• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x
§ 1 Niemand wordt gestraft, tenzij de door hem bedreven uiterlijke schending van een wet of verordening hem ernstig aangerekend kan worden wegens opzet of wegens schuld.

§ 2 Aan een straf bij wet of verordening bepaalt, is gehouden degene die de wet of verordening welbewust geschonden heeft; wie dit echter gedaan heeft uit verzuim van de vereiste zorgvuldigheid, wordt niet gestraft tenzij de wet of verordening anders bepaalt.

§ 3 Wanneer de uiterlijke schending plaats gehad heeft, wordt de toerekenbaarheid gepresumeerd, tenzij anders blijkt.

Wie habitueel het gebruik van het verstand missen, ook al hebben zij een wet of verordening geschonden terwijl zij gezond leken, worden onbekwaam geacht tot een misdrijf.
Aan geen enkele straf is onderworpen degene die, wanneer hij een wet of verordening geschonden heeft:
  1. het zestiende levensjaar nog niet voltooid heeft;
  2. zonder schuld onwetend was dat hij een wet of verordening schond; onoplettendheid en dwaling echter worden gelijkgesteld met onwetendheid;
  3. gehandeld heeft uit fysieke dwang, of wegens een toevallige omstandigheid die hij niet kon voorzien of die hij weliswaar voorzag maar niet kon tegengaan;
  4. gehandeld heeft onder druk van ernstige vrees, hoewel slechts relatief ernstig, of uit nood of wegens ernstig ongemak, tenzij echter de handeling intrinsiek slecht is of de zielen tot nadeel strekt;
  5. gehandeld heeft uit wettige verdediging tegen een onrechtmatige aanvaller van zichzelf of van een ander, daarbij de vereiste gematigdheid in acht nemend;
  6. het gebruik van het verstand miste, onverminderd de voorschriften van de canones 1324, § 1, nr.2 en 1325;
  7. zonder schuld gemeend heeft dat een van de omstandigheden aanwezig was waarover in de nrs.4 en 5.
§ 1 De dader van de schending wordt niet van straf uitgezonderd, maar de straf bij wet of verordening bepaald moet gematigd worden of in de plaats hiervan een boetedoening aangewend worden, indien het misdrijf begaan is:
  1. door wie slechts een onvolkomen gebruik van het verstand had;
  2. door wie het gebruik van het verstand miste wegens dronkenschap of een andere gelijkaardige geestesstoring, waaraan hij schuldig was;
  3. uit hevige hartstocht, die nochtans niet alle overleg van de geest en instemming van de wil overstemde en verhinderde, en mits de hartstocht zelf niet vrijwillig opgewekt of gevoed was;
  4. door een minderjarige die de leeftijd van zestien jaar voltooid heeft;
  5. door wie gehandeld heeft onder druk van ernstige vrees, hoewel slechts relatief ernstig, of uit nood of wegens ernstig ongemak, indien het misdrijf intrinsiek slecht is of de zielen tot nadeel strekt;
  6. door wie gehandeld heeft uit wettige verdediging tegen een onrechtmatige aanvaller van zichzelf of van een ander, daarbij echter de vereiste gematigdheid niet in acht nemend;
  7. tegen iemand die op ernstige en onrechtmatige wijze uitdaagt;
  8. door wie uit dwaling, maar door eigen schuld, gemeend heeft dat een van de omstandigheden aanwezig was waarover in can. 1323, nrs. 4 en 5;
  9. door wie zonder schuld niet wist dat aan een wet of verordening een straf verbonden was;
  10. door wie gehandeld heeft zonder volle toerekenbaarheid, mits deze voldoende zwaar gebleven is.
§ 2 De rechter kan hetzelfde doen, indien een andere omstandigheid aanwezig is die de zwaarte van het misdrijf vermindert.

§ 3 In de omstandigheden waarover in § 1, is de schuldige niet gehouden aan een van rechtswege opgelopen straf.

