• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

JOHANNES SCOTUS ERIUGENA
9e catechese in de reeks over grote middeleeuwse kerkelijke auteurs

Dierbare broeders en zusters,

Ik zou vandaag willen spreken over een belangrijk denker uit het christelijke Westen: Johannes Scotus Eriugena, wiens afkomst echter duister is. Hij is zeker afkomstig uit Ierland, waar hij in het begin van de IXe eeuw geboren werd, maar wij weten niet wanneer hij het eiland verlaten heeft om het Kanaal over te steken en zo ten volle betrokken te worden in de culturele wereld die een heropbloei kende rond de Karolingers, vooral rond Karel de Kale, in het Frankrijk van de IXe eeuw. Zoals men zijn juiste geboortedatum niet kent, zo kent men evenmin het jaar van zijn overlijden dat zich volgens specialisten, toch zou moeten situeren rond het jaar 870.

Johannes Scotus had een opmerkelijke kennis van de cultuur van de Kerkvaders, zowel van de Griekse als de Latijnse: hij kende namelijk hun oorspronkelijke geschriften. Zo kende hij goed de werken van grote Kerkvaders uit het christelijke Westen zoals Augustinus, Ambrosius, