• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

Het is vanuit de nu beschreven situatie van de wereld, die reeds uitgebreid uiteengezet is in de encycliek H. Paus Johannes Paulus II - Encycliek
Sollicitudo Rei Socialis
De ontwikkeling van de mens en de samenlevingTwintig jaar na Populorum Progressio van Paus Paulus VI
(30 december 1987)
, dat men de onvermoede en veelbelovende draagwijdte van de gebeurtenissen van de laatste jaren begrijpt. Wat in het jaar 1989 is gebeurd in de landen van Midden- en Oost-Europa, is zeker het hoogtepunt geweest van die gebeurtenissen, welke echter een ruimere tijdsspanne en geografische horizon omvatten. In de loop van de tachtiger jaren storten geleidelijk in enige landen van Latijns-Amerika en ook van Afrika en Azië bepaalde regimes van dictatuur en onderdrukking ineen. In andere gevallen begint een even moeilijke maar vruchtbare weg van overgang naar politieke vormen met meer medezeggenschap en rechtvaardigheid. Een belangrijke en zelfs beslissende bijdrage is gegeven door de inzet van de Kerk voor de verdediging en de bevordering van de mensenrechten. In sterk geïdeologiseerde milieus, waarin de partijdige opstelling het bewustzijn van de algemene menselijke waardigheid verduisterde, heeft de Kerk met eenvoud en kracht bevestigd dat iedere mens in zich het beeld van God draagt en dus eerbied verdient, welke ook zijn persoonlijke overtuigingen zijn. De grote meerderheid van het volk heeft zich vaak herkent in deze uitspraak en dat heeft geleid tot het zoeken van vormen van politieke strijd en van oplossingen die beter de waardigheid van de mens eerbiedigen.

Uit dit historische proces zijn nieuwe vormen van democratie voortgekomen, die hoop bieden op een verandering in de broze politieke en sociale structuren welke behalve met een rampzalige economie en ernstige sociale conflicten bezwaard zijn met de hypotheek van een pijnlijke serie van onrechtvaardigheden en rancunes. Terwijl ik met de gehele Kerk God dank voor het vaak heldhaftig getuigenis dat vele herders, gehele christengemeenschappen, afzonderlijke gelovigen en andere mensen van goede wil in die moeilijke omstandigheden gegeven hebben, bid ik dat Hij de krachten van allen voor de opbouw van een betere toekomst steunt. Dat is niet alleen een verantwoordelijkheid van de burgers van die landen, maar van alle christenen en mensen van goede wil. Het gaat erom aan te tonen dat de ingewikkelde problemen van die volken opgelost kunnen worden met de methode van de dialoog en de solidariteit in plaats van door de strijd voor de vernietiging van de tegenstander en door de oorlog.

Onder de talrijke factoren van de val van de regimes van onderdrukking verdienen sommige in het bijzonder vermeld te worden. De beslissende factor, die de veranderingen op gang heeft gebracht, is zeker de schending van de rechten van de arbeid. Men mag niet vergeten dat de fundamentele crisis van de systemen, welke het bewind en zelfs de dictatuur van de arbeiders beweren uit te drukken, begint met de grote woelingen in Polen in naam van de solidariteit. Het zijn de arbeidersmassa’s die de ideologie ontrechten welke beweert te spreken in hun naam, en vanuit de levende en moeilijke ervaring van de arbeid en de onderdrukking beginselen en uitdrukkingen van de sociale leer van de Kerk terugvinden en als het ware opnieuw ontdekken.

Voorts verdient het feit benadrukt te worden dat men bijna overal de val van zo’n “blok” of rijk bereikt door middel van een vreedzame strijd, die alleen gebruik maakt van de wapens van de waarheid en de rechtvaardigheid. Terwijl het marxisme geloofde dat het alleen mogelijk was de oplossing van de sociale tegenstellingen te bereiken door ze tot het uiterste op te voeren en door een gewelddadige botsing, blijft de strijd die tot de val van het marxisme leidt, met vasthoudendheid alle wegen beproeven van de onderhandeling, de dialoog en het getuigenis van de waarheid, een beroep doen op het geweten van de tegenstander en proberen in hem de zin voor de gemeenschappelijke waardigheid op te wekken.

