• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x
§ 1 Instituten, provincies en huizen zijn, als rechtspersoon van rechtswege, bekwaam tijdelijke goederen te verwerven, te bezitten, te beheren en te vervreemden, tenzij deze bekwaamheid in de constituties uitgesloten of beperkt wordt.
§ 2 Zij dienen echter elke vorm van luxe, overmatige winst en opeenhoping van goederen te vermijden.

§ 1 Tijdelijke goederen van religieuze instituten, als zijnde kerkelijke goederen, vallen onder de voorschriften van Boek V Tijdelijke goederen van de Kerk, tenzij uitdrukkelijk iets anders voorzien wordt.
§ 2 Elk instituut echter dient geschikte normen vast te stellen betreffende het gebruik en het beheer van goederen, waardoor de armoede die het eigen is, bevorderd, beschermd en tot uitdrukking gebracht wordt.

§ 1 In elk instituut en eveneens in elke provincie die bestuurd wordt door een hogere Overste, dient een econoom te zijn, onderscheiden van de hogere Overste en aangesteld volgens het eigen recht, die het beheer voert over de goederen onder leiding van de betreffende Overste. Indien mogelijk dient ook in de plaatselijke communiteiten een econoom aangesteld te worden, onderscheiden van de plaatselijke Overste.

§ 2 Op de door het eigen recht bepaalde tijd en wijze dienen economen en andere beheerders aan de bevoegde overheid rekenschap af te leggen over het gevoerde beheer.

De rechtens zelfstandige kloosters waarover in can. 615, moeten eenmaal per jaar rekenschap over het beheer afleggen aan de plaatselijke Ordinaris; de plaatselijke Ordinaris moet bovendien het recht hebben kennis te nemen van de economische toestand van een religieus huis van diocesaan recht.
§ 1 Het behoort tot het eigen recht om, binnen het kader van het universeel recht, de handelingen te bepalen welke de grens en de wijze van gewoon beheer overschrijden, en datgene vast te stellen wat noodzakelijk is voor het geldig stellen van een handeling van buitengewoon beheer.

§ 2 Uitgaven en rechtshandelingen van gewoon beheer verrichten op geldige wijze, naast de Oversten, binnen de grenzen van hun taak ook de functionarissen die in het eigen recht hiertoe aangewezen worden.

§ 3 Voor de geldigheid van een vervreemding en van elke handeling waardoor de vermogenspositie van een rechtspersoon slechter kan worden, is schriftelijk gegeven verlof vereist van de bevoegde Overste met de toestemming van zijn raad. Als het echter gaat over een handeling die het bedrag door de Heilige Stoel voor elke regio bepaald, overschrijdt, en eveneens over zaken die door een gelofte aan de Kerk geschonken zijn, of over zaken die kostbaar zijn vanwege hun kunst- of historische waarde, wordt bovendien het verlof van de Heilige Stoel zelf vereist.

§ 4 Voor de rechtens zelfstandige kloosters waarover in can. 615, en voor instituten van diocesaan recht is bovendien de schriftelijk verleende toestemming van de plaatselijke Ordinaris vereist.

§ 1 Als een rechtspersoon schulden of verplichtingen aangegaan is, ook met verlof van de Oversten, is hij zelf tot aansprakelijkheid hiervoor gehouden.
§ 2 Als een lid met verlof van zijn Overste een verbintenis betreffende zijn goederen aangegaan is, moet hij zelf daarvoor aansprakelijk zijn; als hij echter in opdracht van de Overste zaken van het instituut waargenomen heeft, moet het instituut aansprakelijk zijn.

§ 3 Als een religieus een verbintenis aangegaan is zonder enig verlof van de Oversten, moet hij zelf daarvoor aansprakelijk zijn, maar niet de rechtspersoon.

§ 4 Gewaarborgd moet echter blijven dat tegen hem tot wiens voordeel iets uit de aangegane verbintenis is gekomen, altijd een rechtsvordering ingesteld kan worden.

§ 5 De religieuze Oversten dienen te waken dat zij niet toestaan dat schulden aangegaan worden, tenzij met zekerheid vaststaat dat de rente van de schuld uit de gewone inkomsten betaald kan worden en dat binnen niet al te lange tijd het kapitaal door wettige aflossing terugbetaald kan worden.

De instituten dienen, rekening houdend met de plaatselijke omstandigheden, zich erop toe te leggen een als het ware collectief getuigenis af te leggen van liefde en armoede, en naar draagkracht uit eigen goederen iets bij te dragen voor de noden van de Kerk en het onderhoud van de behoeftigen.

Document

Naam: CODEX IURIS CANONICI
Codex van het Canonieke recht
Soort: Wetboek
Auteur: Aucturitate Ioannis Pauli PP. II
Datum: 25 januari 1983
Copyrights: © www.kerkrecht.nl
Aan de hier gepubliceerde versie kunnen geen rechten ontleend worden
Bewerkt: 7 november 2019

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
Trefwoordenlijst voor dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2020, Stg. InterKerk, Schiedam