• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

§ 1 Het leven gewijd door de professie van de evangelische raden is een duurzame levensvorm waarin gelovigen, Christus van meer nabij volgend, onder de stuwing van de Heilige Geest zich geheel en al toewijden aan God, de meest beminde, om, op een nieuwe en bijzondere titel geheel gegeven aan diens eer, de opbouw van de Kerk en het heil van de wereld, tot de volmaaktheid in de liefde te komen in dienst van het Rijk Gods en, gemaakt tot een lichtend teken in de Kerk, de hemelse heerlijkheid aan te kondigen.

§ 2 Deze levensvorm in instituten van gewijd leven door de bevoegde overheid van de Kerk canoniek opgericht, nemen vrijwillig op zich de christengelovigen die door geloften of andere gewijde bindingen volgens de eigen wetten van de instituten zich verbinden tot de evangelische raden van kuisheid, armoede en gehoorzaamheid, en die door de liefde waartoe deze leiden, op een bijzondere wijze verbonden zijn met de Kerk en haar mysterie.

§ 1 De staat van degenen die zich in deze instituten verbinden tot de evangelische raden, behoort tot het leven en de heiligheid van de Kerk en moet daarom door allen in de Kerk van harte bevorderd worden.

§ 2 Tot deze staat worden bepaalde christengelovigen bijzonder door God geroepen om in het leven van de Kerk een eigen gave te hebben en, overeenkomstig het doel en de geest van het instituut, haar heilszending te dienen.

De evangelische raden, gebaseerd op de leer en het voorbeeld van Christus de Leraar, zijn een goddelijke gave die de Kerk van de Heer heeft ontvangen en met zijn genade steeds bewaart.

Aan de bevoegde overheid van de Kerk komt het toe de evangelische raden te interpreteren, de beoefening ervan door wetten te regelen en derhalve door canonieke goedkeuring duurzame levensvormen in te richten, alsook, voor haar aandeel, zorg te dragen dat de instituten volgens de geest van de stichters en de gezonde tradities groeien en bloeien.

Zeer talrijk zijn de instituten van gewijd leven in de Kerk, die volgens de hun geschonken genade onderscheiden gaven bezitten; ze volgen immers Christus van meer nabij, hetzij in het bidden, hetzij in zijn aankondiging van het Rijk Gods, hetzij in zijn weldoen aan de mensen, hetzij in zijn omgaan in de wereld met hen, steeds de wil van de Vader vervullend.

De geest en de intenties van de stichters, door de bevoegde kerkelijke overheid bekrachtigd, betreffende de aard, het doel, de geest en het karakter van het instituut, alsook zijn gezonde tradities, die samen het erfgoed van dit instituut vormen, moeten door allen trouw in acht genomen worden.

De diocesane Bisschoppen kunnen, ieder in zijn gebied, bij formeel decreet instituten van gewijd leven oprichten, mits de Apostolische Stoel geraadpleegd is.

Aggregatie van een instituut van gewijd leven aan een ander is voorbehouden aan de bevoegde overheid van het aggregerende instituut, steeds met behoud van de canonieke autonomie van het geaggregeerde instituut.
Het verdelen van een instituut in delen, hoe deze ook genoemd worden, het oprichten van nieuwe delen, het samenvoegen van bestaande of het anders omschrijven ervan, komt toe aan de bevoegde overheid van het instituut, volgens de constituties.
Fusies en verenigingen van instituten van gewijd leven zijn voorbehouden aan de Apostolische Stoel alleen; aan deze zijn ook confederaties en federaties voorbehouden.
Wijzigingen in instituten van gewijd leven die raken aan datgene wat door de Apostolische Stoel goedgekeurd is, kunnen zonder diens verlof niet aangebracht worden.
Een instituut opheffen komt alleen toe aan de Apostolische Stoel, waaraan het ook voorbehouden is te beslissen over de tijdelijke goederen ervan.
Delen van een instituut opheffen komt toe aan de bevoegde overheid van dit instituut.
§ 1 Aan de afzonderlijke instituten wordt een rechtmatige autonomie van leven en vooral van bestuur toegekend, krachtens welke zij in de Kerk hun eigen levensordening bezitten en hun erfgoed waarover in can. 578, integraal kunnen bewaren.

§ 2 Het is de taak van de plaatselijke Ordinarissen deze autonomie te handhaven en te beschermen.