Het leek dat de Europese orde die voortgekomen was uit de Tweede Wereldoorlog en bevestigd was door de overeenkomsten van Jalta, alleen maar aan het wankelen gebracht kon worden door een andere oorlog. Hij is daarentegen overwonnen door de geweldloze inzet van mensen die, terwijl zij steeds geweigerd hebben te wijken voor de macht van het geweld, iedere keer doeltreffende vormen hebben weten te vinden om getuigenis af te leggen van de waarheid. Dat heeft de tegenstander ontwapend, want het geweld heeft altijd de behoefte om zich te rechtvaardigen door de leugen en om valselijk het voorkomen aan te nemen van de verdediging van een recht of van het antwoord op de bedreiging door anderen. Ik dank God dat Hij het hart van de mensen gesteund heeft in de tijd van de moeilijke beproeving en ik bid dat dit voorbeeld ook in andere plaatsen en in andere omstandigheden dienstig mag zijn. Mogen de mensen leren om zonder geweld te strijden voor de rechtvaardigheid en afzien van de klassenstrijd in de binnenlandse tegenstellingen en van de oorlog in de internationale tegenstellingen.

De tweede factor van crisis is zeker de ondoelmatigheid van het economische systeem, die niet alleen gezien moet worden als een technisch probleem maar eerder als een gevolg van de schending van de rechten van de mens op initiatief, eigendom en vrijheid in de sector van de economie. Met dit aspect moet veder de culturele en nationale dimensie verbonden worden. Het is niet mogelijk de mens eenzijdig vanuit de economische sector te begrijpen en het is ook niet mogelijk hem eenvoudig op grond van het feit dat hij tot een bepaalde klasse behoort, te definiëren. De mens wordt op meer uitputtende wijze begrepen als hij geplaatst wordt in het kader van de cultuur door de taal, de geschiedenis en de posities die hij inneemt tegenover de fundamentele gebeurtenissen van het bestaan, zoals de geboorte, de liefde, de arbeid en de dood. In het centrum van iedere cultuur staat de houding die de mens aanneemt tegenover het grootste mysterie: het mysterie van God. De culturen van de verschillende naties zijn in wezen even vele wijzen om te antwoorden op de vraag aangaande de zin van het persoonlijke bestaan. Als deze vraag wordt geëlimineerd, worden de cultuur en het morele leven van de naties aangetast. Daarom heeft de strijd voor de verdediging van de arbeid zich spontaan verbonden met de strijd voor de cultuur en voor de nationale rechten.

De ware oorzaak van de vernieuwingen is echter de geestelijke leegte die het atheïsme opgeroepen heeft en die de jongere generaties richtingloos gelaten heeft en ze niet zelden bij het niet te onderdrukken zoeken van de eigen identiteit en van de zin van het leven gebracht heeft tot de herontdekking van de godsdienstige wortels van de cultuur van hun naties en van de persoon zelf van Christus, als existentieel passend antwoord op het verlangen naar het goede, de waarheid en het leven in het hart van ieder mens. Dit zoeken is aangemoedigd door het getuigenis van hen die in moeilijke omstandigheden en in de vervolging trouw gebleven zijn aan God. Het marxisme had beloofd de behoefte aan God uit het hart van de mens weg te rukken, maar de resultaten hebben aangetoond dat men daar niet in kan slagen zonder het hart te verstoren.

