• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x
§ 1 De overheid bevoegd tot het oprichten van publieke verenigingen is:

  1. voor universele en internationale verenigingen de Heilige Stoel;
  2. voor nationale verenigingen, die namelijk krachtens hun oprichting zelf ertoe bestemd worden hun activiteit in de gehele natie uit te oefenen, de bisschoppenconferentie in haar gebied;
  3. voor diocesane verenigingen de diocesane Bisschop in zijn eigen gebied, maar niet de diocesane Administrator, met uitzondering evenwel van die verenigingen waarvan het recht tot oprichting krachtens een apostolisch privilege aan anderen voorbehouden is.
§ 2 Voor de geldige oprichting van een vereniging of van een afdeling van een vereniging in een bisdom, ook al geschiedt deze krachtens een apostolisch privilege, is de schriftelijke toestemming van de diocesane Bisschop vereist; de toestemming evenwel welke door de diocesane Bisschop verleend is voor de oprichting van een huis van een religieus instituut, geldt ook voor de oprichting in dat huis of in een daaraan verbonden kerk van een vereniging welke aan dat instituut eigen is.
Een publieke vereniging en eveneens een confederatie van publieke verenigingen worden door het decreet zelf waarbij zij door de volgens can. 312 bevoegde kerkelijke overheid opgericht worden, rechtspersoon en ontvangen, in zover vereist wordt, de zending om de doelstellingen die zij zich in naam van de Kerk voorstellen, te verwezenlijken.
De statuten van elke publieke vereniging en de beoordeling of wijziging ervan behoeven de goedkeuring van de kerkelijke overheid aan welke de oprichting van de vereniging volgens can. 312, § 1 toekomt.
Publieke verenigingen kunnen uit eigen beweging initiatieven ondernemen die bij hun eigen aard passen, en zij worden geleid volgens de statuten, onder de hogere leiding echter van de kerkelijke overheid waarover in can. 312, § 1.

§ 1 Wie publiek het katholiek geloof verworpen heeft of van de gemeenschap van de Kerk afgevallen is of door een opgelegde of verklaarde excommunicatie getroffen is, kan niet geldig in publieke verenigingen opgenomen worden.

§ 2 Wettig ingeschrevenen die in een situatie komen waarover in § 1, dienen na voorafgaande vermaning uit de vereniging verwijderd te worden, met inachtneming van haar statuten en met behoud van het recht op beroep op de kerkelijke overheid waarover in can. 312, § 1.

§ 1 Tenzij iets anders in de statuten voorzien wordt, komt het de kerkelijke overheid waarover in can. 312, § 1, toe de bestuurder van een publieke vereniging die door de publieke vereniging zelf gekozen is, te bevestigen of, wanneer hij voorgedragen is, aan te stellen of op grond van eigen recht te benoemen; een cappellanus of kerkelijke assistent dient door deze kerkelijke overheid benoemd te worden na de hogere functionarissen van de vereniging gehoord te hebben, waar dit wenselijk is.

§ 2 De norm in § 1 gesteld, geldt ook voor verenigingen die door leden van religieuze instituten krachtens een apostolisch privilege buiten de eigen kerken of huizen opgericht zijn; bij verenigingen echter die door leden van religieuze instituten in eigen kerk of huis opgericht zijn, komt de benoeming of bevestiging van de bestuurder en cappellanus aan de Overste van het instituut toe, volgens de statuten.

§ 3 In verenigingen die geen clericale verenigingen zijn, kunnen leken de functie van bestuurder uitoefenen, een cappellanus of een kerkelijke assistent mag niet in die functie aangesteld worden, tenzij in de statuten iets anders voorzien wordt.

§ 4 In publieke verenigingen van christengelovigen welke rechtstreeks op de uitoefening van apostolaat gericht zijn, mogen zij die in politieke partijen een leidende functie vervullen, geen bestuurder zijn.

§ 1 In bijzondere omstandigheden, waar ernstige redenen dit eisen, kan de kerkelijke overheid waarover in can. 312, § 1, een commissaris aanwijzen, die in haar naam de vereniging tijdelijk bestuurt.

§ 2 De bestuurder van een publieke vereniging kan om een goede reden ontslagen worden door degene die hem benoemd of bevestigd heeft, na echter zowel de bestuurder zelf als de hogere functionarissen van de vereniging volgens de statuten gehoord te hebben; een cappellanus evenwel kan ontslagen worden, volgens de canones 192-195, door degene die hem benoemd heeft.

§ 1 Een wettig opgerichte publieke vereniging beheert, tenzij anders voorzien is, de goederen die zij bezit volgens de statuten onder de hogere leiding van de kerkelijke overheid waarover in can. 312, § 1, waaraan zij jaarlijks rekenschap van haar beheer moet afleggen.

§ 2 Ook van de besteding van giften en aalmoezen die zij ingezameld heeft, moet zij aan dezelfde overheid rekenschap afleggen.

§ 1 Verenigingen die door de Heilige Stoel opgericht zijn, kunnen alleen door deze opgeheven worden.

§ 2 Wegens ernstige redenen kunnen door de bisschoppenconferentie verenigingen welke door haar opgericht zijn, opgeheven worden; door de diocesane Bisschop verenigingen die door hem zijn opgericht, en ook verenigingen die krachtens een apostolisch indult door leden van religieuze instituten met toestemming van de diocesane Bisschop opgericht

§ 3 Een publieke vereniging mag niet door de bevoegde overheid opgeheven worden, tenzij na haar bestuurder en de andere hogere functionarissen gehoord te hebben.

Document

Naam: CODEX IURIS CANONICI
Codex van het Canonieke recht
Soort: Wetboek
Auteur: Aucturitate Ioannis Pauli PP. II
Datum: 25 januari 1983
Copyrights: © www.kerkrecht.nl
Aan de hier gepubliceerde versie kunnen geen rechten ontleend worden
Bewerkt: 13 september 2019

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
Trefwoordenlijst voor dit document
 
|
Pagina delen: 
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2019, Stg. InterKerk, Schiedam