• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

De taken in het bijzonder aan de pastoor toevertrouwd, zijn de volgende:

  1. de toediening van het Doopsel;
  2. de toediening van het sacrament van het Vormsel aan degenen die in stervensgevaar verkeren, volgens can. 883, nr.3;
  3. de toediening van het Viaticum alsook van de ziekenzalving, onverminderd het voorschrift van can. 1003, §§2-3, en de verlening van de apostolische zegen;
  4. de assistentie bij huwelijken en het geven van de huwelijkszegen;
  5. het verrichten van uitvaarten;
  6. de zegening van de doopvont in de paastijd, het leiden van processies buiten de kerk, alsook plechtige zegeningen buiten de kerk;
  7. de meer plechtige celebratie van de Eucharistie op zondagen en geboden feestdagen.

Alinea's in de marge van alinea 530

§ 1 Indien aan priesters hoofdelijk de pastorale zorg over een parochie of verschillende parochies tegelijk toevertrouwd wordt, is ieder afzonderlijk van hen, volgens de door hen zelf vastgestelde ordening, gehouden aan de verplichting de taken en functies van een pastoor waarover in de canones 528, 529 en 530, te vervullen; de bevoegdheid om bij huwelijken te assisteren, zoals ook alle macht om te dispenseren die van rechtswege aan een pastoor verleend is, komen hun allen toe, maar moeten uitgeoefend worden onder leiding van de moderator.

§ 2 Alle priesters die tot de groep behoren:

  1. zijn gehouden aan de residentieplicht;
  2. dienen in onderling overleg de ordening vast te stellen volgens welke één van hen de Mis voor het volk volgens can. 534 celebreert;
  3. alleen de moderator vertegenwoordigt in juridische aangelegenheden de parochie of parochies die aan de groep zijn toevertrouwd.

Behoudens het voorschrift van can. 262, is het een rector niet toegestaan de parochiële taken waarover in can. 530, nrs.1-6, in de hem toevertrouwde kerk te verrichten, tenzij met toestemming van de pastoor of, als de zaak het vereist, met diens delegatie.

§ 1 De gewone bedienaar van het Doopsel is de Bisschop, de priester en de diaken, onverminderd het voorschrift van can. 530, nr.1.

§ 2 Als de gewone bedienaar afwezig of verhinderd is, dient een catechist of iemand anders die door de plaatselijke Ordinaris voor deze taak aangewezen is, geoorloofd het Doopsel toe, en zelfs, in geval van nood, gelijk welke mens die door de vereiste intentie geleid wordt; de zielzorgers, vooral de pastoor, dienen er zorg voor te dragen dat de Christengelovigen over de juiste wijze van dopen onderricht worden.

Document

Naam: CODEX IURIS CANONICI
Codex van het Canonieke recht
Soort: Wetboek
Auteur: Aucturitate Ioannis Pauli PP. II
Datum: 25 januari 1983
Copyrights: © www.kerkrecht.nl
Aan de hier gepubliceerde versie kunnen geen rechten ontleend worden
Bewerkt: 13 september 2019

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
Trefwoordenlijst voor dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2019, Stg. InterKerk, Schiedam