De gebeurtenissen van het jaar 1989 geven een voorbeeld van het succes van de wil om te onderhandelen en van de evangelische geest tegen een tegenstander die vastbesloten is zich niet te laten binden door morele beginselen. Zij zijn een waarschuwing voor wie in naam van politiek realisme het recht en de moraal uit de politieke arena willen bannen. De strijd die geleid heeft tot de veranderingen van het jaar 1989 heeft zeker helderheid van geest, matiging, lijden en offers gevraagd. Hij is in zekere zin voortgekomen uit het gebed en zou ondenkbaar geweest zijn zonder een onbegrensd vertrouwen in God, de Heer van de geschiedenis, in wiens handen het hart van de mensen ligt. Het is door het eigen lijden omwille van de waarheid en de vrijheid te verenigen met het lijden van Christus aan het kruis dat de mens het wonder van de vrede kan verrichten en het vaak nauwe pad kan ontwaren tussen de lafheid die wijkt voor het kwaad, en het geweld dat het kwaad verergert terwijl het zich wijs maakt het te bestrijden.

Men mag echter niet blind zijn voor de talloze beperkingen te midden waarvan de vrijheid van de afzonderlijke mens uitgeoefend moet worden. Zij beïnvloeden de vrijheid, maar bepalen haar niet. Zij maken de uitoefening van de vrijheid meer of minder gemakkelijk, maar kunnen haar niet vernietigen. Het is niet alleen vanuit ethisch gezichtspunt ongeoorloofd de natuur van de mens, die geschapen is voor de vrijheid, te miskennen, maar het is ook praktisch onmogelijk. Waar de maatschappij georganiseerd wordt met willekeurige inperking of zelfs onderdrukking van de ruimte waarin de vrijheid wettig uitgeoefend wordt, is het gevolg dat het maatschappelijke leven geleidelijk ontbonden wordt en uiteenvalt.

Bovendien draagt de mens, die voor de vrijheid is geschapen, in zich de wonde van de erfzonde welk hem voortdurend naar het kwaad trekt en maakt dat hij verlossing nodig heeft. Deze leer maakt niet alleen onlosmakelijk deel uit van de christelijke openbaring, maar zij heeft ook een grote hermeneutische waarde, omdat zij helpt om de menselijke realiteit te begrijpen. De mens streeft naar het goede, maar is ook in staat het kwade te doen. Hij kan boven zijn onmiddellijk belang uitstijgen en blijft er toch aan gebonden. De maatschappelijke orde zal des te hechter zijn naarmate zij meer rekening zal houden met dit feit en niet het persoonlijk belang zal stellen tegenover dat van de maatschappij in haar geheel, maar veeleer wijzen van vruchtbare coördinatie zal zoeken. Waar het individuele belang gewelddadig wordt onderdrukt, wordt het vervangen door een drukkend systeem van bureaucratische controle, dat de bronnen van het initiatief en van de creativiteit doet uitdrogen. Wanneer de mensen menen het geheim te bezitten van een volmaakte sociale organisatie die het kwaad onmogelijk maakt, dan geloven zij ook dat zij alle middelen mogen gebruiken om haar te verwezenlijken, ook het geweld of de leugen. De politiek wordt dan een “wereldse godsdienst”, die de illusie heeft het paradijs in deze wereld op te bouwen. Maar geen enkele politieke maatschappij die haar eigen autonomie en wetten heeft, Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk in de wereld van deze tijd, Gaudium et Spes (7 dec 1965), 36.39 zal ooit mogen worden verward met het Rijk van God. De evangelische gelijkenis van het goede zaad en het onkruid Vgl. Mt. 13, 24-30.36-43 leert dat het alleen aan God toekomt om de onderdanen van het Rijk en die van de Boze te scheiden en dat dit oordeel plaats zal vinden op het einde der tijden. Als de mens de pretentie heeft vooruit te lopen op het oordeel, dan stelt hij zich in de plaats van God en verzet hij zich tegen diens geduld.

