• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x
§ 1 De hoogste Bestuurder kan, met toestemming van zijn raad, aan een lid met geloften voor het leven om een ernstige reden een exclaustratie-indult verlenen, maar niet voor langer dan drie jaar, en na vooraf verkregen toestemming van de Ordinaris van de plaats waar het lid verblijven moet, als het over een clericus gaat. Het verlengen van het indult of het verlenen ervan voor langer dan drie jaar is voorbehouden aan de Heilige Stoel of, als het gaat over instituten van diocesaan recht, aan de diocesane Bisschop.
§ 2 Een exclaustratie-indult voor monialen verlenen, komt alleen toe aan de Apostolische Stoel.
§ 3 Op verzoek van de hoogste Bestuurder en met toestemming van zijn raad kan door de Heilige Stoel exclaustratie opgelegd worden aan een lid van een instituut van pauselijk recht, of door de diocesane Bisschop aan een lid van een instituut van diocesaan recht, om ernstige redenen en met inachtneming van de billijkheid en de liefde.
Het geëxclaustreerde lid geldt als ontslagen van de verplichtingen die met zijn nieuwe levenssituatie niet te verenigen zijn; hij blijft evenwel onder het gezag en de zorg van zijn Oversten en ook van de plaatselijke Ordinaris, vooral als het over een clericus gaat. Hij kan de kleding van het instituut dragen, tenzij in het indult iets anders bepaald wordt. Hij heeft echter actief noch passief stemrecht.
§ 1 Wie na het verstrijken van de tijd van de professie uit het instituut wil treden, kan het verlaten.
§ 2 Wie tijdens de tijdelijke professie om een ernstige reden vraagt het instituut te verlaten, kan in een instituut van pauselijk recht het indult om uit te treden verkrijgen van de hoogste Bestuurder met toestemming van zijn raad; in instituten van diocesaan recht en in kloosters waarover in can. 615, moet het indult, om geldig te zijn, bevestigd worden door de Bisschop van het huis waartoe het lid behoort.
§ 1 Een lid kan na verstrijken van de tijd van de tijdelijke professie, als er goede redenen aanwezig zijn, door de bevoegde hogere Overste, nadat deze zijn raad gehoord heeft, van het afleggen van een volgende professie uitgesloten worden.
§ 2 Een lichamelijke of geestelijke ziekte, ook als ze na de professie opgelopen is, die naar het oordeel van deskundigen het lid waarover in § 1, ongeschikt maakt voor het leven in het instituut, vormt een reden om het lid niet toe te laten tot de hernieuwing van de professie of tot het afleggen van de professie voor het leven, tenzij de ziekte opgelopen is door nalatigheid van het instituut of door werk in het instituut verricht.
§ 3 Als echter een religieus gedurende zijn tijdelijke geloften geestesziek geworden is, kan hij, ofschoon hij geen nieuwe professie kan afleggen, toch niet uit het instituut weggezonden worden.
§ 1 Wie na beëindiging van het noviciaat of na de professie op wettige wijze uit het instituut getreden is, kan door de hoogste Bestuurder met toestemming van zijn raad opnieuw toegelaten worden, zonder de verplichting het noviciaat opnieuw door te maken; het zal echter de taak van deze Overste zijn een passende proeftijd te bepalen voor de tijdelijke professie, alsmede de tijd van de geloften die aan het afleggen van de professie voor het leven vooraf moet gaan, volgens de canones 655 en 657.
§ 2 Dezelfde bevoegdheid heeft de Overste van een rechtens zelfstandig klooster met toestemming van zijn raad.
§ 1 De geprofeste met geloften voor het leven mag het indult om uit het instituut te treden niet vragen, tenzij om zeer ernstige redenen die hij voor de Heer overwogen heeft; hij dient zijn verzoek te richten aan de hoogste Bestuurder van het instituut, die dit samen met zijn eigen oordeel en dat van zijn raad aan de bevoegde overheid dient over te brengen.
§ 2 Dit indult is in instituten van pauselijk recht voorbehouden aan de Apostolische Stoel, maar in instituten van diocesaan recht kan dit ook verlenen de Bisschop van het bisdom waarin het huis gelegen is waartoe het lid behoort.
Het indult om uit te treden, wettig verleend en aan het lid betekend, brengt, tenzij het door het lid zelf bij de akt van betekening afgewezen is, van rechtswege dispensatie van de geloften met zich mee alsook van alle verplichtingen voortgekomen uit de professie.
Als het lid clericus is, wordt het indult niet verleend voordat hij een Bisschop gevonden heeft die hem in zijn bisdom incardineert of ten minste bij wijze van proef opneemt. Als hij bij wijze van proef wordt opgenomen, wordt hij na vijf jaar van rechtswege in het bisdom geïncardineerd, tenzij de Bisschop hem afgewezen heeft.

Document

Naam: CODEX IURIS CANONICI
Codex van het Canonieke recht
Soort: Wetboek
Auteur: Aucturitate Ioannis Pauli PP. II
Datum: 25 januari 1983
Copyrights: © www.kerkrecht.nl
Aan de hier gepubliceerde versie kunnen geen rechten ontleend worden
Bewerkt: 13 september 2019

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
Trefwoordenlijst voor dit document
 
|
Pagina delen: 
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2019, Stg. InterKerk, Schiedam