• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x
Het noviciaat, waarmee het leven in het instituut begint, is erop gericht dat de novicen de goddelijke roeping, en wel die welke eigen is aan het instituut, beter leren kennen, ervaring opdoen met de levenswijze van het instituut, met de geest hiervan hun denken en hart vormen, en dat hun voornemen en geschiktheid vastgesteld worden.
§ 1 De oprichting, verplaatsing en opheffing van een noviciaatshuis dient te geschieden bij schriftelijk gegeven decreet van de hoogste Bestuurder van het instituut met de toestemming van zijn raad.

§ 2 Het noviciaat moet, om geldig te zijn, doorgemaakt worden in een huis dat daartoe op de voorgeschreven wijze aangewezen is. In bijzondere gevallen en bij wijze van uitzondering kan de kandidaat, krachtens toelating van de hoogste Bestuurder met de toestemming van zijn raad, zijn noviciaat doormaken in een ander huis van het instituut, onder leiding van een ervaren religieus die de plaats van de novicenmeester inneemt.

§ 3 De hogere Overste kan toestaan dat een groep novicen gedurende bepaalde perioden verblijft in een ander, door hem aangewezen huis van het instituut.

§ 1 Het noviciaat moet, om geldig te zijn, twaalf maanden omvatten, door te brengen in de gemeenschap zelf van het noviciaat, onverminderd het voorschrift van can. 647, § 3.

§ 2 Om de vorming van de novicen te voltooien, kunnen de constituties, naast de tijd waarover in § 1, een of meer perioden vaststellen voor apostolische stages, door te brengen buiten de gemeenschap van het noviciaat.

§ 3 Het noviciaat mag niet langer duren dan twee jaar.

§ 1 Behoudens de voorschriften van can. 647, § 3 en can. 648, § 2, maakt een afwezigheid uit het novitiaatshuis van meer dan drie maanden, ononderbroken of onderbroken, het noviciaat ongeldig. Een afwezigheid van meer dan vijftien dagen moet aangevuld worden.
§ 2 Met verlof van de bevoegde hogere Overste kan de eerste professie vervroegd worden, maar niet meer dan vijftien dagen.
§ 1 De doelstelling van het noviciaat vereist dat de novicen onder leiding van een novicenmeester gevormd worden volgens de vormingsregeling van het instituut, te bepalen door het eigen recht.
§ 2 De leiding van de novicen is voorbehouden aan de novicenmeester alleen, onder het gezag van de hogere Oversten.
§ 1 De novicenmeester dient lid van het instituut te zijn, geloften voor het leven te hebben afgelegd en wettig te zijn aangewezen.
§ 2 Aan de novicenmeester kunnen indien nodig medewerkers gegeven worden, die aan hem ondergeschikt zijn wat betreft de leiding van het noviciaat en de vormingsregeling.
§ 3 Met de leiding van de vorming van de novicen dienen belast te worden daartoe goed voorbereide leden die, niet door andere werkzaamheden verhinderd, hun taak vruchtbaar en bestendig kunnen vervullen.
§ 1 Het komt de novicenmeester en zijn medewerkers toe om de roeping van de novicen te onderkennen en vast te stellen, en hen geleidelijk te vormen om op de juiste wijze een leven van volmaaktheid te leiden, eigen aan het instituut.
§ 2 De novicen dienen ertoe gebracht te worden de menselijke en christelijke deugden te ontwikkelen; door gebed en zelfverloochening geleid te worden naar een weg van steeds grotere volmaaktheid; onderricht te worden in de beschouwing van het heilsmysterie en in het lezen en overwegen van de Heilige Schrift; voorbereid te worden op het vieren van de goddelijke eredienst in de heilige liturgie; zich een levenswijze eigen te maken die door de evangelische raden in Christus aan God en de mensen toegewijd is; onderwezen te worden in de aard en de geest van het instituut, in zijn doelstelling en levensordening, zijn geschiedenis en leven, en doordrongen te worden van liefde voor de Kerk en haar gewijde Herders.
§ 3 De novicen dienen, zich hun eigen verantwoordelijkheid bewust, zo met de novicenmeester actief mee te werken dat zij getrouw beantwoorden aan de genade van de goddelijke roeping.
§ 4 De leden van het instituut dienen er zorg voor te dragen dat zij aan de vorming van de novicen voor hun aandeel meewerken door hun voorbeeld van leven en door hun gebed.
§ 5 De tijd van het noviciaat, waarover in can. 648, § 1, dient werkelijk aan de vorming besteed te worden, en daarom mogen de novicen zich niet bezighouden met studies en taken die niet rechtstreeks tot deze vorming dienen.
§ 1 Een novice kan het instituut vrij verlaten; de bevoegde overheid van een instituut echter kan hem wegzenden.
§ 2 Na het beëindigen van het noviciaat dient de novice, indien hij geschikt geacht wordt, toegelaten te worden tot de tijdelijke professie, anders dient hij weggezonden te worden; als er nog twijfel bestaat over zijn geschiktheid, kan zijn proeftijd door de hogere Overste verlengd worden volgens het eigen recht, maar niet langer dan zes maanden.

Document

Naam: CODEX IURIS CANONICI
Codex van het Canonieke recht
Soort: Wetboek
Auteur: Aucturitate Ioannis Pauli PP. II
Datum: 25 januari 1983
Copyrights: © www.kerkrecht.nl
Aan de hier gepubliceerde versie kunnen geen rechten ontleend worden
Bewerkt: 13 september 2019

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
Trefwoordenlijst voor dit document
 
|
Pagina delen: 
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2019, Stg. InterKerk, Schiedam