Grove of nalatige of opzettelijke onwetendheid kan nooit in overweging genomen worden bij het toepassen van de voorschriften van de canones 1323 en 1324; evenmin dronkenschap of andere geestesstoringen, indien zij met opzet gezocht zijn om een misdrijf te begaan of te verontschuldigen, en hartstocht, indien deze vrijwillig opgewekt of gevoed is.
§ 1 De rechter kan zwaarder straffen dan de wet of verordening bepaalt:
  1. degene die na een veroordeling of verklaring van straf zo blijft misdoen dat uit de omstandigheden zijn halsstarrigheid in de kwade wil wijselijk vermoed kan worden;
  2. degene die in een waardigheid gesteld is, of die van zijn gezag of ambt misbruik gemaakt heeft om een misdrijf te begaan;
  3. de schuldige die, hoewel een straf voor een misdrijf met schuld vastgesteld is, het gevolg voorzien heeft en niettemin de voorzorgen om dit te vermijden achterwege gelaten heeft die ieder gewetensvol persoon aangewend zou hebben.
§ 2 In de gevallen waarover in § 1 kan, als de vastgestelde straf een van rechtswege opgelopen straf is, een andere straf of boetedoening toegevoegd worden.
Een particuliere wet kan andere uitzonderende omstandigheden, verzachtende of verzwarende, vaststellen, naast de gevallen van de canones 1323-1326, hetzij bij algemene norm hetzij voor afzonderlijke misdrijven. Eveneens kunnen bij verordening omstandigheden vastgesteld worden die van een straf, bij verordening bepaald, uitzonderen of deze verzachten of verzwaren.
§ 1 Wie om een misdrijf te begaan iets gedaan heeft of nagelaten en toch buiten zijn wil het misdrijf niet voltooid heeft, is niet gebonden aan de straf die voor een voltooid misdrijf vastgesteld is, tenzij de wet of verordening anders voorziet.

§ 2 Indien handelingen of nalatigheden uit de aard der zaak tot de uitvoering van een misdrijf leiden, kan de dader onderworpen worden aan een boetedoening of strafmaatregel, tenzij hij uit eigen beweging afgezien heeft van de begonnen uitvoering van het misdrijf. Indien echter ergernis of ander ernstig nadeel of gevaar opgetreden is, kan de dader, hoewel hij uit eigen beweging ervan afgezien heeft, gestraft worden met een rechtvaardige straf, die echter lichter is dan die welke voor een voltooid misdrijf vastgesteld is.

§ 1 Wie in gezamenlijk overleg om een misdrijf te begaan tot het misdrijf samenwerken, en in de wet of verordening niet uitdrukkelijk genoemd worden, worden, indien voor de hoofddader straffen bepaald zijn die bij uitspraak opgelegd worden, aan dezelfde straffen onderworpen of aan andere van dezelfde of geringere zwaarte.

§ 2 Medeplichtigen die in de wet of verordening niet genoemd worden, krijgen de van rechtswege opgelopen straf die aan het misdrijf verbonden is, indien zonder hun hulp het misdrijf niet gepleegd zou zijn, en de straf van die aard is dat zij hen treffen kan; anders kunnen zij gestraft worden met bij uitspraak opgelegde straffen.

Indien een misdrijf bestaat in een verklaring of een andere uiting van de wil of van een leer of van een kennis, moet het als niet voltooid beschouwd worden als niemand deze verklaring of uiting verneemt.

Document

Naam: CODEX IURIS CANONICI
Codex van het Canonieke recht
Soort: Wetboek
Auteur: Aucturitate Ioannis Pauli PP. II
Datum: 25 januari 1983
Copyrights: © www.kerkrecht.nl
Aan de hier gepubliceerde versie kunnen geen rechten ontleend worden
Bewerkt: 13 september 2019

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
Trefwoordenlijst voor dit document
 
|
Pagina delen: 
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2019, Stg. InterKerk, Schiedam