Dankzij het kruisoffer van Christus is de overwinning van het Rijk van God eens en voor al behaald. Maar de christelijke conditie brengt de strijd tegen de bekoringen en de krachten van het kwaad mee. Pas aan het eind van de geschiedenis zal de Heer in heerlijkheid wederkeren voor het eindoordeel Vgl. Mt. 25, 31 met de vestiging van de nieuwe hemelen en de nieuwe aarde Vgl. 2 Pt. 3, 13 Vgl. Openb. 21, 1 . Maar zolang de tijd voortduurt, gaat de strijd tussen goed en kwaad door tot in het hart van de mens.

Wat de Heilige Schrift ons leert aangaande de lotgevallen van het Rijk van God heeft consequenties voor het leven van de tijdelijke maatschappijen die, zoals het woord “tijdelijk“ zegt, tot die werkelijkheid van de tijd behoren met al het onvolmaakte en voorlopige dat deze meebrengt. Het Rijk van God, dat in de wereld is zonder van de wereld te zijn, verlicht de orde van de menselijke maatschappij, terwijl de krachten van de genade haar doordringen en levend maken. Zo ziet men beter de eisen van een menswaardige maatschappij, worden de afwijkingen hersteld en wordt de moed om het goede te doen versterkt. Tot deze taak om de menselijke realiteiten op evangelische wijze te bezielen worden de christenen en in het bijzonder de leken geroepen, samen met alle mensen van goede wil. Vgl. H. Paus Johannes Paulus II, Postsynodale Apostolische Exhortatie, Over de roeping en de zending van de leken in de Kerk, Christifideles laici (30 dec 1988), 32-41. t.m. 44

De gebeurtenissen van het jaar 1989 hebben voornamelijk plaatsgevonden in de landen van Oost- en Midden-Europa. Zij hebben echter een universele betekenis, aangezien er positieve en negatieve gevolgen uit voortkomen die voor heel de mensenfamilie van belang zijn. Deze gevolgen hebben geen mechanisch of fatalistisch karakter, maar zijn veeleer gelegenheden die aan de menselijke vrijheid geboden worden om mee te werken aan het plan van de barmhartigheid van God in die geschiedenis werkt.

Een eerste gevolg is de ontmoeting geweest in enige landen tussen de Kerk en de arbeidersbeweging, die voortgekomen is uit een reactie van de ethische en uitdrukkelijk christelijke orde tegen een wijdverbreide situatie van onrechtvaardigheid. Genoemde beweging is voor ongeveer een eeuw deels onder marxistische overheersing gekomen, in de overtuiging dat de proletariërs om doeltreffend tegen de onderdrukking te strijden de theorieën van het materialisme en het economisme tot de hunne moesten maken.

In de crisis van het marxisme komen weer spontane vormen van het arbeidersbewustzijn naar boven, welke een vraag naar rechtvaardigheid en naar erkenning van de waardigheid van de arbeid uitdrukken die in overeenstemming is met de sociale leer van de Kerk. Vgl. H. Paus Johannes Paulus II, Encycliek, Op de negentigste verjaardag van de encycliek Rerum Novarum, Laborem Exercens (14 sept 1981), 20 De arbeidersbeweging vloeit samen met een meer algemene beweging van de mensen van de arbeid en van de mensen van goede wil voor de bevrijding van de mens en voor de bevestiging van zijn rechten. Zij dringt nu in vele landen door en verre van zich tegenover de katholieke Kerk te stellen kijkt zij met belangstelling naar haar.

De crisis van het marxisme verwijdert niet de situaties van onrechtvaardigheid en onderdrukking uit de wereld, waardoor het marxisme zelf, dat er misbruik van gemaakt heeft, gevoed werd. Aan degenen die nu een nieuwe en authentieke theorie en praktijk van bevrijding zoeken, biedt de Kerk niet alleen haar sociale leer en in het algemeen haar onderricht over de mens die door Christus verlost is, maar ook haar concrete inzet en hulp voor de bevrijding van de marginalisering en het lijden.

