• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x
De religieuzen dienen het volgen van Christus, in het Evangelie voorgesteld en in de constituties van het eigen instituut uitgedrukt, als hoogste levensregel te beschouwen.
§ 1 De beschouwing van de goddelijke werkelijkheden en de voortdurende vereniging met God in het gebed dienen de eerste en belangrijkste plicht van alle religieuzen te zijn.
§ 2 De leden dienen naar vermogen dagelijks deel te nemen aan het eucharistisch Offer, het allerheiligste Lichaam van Christus te ontvangen en de Heer zelf, tegenwoordig in het Sacrament, te aanbidden.
§ 3 Zij dienen tijd vrij te maken voor de lezing van de heilige Schrift en voor het inwendig gebed, overeenkomstig de voorschriften van het eigen recht op waardige wijze de liturgie van de getijden te vieren, onverminderd de verplichting voor clerici, waarover in can. 276, § 2, nr.3, en andere oefeningen van vroomheid te verrichten.
§ 4 Zij dienen een bijzondere verering te betonen, ook door het bidden van de rozenkrans, voor de Maagd en Moeder Gods, voorbeeld en bescherming van elk gewijd leven.
§ 5 Zij dienen trouw de jaarlijkse perioden van gewijde afzondering in acht te nemen.
De religieuzen dienen zich met ijver toe te leggen op de bekering van het hart tot God, ook dagelijks hun geweten te onderzoeken en dikwijls tot het Boetesacrament te naderen.

§ 1 De religieuzen dienen in een eigen religieus huis te wonen, het gemeenschappelijk leven onderhoudend, en zij mogen dit niet verlaten tenzij met verlof van hun Overste. Als het echter gaat om een langdurige afwezigheid van het huis, kan de hogere Overste met de toestemming van zijn raad en om een goede reden aan een lid toestaan om buiten het huis van het instituut te verblijven, maar niet langer dan een jaar, tenzij omwille van de behandeling van een ziekte, om studieredenen of omwille van het uitoefenen van apostolaat namens het instituut.
§ 2 Het lid dat onwettig uit het religieus huis afwezig is met de bedoeling zich aan het gezag van de Oversten te onttrekken, dient met bezorgdheid door hen gezocht en geholpen te worden om terug te keren en in zijn roeping te volharden.

Bij het gebruik van de sociale communicatiemiddelen dient de nodige onderscheiding in acht genomen te worden, en dient vermeden te worden wat schadelijk is voor de eigen roeping en gevaarlijk voor de kuisheid van een gewijd persoon.
§ 1 In alle huizen dient een clausuur, aangepast aan de aard en de zending van het instituut, onderhouden te worden overeenkomstig de bepalingen van het eigen recht, waarbij een bepaald gedeelte van het religieus huis steeds voor de leden alleen gereserveerd blijft.
§ 2 Een meer strikte clausuurordening moet onderhouden worden in kloosters gericht op het contemplatief leven.
§ 3 De kloosters van monialen die volledig op het contemplatief leven gericht zijn, moeten de pauselijke clausuur onderhouden, namelijk overeenkomstig de normen door de Apostolische Stoel gegeven. De overige kloosters van monialen dienen een clausuur te onderhouden die aangepast is aan de eigen aard en vastgelegd in de constituties.
§ 4 De diocesane Bisschop is bevoegd om een goede reden de clausuur van de kloosters van monialen, die in zijn bisdom gelegen zijn, binnen te gaan en toe te staan dat, om een ernstige reden en met instemming van de Overste, anderen binnen de clausuur toegelaten worden, en dat de monialen de clausuur verlaten voor de tijd die werkelijk nodig is.
§ 1 De leden dienen voor hun eerste professie van het beheer van hun goederen afstand te doen aan wie zij willen, en, tenzij de constituties anders bepalen, ook vrij een beschikking te treffen over het gebruik en het vruchtgebruik ervan. Een testament echter, dat ook geldig dient te zijn in het burgerlijk recht, dienen zij ten minste voor de professie voor het leven te maken.
§ 2 Om deze beschikkingen om een goede reden te veranderen en om wat voor handeling ook betreffende tijdelijke goederen te stellen, hebben zij verlof nodig van de bevoegde Overste volgens het eigen recht.
§ 3 Alles wat een religieus verwerft door eigen werkzaamheid of omwille van het instituut, verwerft hij voor het instituut. Hetgeen hem op welke wijze ook krachtens een uitkering, toelage of verzekering toekomt, wordt voor het instituut verkregen, tenzij door het eigen recht iets anders bepaald wordt.
§ 4 Wie krachtens het wezen van het instituut volledig afstand moet doen van zijn goederen, dient deze afstand, die vanaf de dag van het afleggen van de professie geldig zal zijn, voor de professie voor het leven te doen, op een wijze die, voor zover mogelijk, ook voor het burgerlijk recht geldig is. Hetzelfde dient te doen de geprofeste voor het leven die volgens het eigen recht met verlof van de algemene Overste geheel of gedeeltelijk afstand wil doen van zijn goederen.
§ 5 De geprofeste die krachtens het wezen van het instituut afstand gedaan heeft van zijn goederen, verliest de bekwaamheid om goederen te verwerven en te bezitten, en stelt derhalve handelingen in strijd met de gelofte van armoede ongeldig. Hetgeen hem ten deel valt nadat hij afstand gedaan heeft, vervalt aan het instituut volgens het eigen recht.
§ 1 Religieuzen dienen de kleding van het instituut te dragen, vervaardigd volgens het eigen recht, als teken van hun toewijding en als getuigenis van armoede.
§ 2 Religieuzen-clerici van een instituut dat geen eigen kleding heeft, dienen de kleding van de clerici te dragen volgens can. 284.
Het instituut moet aan de leden alles verschaffen wat volgens de constituties nodig is om het doel van hun roeping te bereiken.
Een religieus mag geen taken of ambten buiten het eigen instituut op zich nemen zonder verlof van de wettige Overste.
Religieuzen zijn gebonden aan de voorschriften van de canones 277, 285, 286, 287 en 289, en religieuzen-clerici bovendien aan de voorschriften van can. 279, § 2; in laïcale instituten van pauselijk recht kan het verlof waarover in can. 285, § 4, verleend worden door de eigen hogere Overste.

Document

Naam: CODEX IURIS CANONICI
Codex van het Canonieke recht
Soort: Wetboek
Auteur: Aucturitate Ioannis Pauli PP. II
Datum: 25 januari 1983
Copyrights: © www.kerkrecht.nl
Aan de hier gepubliceerde versie kunnen geen rechten ontleend worden
Bewerkt: 13 september 2019

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
Trefwoordenlijst voor dit document
 
|
Pagina delen: 
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2019, Stg. InterKerk, Schiedam