• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x
§ 1 Een clericus die in concubinaat leeft, buiten het geval waarover in can. 1394, en een clericus die in een andere uiterlijke zonde tegen het zesde gebod van de Catechismus-Compendium
Tien Geboden
()
ergernisgevend blijft verkeren, dienen met een suspensie gestraft te worden, waaraan, indien het misdrijf na vermaning blijft bestaan, trapsgewijs andere straffen toegevoegd kunnen worden tot wegzending uit de clericale staat toe.

§ 2 Een clericus die anderszins tegen het zesde gebod van de Decaloog misdaan heeft, dient, als het misdrijf bedreven is met geweld of bedreigingen of in het publiek of met een minderjarige beneden de leeftijd van zestien jaar, met rechtvaardige straffen gestraft te worden, wegzending uit de clericale staat eventueel niet uitgesloten.

Alinea's in de marge van alinea 1395

§ 1 Een lid moet weggezonden worden wegens de misdrijven waarover in de canones 1397, 1398 en 1395, tenzij de Overste bij de misdrijven waarover in can. 1395, § 2, van oordeel is dat wegzending niet volstrekt noodzakelijk is en dat voor de verbetering van het lid en voor het herstel van de rechtvaardigheid en het wegnemen van ergernis op andere wijze voldoende gezorgd kan worden.

§ 2 In deze gevallen dient de hogere Overste, nadat de bewijzen betreffende de feiten en de toerekenbaarheid bijeengebracht zijn, aan het weg te zenden lid de beschuldiging te betekenen, waarbij hem de mogelijkheid gegeven wordt zich te verdedigen. Alle akten, door de hogere Overste en een notarius ondertekend, dienen tegelijk met de antwoorden van het lid, op schrift gesteld en door het lid zelf ondertekend, aan de hoogste Bestuurder overgemaakt te worden.

§ 1 Een strafvordering vervalt door verjaring na drie jaar, tenzij het gaat:
  1. om misdrijven die voorbehouden zijn aan de Congregatie voor de Geloofsleer;
  2. om een vordering wegens misdrijven waarover in de canones 1394, 1395, 1397, 1398, die na vijf jaar verjaart;
  3. om misdrijven die niet door het algemeen recht bestraft worden, als de particuliere wet een andere termijn van verjaring vastgesteld heeft.
§ 2 De verjaring loopt vanaf de dag dat het misdrijf gepleegd is, of indien het misdrijf blijvend of habitueel is, vanaf de dag dat het heeft opgehouden te bestaan.

Document

Naam: CODEX IURIS CANONICI
Codex van het Canonieke recht
Soort: Wetboek
Auteur: Aucturitate Ioannis Pauli PP. II
Datum: 25 januari 1983
Copyrights: © www.kerkrecht.nl
Aan de hier gepubliceerde versie kunnen geen rechten ontleend worden
Bewerkt: 11 april 2019

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
Trefwoordenlijst voor dit document
 
|
Pagina delen: 
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2019, Stg. InterKerk, Schiedam