In het recente verleden heeft het oprechte verlangen om aan de kant van de onderdrukten te staan en niet afgesneden te worden van de loop van de geschiedenis vele gelovigen ertoe gebracht op verschillende wijzen een onmogelijk compromis te zoeken tussen marxisme en christendom. De huidige tijd, die alles wat gebrekkig was in die pogingen te boven komt, leidt tot een nieuwe bevestiging van het positieve van een authentieke theologie van de integrale menselijke bevrijding. Vgl. Congregatie voor de Geloofsleer, Over de christelijke vrijheid en bevrijding, Libertatis conscientia (22 mrt 1986) Gezien vanuit dit gezichtspunt blijken de gebeurtenissen van het jaar 1989 ook belangrijk te zijn voor de landen van de Derde Wereld, die op zoek zijn naar de weg van hun ontwikkeling zoals zij belangrijk geweest zijn voor de landen van Midden- en Oost-Europa.

Een tweede gevolg betreft die volken van Europa. Er zijn op het individuele, sociale, regionale en nationale vlak vele onrechtvaardigheden bedreven in de jaren waarin het communisme geheerst heeft en ook daarvóór; veel haat en wrok zijn opgestapeld. Er bestaat het reële gevaar dat deze weer losbreken na de val van de dictatuur en ernstige conflicten en rouw oproepen als de morele inspanning en de bewuste kracht om getuigenis van de waarheid af te leggen, die in de voorbije tijd de inspanningen bezield hebben, te kort schieten. Het is te hopen dat haat en geweld niet overwinnen in de harten, vooral niet in die van hen die strijden voor de rechtvaardigheid, en dat in allen de geest van vrede en vergeving groeit.

Er zijn echter concrete stappen nodig om internationale structuren te scheppen of te versterken die met het oog op een passende arbitrage in staat zijn om tussenbeide te komen in de conflicten die tussen de naties ontstaan, zodat iedere natie de eigen rechten kan laten gelden en de rechtmatige overeenstemming en het vreedzaam samen gaan met de rechten van de andere naties kan bereiken. Dat alles is speciaal nodig voor de Europese naties, die nauw met elkaar verbonden zijn door de band van de gemeenschappelijke cultuur en de duizendjarige geschiedenis. Er is een grote inspanning nodig voor de morele en economische wederopbouw in de landen die het communisme opgegeven hebben. Gedurende lange tijd zijn de meeste elementaire economische betrekkingen verwrongen geweest en ook fundamentele deugden die verbonden zijn met de sector van de economie zoals waarachtigheid, betrouwbaarheid en arbeidzaamheid zijn verzwakt. Er is een geduldige materiële en morele wederopbouw nodig, terwijl de volken die uitgeput zijn door langdurige ontberingen, aan hun regeerders tastbare en onmiddellijke resultaten op het gebied van de welvaart vragen, alsmede passende bevrediging van hun rechtmatige verlangens.

De val van het communisme heeft natuurlijk gevolgen van grote strekking gehad met betrekking tot de verdeling van de aarde in werelden die voor elkaar gesloten zijn en elkaar met afgunst beconcurreren. Hij maakt de werkelijkheid van de onderlinge afhankelijkheid van de volken duidelijker, alsook het feit dat de menselijke arbeid van nature bestemd is om de volken te verenigen en niet om ze te verdelen. De vrede en de voorspoed zijn inderdaad goederen die heel het menselijke geslacht toebehoren, zodat het niet mogelijk is deze op correcte en duurzame wijze te genieten als ze verkregen en gehandhaafd worden ten koste van andere volken en naties, met schending van hun rechten of met hun uitsluiting van de bronnen van de welvaart.