§ 1 Om de eigen roeping en identiteit van de afzonderlijke instituten getrouwer te beschermen, moet het basiswetboek ofwel de constituties van elk instituut, naast hetgeen volgens de bepalingen van can. 578 in acht genomen moet worden, ook bevatten de fundamentele normen omtrent het bestuur van het instituut en de levensordening van de leden, de opname en vorming van de leden, alsmede de eigen inhoud van de gewijde bindingen.

§ 2 Dit wetboek wordt door de bevoegde overheid van de Kerk goedgekeurd en kan alleen met haar toestemming gewijzigd worden.

§ 3 In dit wetboek dienen de geestelijke en juridische elementen goed op elkaar afgestemd te worden; de normen mogen echter niet zonder noodzaak verveelvoudigd worden.

§ 4 De overige normen door de bevoegde overheid van het instituut vastgesteld, dienen op geschikte wijze in andere wetboeken verzameld te worden; zij kunnen echter naar gelang van de eisen van plaats en tijd herzien en aangepast worden.

§ 1 De staat van gewijd leven is naar zijn aard noch clericaal noch laïcaal.

§ 2 Clericaal wordt genoemd een instituut dat, om reden van de door de stichter beoogde doelstelling op opzet of krachtens een wettige traditie, onder het bestuur staat van clerici, de uitoefening van de heilige wijding op zich neemt en als zodanig door de overheid van de Kerk erkend wordt.

§ 3 Laïcaal wordt genoemd een instituut dat, als zodanig door de overheid van de Kerk erkend, krachtens zijn aard, karakter en doelstelling een eigen taak heeft, door de stichter of door de wettige traditie bepaald, welke de uitoefening van de heilige wijding niet insluit.

Een instituut van gewijd leven wordt van pauselijk recht genoemd, als het door de Apostolische Stoel opgericht of door deze bij formeel decreet goedgekeurd is; van diocesaan recht echter, als het door de diocesane Bisschop opgericht is en geen decreet van goedkeuring van de Apostolische Stoel verkregen heeft.
§ 1 Instituten van gewijd leven, op een speciale wijze immers tot de dienst van God en van de gehele Kerk bestemd, zijn op een bijzondere grond aan de hoogste overheid van de Kerk onderworpen.

§ 2 De afzonderlijke leden zijn gehouden de Paus als hun hoogste Overste te gehoorzamen, ook op grond van de gewijde band van gehoorzaamheid.

Om beter te voorzien in het welzijn van de instituten en in de noden van het apostolaat, kan de Paus, op grond van zijn primaatschap over de gehele Kerk, met het oog op het algemeen nut instituten van gewijd leven aan het bestuur van de plaatselijke Ordinarissen onttrekken en onder zijn eigen gezag alleen of onder een ander kerkelijk gezag stellen.
§ 1 Om de verbondenheid van de instituten met de Apostolische Stoel beter te bevorderen, dient iedere hoogste Bestuurder een kort overzicht van de staat en het leven van zijn instituut aan de Apostolische Stoel te zenden op de door deze vastgestelde wijze en tijd.

§ 2 De Bestuurders van elk instituut dienen de bekendheid met de documenten van de Heilige Stoel die de hun toevertrouwde leden betreffen, te bevorderen en zorg te dragen voor de naleving ervan.

Onverminderd het voorschrift van can. 586, zijn instituten van pauselijk recht wat intern bestuur en levensordening betreft rechtstreeks en uitsluitend aan de macht van de Apostolische Stoel onderworpen.
Een instituut van diocesaan recht blijft, onverminderd can. 586, onder de bijzondere zorg van de diocesane Bisschop.
§ 1 Het komt aan de Bisschop van de hoofdzetel toe de constituties goed te keuren en daarin wettig aangebrachte wijzigingen te bekrachtigen, behoudens datgene wat de Apostolische Stoel in handen heeft genomen, alsmede zaken van meer gewicht te behandelen die het gehele instituut betreffen en die de macht van de interne overheid te boven gaan, na raadpleging echter van de overige diocesane Bisschoppen als het instituut over meerdere bisdommen verspreid is.

§ 2 De diocesane Bisschop kan in bijzondere gevallen dispensaties van de constituties verlenen.

§ 1 Oversten en kapittels van de instituten hebben over de leden de macht die door het universeel recht en de constituties bepaald wordt.

§ 2 In clericale religieuze instituten van pauselijk recht echter hebben zij bovendien kerkelijke bestuursmacht zowel in het uitwendig als in het inwendig rechtsbereik.

§ 3 Op de macht waarover in § 1, zijn de voorschriften van de canones 131, 133 en 137-144 van toepassing.

§ 1 Tot een instituut van gewijd leven kan iedere katholiek toegelaten worden die de juiste intentie heeft, de door het universeel en het eigen recht vereiste eigenschappen bezit en door geen beletsel weerhouden wordt.

