• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x
Het is de plicht van de Kerk en haar eigen en uitsluitend recht degenen op te leiden die voor de gewijde bedieningen bestemd worden.
§ 1 Op de gehele christelijke gemeenschap rust de plicht roepingen te bevorderen opdat in de noden van het gewijde dienstwerk in de gehele Kerk voldoende voorzien wordt; speciaal aan deze plicht gehouden zijn de christelijke gezinnen, de opvoeders en op bijzondere wijze de priesters, vooral de pastoors. De diocesane Bisschoppen, op wie bij uitstek de taak rust om roepingen te bevorderen, dienen het hun toevertrouwde volk nauwkeurig te onderrichten over het belang van het gewijde dienstwerk en over de noodzaak van gewijde bedienaren in de Kerk, alsook initiatieven ter bevordering van roepingen, vooral door werken die hiertoe ingesteld zijn, te wekken en te ondersteunen.

§ 2 Bovendien dienen de priesters, maar vooral de diocesane Bisschoppen er voor zorg te dragen dat mannen van rijpere leeftijd die zich tot de gewijde bedieningen geroepen voelen, wijs met woord en daad geholpen en naar behoren voorbereid worden.

§ 1 Waar ze bestaan, dienen in stand gehouden en bevorderd te worden kleinseminaries of andere gelijksoortige instituten, waarin namelijk ter bevordering van roepingen zorg gedragen wordt dat een bijzondere godsdienstige vorming samen met een algemeen-mensvormende en wetenschappelijke opleiding gegeven wordt; de diocesane Bisschop dient zelfs, waar hij dit nuttig oordeelt, te zorgen voor de oprichting van een kleinseminarie of een gelijksoortig instituut.

§ 2 Tenzij in bepaalde gevallen de omstandigheden iets anders wenselijk maken, dienen jongeren die het voornemen hebben naar het priesterschap op te gaan, die algemeen-mensvormende en wetenschappelijke vorming te ontvangen waarmee jongeren ieder in hun streek op het doen van hogere studies voorbereid worden.

§ 1 Jongeren die het voornemen hebben priester te worden, dienen voor een aangepaste geestelijke vorming en voor de eigen taken onderricht te worden op een grootseminarie gedurende de gehele vormingstijd of, indien de omstandigheden volgens het oordeel van de diocesane Bisschop dit eisen, gedurende ten minste vier jaar.

§ 2 Zij die wettig buiten het seminarie verblijven, dienen door de diocesane Bisschop toevertrouwd te worden aan een vrome en geschikte priester, die erover waakt dat zij met zorg gevormd worden in het geestelijk leven en in de discipline.

De aspiranten voor het permanent diaconaat dienen overeenkomstig de voorschriften van de bisschoppenconferentie gevormd te worden in het voeden van hun geestelijk leven alsook opgeleid te worden om de taken welke aan deze wijding eigen zijn, op de juiste wijze te vervulen:
  1. jonge mannen tijdens een verblijf van ten minste drie jaar in een daartoe bestemd huis, tenzij de diocesane Bisschop om ernstige redenen anders bepaald heeft;
  2. mannen van rijpere leeftijd, hetzij ongehuwd hetzij gehuwd, gedurende drie jaar op een wijze welke door dezelfde bisschoppenconferentie bepaald is.
§ 1 In elk bisdom afzonderlijk dient, waar dit mogelijk en nuttig is, een grootseminarie te zijn; anders dienen de studenten die zich op de gewijde bedieningen voorbereiden, aan het seminarie van een ander bisdom toevertrouwd te worden of dient een interdiocesaan seminarie opgericht te worden.

§ 2 Een interdiocesaan seminarie mag niet opgericht worden tenzij vooraf de goedkeuring van de Apostolische Stoel verkregen is zowel betreffende de oprichting zelf van het seminarie als betreffende zijn statuten, en wel door de bisschoppenconferentie, als het gaat om een seminarie voor geheel haar gebied, en anders door de belanghebbende Bisschoppen.

§ 1 De wettig opgerichte seminaries genieten van rechtswege rechtspersoonlijkheid in de Kerk.

§ 2 Bij het behandelen van alle zaken wordt het seminarie vertegenwoordigd door zijn rector, tenzij voor bepaalde zaken de bevoegde overheid iets anders bepaald heeft.

§ 1 In elk seminarie dient een rector te zijn die de leiding ervan heeft en eventueel een vice-rector, een econoom en, als de studenten in het seminarie zelf zich aan de studies wijden, ook professoren die onderricht geven in de verschillende disciplines, die op geëigende wijze op elkaar afgestemd zijn.

§ 2 In elk seminarie dient tenminste één geestelijk directeur te zijn, met behoud van de vrijheid voor de studenten zich tot andere priesters te wenden die door de Bisschop voor deze taak aangesteld zijn.

§ 3 In de statuten van het seminarie dient voorzien te worden in de wijzen waarop de andere bestuurders, de professoren en ook de studenten zelf in de zorg van de rector delen, vooral bij het bewaren van de discipline.

§ 1 Naast de gewone biechtvaders dienen regelmatig andere biechtvaders in het seminarie te komen en dient het, met behoud evenwel van de seminarie-discipline, de studenten altijd onverminderd toe te komen zich te wenden tot iedere biechtvader hetzij in het seminarie hetzij daarbuiten.

§ 2 Bij het nemen van beslissingen over het toelaten van studenten tot de wijdingen of het wegzenden van het seminarie kan nooit het oordeel van de geestelijk directeur en van de biechtvaders gevraagd worden.

§ 1 Tot het grootseminarie mogen door de diocesane Bisschop alleen degenen toegelaten worden die, rekening houdend met hun menselijke en morele, geestelijke en intellectuele gaven, met hun fysieke en psychische gezondheidstoestand alsmede hun juiste gezindheid, bekwaam geacht worden zich voor het leven te wijden aan de gewijde bedieningen.

§ 2 Voordat zij aangenomen mogen worden, moeten zij de documenten voorleggen over het ontvangen van het doopsel en het vormsel alsmede de andere documenten die volgens de voorschriften van het Statuut voor de priesteropleiding vereist zijn.

§ 3 Indien het gaat over het toelaten van hen die van een ander seminarie of van een religieus instituut weggezonden zijn, is bovendien het getuigenis van de betreffende overste vereist vooral omtrent de oorzaak van hun wegzending of heengaan.

Document

Naam: CODEX IURIS CANONICI
Codex van het Canonieke recht
Soort: Wetboek
Auteur: Aucturitate Ioannis Pauli PP. II
Datum: 25 januari 1983
Copyrights: © www.kerkrecht.nl
Aan de hier gepubliceerde versie kunnen geen rechten ontleend worden
Bewerkt: 27 juni 2021

Referenties naar dit document

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
Trefwoordenlijst voor dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2021, Stg. InterKerk, Schiedam