• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x
Oversten dienen hun ambt te vervullen en hun macht uit te oefenen volgens het universeel en het eigen recht.
Oversten dienen hun macht die zij van God door de bediening van de Kerk ontvangen hebben, in een geest van dienstbaarheid uit te oefenen. Bereid derhalve te luisteren naar Gods wil in de uitoefening van hun ambt, dienen zij hun onderdanen als kinderen Gods te leiden en, terwijl zij met eerbied voor de menselijke persoon hun vrijwillige gehoorzaamheid bevorderen, dienen zij gaarne naar hen te luisteren en hun eensgezinde samenwerking tot welzijn van het instituut en van de Kerk te bevorderen, onverminderd evenwel hun gezag om te beslissen en om voor te schrijven wat gedaan moet worden.
Oversten dienen zich met ijver op hum ambt toe te leggen en samen met de hun toevertrouwde leden er naar te streven een broederlijke gemeenschap in Christus op te bouwen, waarin vóór alles God gezocht en bemind wordt. Zij dienen de leden derhalve veelvuldig te sterken met het voedsel van Gods woord en hen tot de viering van de heilige liturgie te brengen. Zij dienen hun tot voorbeeld te zijn in de beoefening van de deugden en in het onderhouden van de wetten en de tradities van het eigen instituut; zij dienen op passende wijze te voorzien in de persoonlijke noden van de leden, de zieken met zorg te omgeven en hen te bezoeken, de onrustigen te vermanen, de kleinmoedigen te troosten en geduldig te zijn jegens allen.
Hogere Oversten zijn zij die het gehele instituut besturen of een provincie daarvan of een daaraan gelijkgesteld deel of een rechtens zelfstandig huis, alsmede hun plaatsvervangers. Daarbij komen de Abt-Primaat en de Overste van een monastieke congregatie, die echter niet de gehele macht hebben die het universeel recht aan hogere Oversten toekent.
Een groepering van meerdere huizen die onder dezelfde Overste een rechtstreeks onderdeel van hetzelfde instituut vormt en door de wettige overheid canoniek opgericht is, wordt een provincie genoemd.
De hoogste Bestuurder heeft de macht over alle provincies, huizen en leden van het instituut, uit te oefenen volgens het eigen recht; de andere Oversten hebben die binnen de grenzen van hun ambt.
Voor de geldige benoeming of keuze van leden tot het ambt van Overste is vereist dat er een passende tijd verstreken is sinds de professie voor het leven of de definitieve professie, te bepalen door het eigen recht of, als het gaat om hogere Oversten, door de constituties.
§ 1 Oversten dienen aangesteld te worden voor een bepaalde en passende tijdsduur overeenkomstig de aard en de behoefte van het instituut, tenzij voor de hoogste Bestuurder en voor de Oversten van een rechtens zelfstandig huis de constituties anders bepalen.

§ 2 Het eigen recht dient door geschikte normen erin te voorzien dat voor bepaalde tijd aangestelde Oversten niet te lang zonder onderbreking in bestuursambten blijven.

§ 3 Zij kunnen echter gedurende hun ambtstijd uit hun ambt verwijderd worden of in een ander geplaatst om redenen in het eigen recht vastgesteld.

§ 1 De hoogste Bestuurder van een instituut dient bij canonieke verkiezing aangewezen te worden volgens de constituties.
§ 2 De verkiezing van de Overste van een rechtens zelfstandig klooster waarover in can. 615, en van de hoogste Bestuurder van een instituut van diocesaan recht worden voorgezeten door de Bisschop van de hoofdzetel.
§ 3 De overige Oversten dienen aangesteld te worden volgens de constituties; met dien verstande echter dat, als zij gekozen worden, zij de bevestiging van de bevoegde hogere Overste nodig hebben; als zij door de Overste benoemd worden, dient een passende raadpleging vooraf te gaan.
Bij de verlening van ambten dienen Oversten en bij verkiezingen dienen leden de normen van het universeel en van het eigen recht te onderhouden, zich te onthouden van ieder misbruik en van aanzien des persoons en, met niets dan God en het welzijn van het instituut voor ogen, dienen zij diegenen te benoemen of te kiezen die zij in de Heer waardig en geschikt achten. Bovendien dienen zij zich bij verkiezingen te hoeden voor stemmenwerving hetzij rechtstreeks hetzij onrechtstreeks, zowel voor zichzelf als voor anderen.
§ 1 Volgens de constituties dienen Overste een eigen raad te hebben, van de dienst waarvan zij gebruik moeten maken bij het uitoefenen van hun ambt.
§ 2 Naast de gevallen in het universeel recht voorgeschreven, dient het eigen recht de gevallen vast te stellen waarin om geldig te handelen toestemming of advies vereist is, te vragen volgens can. 127.
§ 1 De Oversten die volgens het eigen recht van het instituut voor deze taak worden aangewezen, dienen op vastgestelde tijden de hun toevertrouwde huizen en leden te visiteren volgens de normen van dit eigen recht.
§ 2 De diocesane Bisschoppen hebben het recht en de plicht om, ook wat de religieuze levensordening betreft, te visiteren:
  1. de rechtens zelfstandige kloosters waarover in can. 615;
  2. elk huis van een instituut van diocesaan recht, gelegen in het eigen ambtsgebied.
§ 3 De leden dienen vertrouwvol met de visitator samen te werken, op wiens wettige vragen zij gehouden zijn te antwoorden volgens de waarheid in liefde; het is niemand toegestaan op welke wijze ook de leden van deze verplichting af te houden of het doel van de visitatie anderszins te belemmeren.
Oversten dienen ieder in hun eigen huis te verblijven, en niet afwezig te zijn tenzij volgens het eigen recht.

§ 1 Oversten dienen de vrijheid te erkennen die aan de leden toekomst betreffende het Boetesacrament en de geestelijke leiding, met behoud echter van de levensordening van het instituut.
§ 2 Oversten dienen er zorg voor te dragen volgens het eigen recht, dat voor de leden geschikte biechtvaders beschikbaar zijn bij wie zij veelvuldig kunnen biechten.
§ 3 In kloosters van monialen, in vormingshuizen en in grotere laïcale communiteiten dienen gewone biechtvaders te zijn, door de plaatselijke Ordinaris goedgekeurd, na overleg met de communiteit, zonder echter enige verplichting om naar hen toe te gaan.
§ 4 Oversten mogen geen biecht horen van onderdanen, tenzij de leden er uit eigen beweging om vragen.
§ 5 De leden dienen zich met vertrouwen tot hun Oversten te wenden, tegenover wie zij zich vrij en uit eigen beweging kunnen uitspreken. Het is de Oversten echter verboden hen, op welke wijze ook, er toe te brengen hun geweten aan hen te openbaren.

Document

Naam: CODEX IURIS CANONICI
Codex van het Canonieke recht
Soort: Wetboek
Auteur: Aucturitate Ioannis Pauli PP. II
Datum: 25 januari 1983
Copyrights: © www.kerkrecht.nl
Aan de hier gepubliceerde versie kunnen geen rechten ontleend worden
Bewerkt: 13 september 2019

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
Trefwoordenlijst voor dit document
 
|
Pagina delen: 
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2019, Stg. InterKerk, Schiedam