§ 2 Niemand kan toegelaten worden zonder passende voorbereiding.

§ 1 Elk instituut dient, rekening houdend met zijn eigen karakter en doelstelling, in zijn constituties de wijze te bepalen waarop de evangelische raden van kuisheid, armoede en gehoorzaamheid, naar gelang van de levenswijze van het instituut, onderhouden moeten worden.

§ 2 Alle leden evenwel moeten niet alleen de evangelische waarden trouw en integraal in acht nemen, maar ook volgens het eigen recht van het instituut hun leven inrichten en zo naar de volmaaktheid van hun staat streven.

Het op zich nemen van de evangelische raad van kuisheid omwille van het Rijk der hemelen, hetgeen een teken is van de toekomstige wereld en een bron van rijkere vruchtbaarheid in een onverdeeld hart, brengt de verplichting van volledige onthouding in het celibaat met zich mee.
De evangelische raad van armoede tot navolging van Christus, die om onzentwille behoeftig is geworden ofschoon Hij rijk was, brengt, naast een metterdaad en in de geest arm leven, werkzaam in soberheid te leiden en ver van aardse rijkdom, met zich mee afhankelijkheid en beperking in het gebruik van en de beschikking over goederen volgens het eigen recht van de afzonderlijke instituten.
De evangelische raad van gehoorzaamheid, op zich genomen in de geest van geloof en liefde, in het voetspoor van Christus die gehoorzaam was tot de dood, verplicht tot onderwerping van de wil aan de wettige Oversten, die Gods plaats bekleden, wanneer zij volgens de eigen constituties voorschriften geven.
Het broederlijk leven, aan elk instituut eigen, waardoor alle leden als het ware tot een bijzondere familie in Christus verenigd worden, dient zo bepaald te worden dat het voor allen een onderlinge steun wordt om ieders eigen roeping te vervullen. Door hun broederlijke gemeenschap, in de liefde geworteld en gegrondvest, dienen de leden een voorbeeld te zijn van de alomvattende verzoening in Christus.
§ 1 Naast de instituten van gewijd leven erkent de Kerk het eremieten- of kluizenaarsleven, waarin christengelovigen door een strengere afzondering van de wereld, door de stilte van de eenzaamheid, door voortdurend gebed en boetedoening hun leven geheel en al geven tot lof van God en het heil van de wereld.

§ 2 Een eremiet wordt door het recht erkend als aan God gegeven in het gewijd leven, indien hij zich tot de drie evangelische raden, bevestigd door een gelofte of door een andere gewijde binding, publiek verbindt in de handen van de diocesane Bisschop en onder diens leiding zijn eigen levenswijze volgt.

§ 1 Bij deze vormen van gewijd leven komt de orde der maagden, die, met het uitspreken van het heilig voornemen om Christus van meer nabij te volgen, door de diocesane Bisschop volgens de goedgekeurde liturgische ritus aan God toegewijd worden, op mystieke wijze als bruid met Christus, Gods Zoon, verbonden en aan de dienst van de Kerk gewijd worden.

§ 2 Om haar voornemen trouwer na te komen en om haar dienst aan de Kerk, overeenkomstig met haar eigen staat, in onderlinge hulp te vervullen, kunnen de maagden zich verenigen.

Nieuwe vormen van gewijd leven goedkeuren is alleen aan de Apostolische Stoel voorbehouden. De diocesane Bisschoppen evenwel dienen zich moeite te geven om nieuwe gaven van gewijd leven, door de Heilige Geest aan de Kerk toevertrouwd, te onderkennen. Zij dienen hen die deze bevorderen, bij te staan om hun voornemens zo goed mogelijk tot uitdrukking te brengen en met geschikte statuten te beschermen, gebruik makend vooral van de algemene normen in dit deel vervat.
Hetgeen over de instituten van gewijd leven en hun leden bepaald wordt, geldt in het recht gelijkelijk voor beide geslachten, tenzij uit de context van de woorden of uit de aard der zaak iets anders vaststaat.

Document

Naam: CODEX IURIS CANONICI
Codex van het Canonieke recht
Soort: Wetboek
Auteur: Aucturitate Ioannis Pauli PP. II
Datum: 25 januari 1983
Copyrights: © www.kerkrecht.nl
Aan de hier gepubliceerde versie kunnen geen rechten ontleend worden
Bewerkt: 13 september 2019

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
Trefwoordenlijst voor dit document
 
|
Pagina delen: 
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2019, Stg. InterKerk, Schiedam