Voor sommige landen van Europa begint in zekere zin de echte naoorlogse periode. De radicale nieuwe ordening van de economie, die tot voor kort gecollectiviseerd was, brengt problemen mee en offers die vergeleken kunnen worden met die welke de westelijke landen van het continent zich opgelegd hebben voor hun wederopbouw na de Tweede Wereldoorlog. Het is rechtvaardig dat de voormalige communistische landen in de huidige moeilijkheden gesteund worden door de solidaire inspanning van de andere naties. Zij moeten vanzelfsprekend de eerste zijn om hun eigen ontwikkeling te bewerken, maar hun moet een redelijke gelegenheid geboden worden om haar te verwerkelijken en dat kan niet zonder de hulp van de andere landen. De huidige toestand van moeilijkheden en gebrek is overigens het gevolg van een historisch proces waarvan de ex-communistische landen dikwijls object zijn geweest en niet subject. Daarom bevinden zij zich niet uit vrije keuze in die situatie of vanwege vergissingen die zij gemaakt hebben, maar als gevolg van tragische historische gebeurtenissen, die met geweld opgedrongen zijn en hen verhinderd hebben de weg van de economische en burgerlijke ontwikkeling te volgen.

De hulp van de andere landen, vooral van de andere Europese landen, die deelgenomen hebben aan dezelfde geschiedenis en daarvoor de verantwoordelijkheid dragen, beantwoordt aan een schuld van rechtvaardigheid. Maar het beantwoordt ook aan het belang en het algemeen welzijn van Europa, dat niet in vrede zal kunnen leven als de conflicten van diverse aard die ontstaan als gevolg van het verleden, verscherpt zullen worden door een situatie van economische wanorde, van geestelijke onvoldaanheid en van wanhoop.

Deze eis moet echter niet voeren tot vermindering van de inspanningen om de landen van de Derde Wereld te steunen en te helpen, die vaak onder condities van veel ernstiger gebrek en armoede leven. Vgl. H. Paus Johannes Paulus II, Toespraak, Hoofdkwartier van het E.C.W.A., Ouagadougou, Burkino Faso, Ter gelegenheid van de 10e verjaardag van het "Appel voor de Sahel" (29 jan 1990) Er zal een buitengewone inspanning nodig zijn om de hulpbronnen die de wereld in haar geheel bezit, aan te wenden voor doeleinden van gemeenschappelijke economische groei en ontwikkeling en om de prioriteiten en waardeschalen op grond waarvan de economische en politieke keuzen worden bepaald, te herzien. Aanzienlijke hulpbronnen kunnen beschikbaar komen door de ontmanteling van de enorme militaire apparaten die opgebouwd zijn voor het conflict tussen oost en west. Zij zullen nog groter kunnen blijken als men erin slagen zal om voor de oplossing van de conflicten betrouwbare procedures vast te stellen, die alternatieven zijn voor de oorlog, en om dus het beginsel van de controle en van de vermindering van de bewapening ook in de landen van de Derde Wereld te verspreiden en om geschikte maatregelen tegen de wapenhandel te nemen. Vgl. H. Paus Johannes XXIII, Encycliek, Vrede op aarde, Pacem in Terris (11 apr 1963), 80. e.v. Deel III Maar het zal vooral nodig zijn de mentaliteit op te geven die de armen - individuen en volken – als een last en als ongelegen verstoorders beschouwt, die willen verbruiken wat andere geproduceerd hebben. De armen vragen het recht om te delen in het genot van de materiële goederen en om hun werkwerkkracht vruchtbaar te maken en zo een wereld te scheppen die meer rechtvaardig en voor allen meer welvarend is. De verheffing van de armen is een grote gelegenheid voor de morele, culturele en ook economische groei van de gehele mensheid.

