Het instituut dient echter jegens het lid met wie de band beëindigd wordt, de billijkheid en de evangelische liefde in acht te nemen.
In geval van zware ergernis naar buiten of van zeer ernstig nadeel dat voor het instituut dreigt, kan het lid onmiddellijk door de hogere Overste, of, als uitstel gevaarlijk is, door de plaatselijke Overste met toestemming van zijn raad uit het religieus huis verwijderd worden. De hogere Overste dient, als het nodig is, ervoor te zorgen dat de wegzendingsprocedure volgens het recht in gang gezet wordt, of de zaak aan de Apostolische Stoel voor te leggen.
Van leden wier band met het instituut op enigerlei wijze beëindigd is, dient melding gemaakt te worden in het rapport waarover in can. 592, § 1, dat aan de Apostolische Stoel toegezonden moet worden.

Document

Naam: CODEX IURIS CANONICI
Codex van het Canonieke recht
Soort: Wetboek
Auteur: Aucturitate Ioannis Pauli PP. II
Datum: 25 januari 1983
Copyrights: © www.kerkrecht.nl
Aan de hier gepubliceerde versie kunnen geen rechten ontleend worden
Bewerkt: 7 november 2019

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
Trefwoordenlijst voor dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2019, Stg. InterKerk, Schiedam