• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x
Iedere clericus moet geïncardineerd zijn ofwel in een particuliere Kerk of personele prelatuur, ofwel in een instituut van gewijd leven of sociëteit welke over deze bevoegdheid beschikken, zodat clerici zonder overste, dit wil zeggen zwervende clerici, geenszins toegelaten worden.
§ 1 Door het ontvangen van het diaconaat wordt iemand clericus en geïncardineerd in de particuliere Kerk of personele prelatuur ten dienste waarvan hij gewijd is.

§ 2 Wie als lid in een religieus instituut geloften voor het leven afgelegd heeft of in een clericale sociëteit van apostolisch leven definitief ingelijfd is, wordt door het ontvangen van het diaconaat clericus in datzelfde instituut of diezelfde sociëteit geïncardineerd, tenzij wat sociëteiten betreft de constituties anders bepalen.

§ 3 Een lid van een seculier instituut wordt door het ontvangen van het diaconaat geïncardineerd in de particuliere Kerk ten dienste waarvan hij gewijd is, tenzij hij krachtens vergunning van de Apostolische Stoel in het instituut zelf geïncardineerd wordt.

§ 1 Opdat een clericus die reeds geïncardineerd is, geldig in een andere particuliere Kerk geïncardineerd wordt, moet hij van de diocesane Bisschop een door deze ondertekende excardinatiebrief verkrijgen; en op gelijke wijze van de diocesane Bisschop van de particuliere Kerk waarin hij geïncardineerd wil worden, een door deze ondertekende incardinatiebrief.

§ 2 Een aldus toegestane excardinatie heeft geen rechtsgevolgen tenzij nadat incardinatie in een andere particuliere Kerk verkregen is.

§ 1 Een clericus die van de eigen particuliere Kerk wettig naar een andere gegaan is, wordt in deze particuliere Kerk na verloop van vijf jaar van rechtswege geïncardineerd, als hij de wens daartoe schriftelijk kenbaar gemaakt heeft zowel aan de diocesane Bisschop van de Kerk die hem gastvrijheid verleent, als aan de eigen diocesane Bisschop, en als geen van deze beiden binnen vier maanden na ontvangst van de brief hem schriftelijk te kennen gegeven heeft dat hij zich hiertegen verzet.

§ 2 Door de toelating voor het leven of de definitieve toelating in een instituut van gewijd leven of in een sociëteit van apostolisch leven wordt een clericus, die volgens can. 266, § 2, in dat instituut of die sociëteit geïncardineerd wordt, uit de eigen particuliere Kerk geëxcardineerd.

De diocesane Bisschop mag niet overgaan tot incardinatie van een clericus tenzij:
  1. de nood of het nut van zijn particuliere Kerk dit vereist, en behoudens de rechtsvoorschriften die het behoorlijk onderhoud van clerici betreffen;
  2. uit een wettig document voor hem is komen vast te staan dat excardinatie verleend is, en hij bovendien beschikt over gunstige getuigschriften van de diocesane Bisschop die excardineert, indien nodig onder geheimhouding, betreffende het leven van de clericus, zijn gedrag en zijn studies.
  3. de clericus deze zelfde diocesane Bisschop schriftelijk verklaard heeft dat hij zich wil wijden aan de dienst van de nieuwe particuliere Kerk volgens het recht.
Excardinatie kan alleen geoorloofd verleend worden om goede redenen, zoals daar zijn het nut van de Kerk of het welzijn van de clericus zelf; zij kan echter niet geweigerd worden tenzij ernstige redenen voorhanden zijn; het is evenwel een clericus die zich bezwaard acht en een Bisschop gevonden heeft die hem opneemt, geoorloofd tegen de beslissing in beroep te gaan.
§ 1 Buiten het geval van echte nood van de eigen particuliere Kerk mag de diocesane Bisschop het verlof om over te gaan niet weigeren aan clerici, van wie hij de bereidheid kent en die hij geschikt acht om naar gebieden te gaan die aan een ernstig tekort aan clerici lijden, om daar het heilig dienstwerk te vervullen; hij dient er echter voor te zorgen dat door een schriftelijke overeenkomst met de diocesane Bisschop van de plaats waarheen zij willen gaan, de rechten en plichten van deze clerici vastgelegd worden.

§ 2 De diocesane Bisschop kan het verlof om naar een andere particuliere Kerk te gaan aan zijn clerici verlenen voor een te voren vastgestelde, ook meerdere malen te verlengen tijd, maar zo dat deze clerici geïncardineerd blijven in de eigen particuliere Kerk en, wanneer zij daarin terugkeren, alle rechten genieten welke zij zouden hebben als zij zich daar aan het heilig dienstwerk gewijd hadden.

§ 3 Een clericus die wettig naar een andere particuliere Kerk gegaan is terwijl hij geïncardineerd blijft in de eigen Kerk, kan door de eigen diocesane Bisschop om een goede reden teruggeroepen worden, mits de overeenkomsten welke met de andere Bisschop aangegaan zijn en de natuurlijke billijkheid in acht genomen worden; evenzo kan, met inachtneming van dezelfde voorwaarden, de diocesane Bisschop van de andere particuliere Kerk om een goede reden aan deze clericus het verlof weigeren om langer in zijn gebied te verblijven.

Excardinatie of incardinatie en ook het verlof om naar een andere particuliere Kerk te gaan, kan de diocesane Administrator niet verlenen, tenzij na een jaar sinds de vacatie van de bisschopszetel en met toestemming van het consultorencollege.

Document

Naam: CODEX IURIS CANONICI
Codex van het Canonieke recht
Soort: Wetboek
Auteur: Aucturitate Ioannis Pauli PP. II
Datum: 25 januari 1983
Copyrights: © www.kerkrecht.nl
Aan de hier gepubliceerde versie kunnen geen rechten ontleend worden
Bewerkt: 13 september 2019

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
Trefwoordenlijst voor dit document
 
|
Pagina delen: 
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2019, Stg. InterKerk, Schiedam