Tenslotte moet de ontwikkeling niet opvat worden op uitsluitend economische wijze maar in volledig menselijke zin. Vgl. H. Paus Johannes Paulus II, Encycliek, De ontwikkeling van de mens en de samenleving
Twintig jaar na Populorum Progressio van Paus Paulus VI, Sollicitudo Rei Socialis (30 dec 1987), 27-28
Vgl. H. Paus Paulus VI, Encycliek, Over de ontwikkeling van de volken, Populorum Progressio (26 mrt 1967), 43-44 Het gaat er niet alleen om alle volken te verheffen tot het niveau dat nu de rijkste landen genieten, maar in solidaire arbeid een waardiger leven op te bouwen, daadwerkelijk de waardigheid en de creativiteit van iedere afzonderlijke mens te vergroten, alsmede zijn vermogen om te beantwoorden aan zijn eigen roeping en dus aan de daarin begrepen oproep van God. Op het hoogtepunt van de ontwikkeling staat de uitoefening van het recht en de plicht om God te zoeken en te kennen en om dienovereenkomstig te leven. Vgl. H. Paus Johannes Paulus II, Encycliek, De ontwikkeling van de mens en de samenleving
Twintig jaar na Populorum Progressio van Paus Paulus VI, Sollicitudo Rei Socialis (30 dec 1987), 29-31
In de totalitaire en autoritaire regimes is het beginsel van het primaat van de macht over de rede tot het uiterste opgevoerd. De mens is gedwongen geworden om een opvatting over de werkelijkheid te verdragen die met geweld is opgelegd en niet verworven is door middel van de inspanning van de eigen rede en de uitoefening van de eigen vrijheid. Dat beginsel moet omgekeerd worden en men moet de rechten van het menselijk geweten, dat alleen aan de natuurlijke en geopenbaarde waarheid gebonden is, volledig erkennen. In de erkenning van deze rechten ligt de voornaamste grondslag van ieder werkelijk vrije politieke ordening. Vgl. Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa, Conferentie over Veiligheid en Samenwerking in Europa, Slotakkoorden van Helsinki (1 aug 1975) vgl. Overeenkomst van Wenen Vgl. Paus Leo XIII, Encycliek, Over de menselijke vrijheid, Libertas praestantissimum (20 juni 1888) Het is belangrijk dit beginsel opnieuw te bevestigen, om verschillende redenen:

  1. omdat de oude vormen van totalitarisme en autoritarisme nog niet geheel overwonnen zijn en zelfs het risico bestaat dat zij weer krachtig worden; dat spoort aan tot een hernieuwde inspanning voor samenwerking en solidariteit tussen alle landen;
  2. omdat men in de ontwikkelde landen soms overdreven propaganda maakt voor de zuivere nuttigheidswaarden, met een onbeteugelde prikkeling van de instincten en van het streven naar het directe genot, welke de erkenning en de eerbiediging van de hiërarchie van de echte waarden van het menselijk bestaan moeilijk maakt;
  3. omdat in sommige landen nieuwe vormen van religieus fundamentalisme opkomen die versluierd of ook openlijk aan de burgers met een ander geloof dan dat van de meerderheid de volle uitoefening van hun burgerlijke of godsdienstige rechten ontzeggen, hen verhinderen deel te nemen aan het culturele debat en het recht van de Kerk om het Evangelie te verkondigen beperken, alsmede het recht van de mensen die deze verkondiging aanhoren, om ze aan te nemen en zich tot Christus te bekeren. Geen enkele echte vooruitgang is mogelijk zonder de eerbiediging van het natuurlijke recht om de waarheid te kennen en dienovereenkomstig te leven. Met dit recht is, als de uitoefening en de verdieping ervan, het recht verbonden om vrijelijk Jezus Christus, het ware goed van de mens, te kennen en de aan te hangen. Vgl. H. Paus Johannes Paulus II, Encycliek, Over de blijvende geldigheid van de missie-opdracht, Redemptoris Missio (7 dec 1990), 7

Document

Naam: CENTESIMUS ANNUS
Ter gelegenheid van de honderdste verjaardag van de encycliek Rerum Novarum
Soort: H. Paus Johannes Paulus II - Encycliek
Auteur: H. Paus Johannes Paulus II
Datum: 1 mei 1991
Copyrights: © 1991, Stichting R.K. Voorlichting, Oegstgeest
Bewerkt: 1 juli 2021

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
Trefwoordenlijst voor dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2021, Stg. InterKerk, Schiedam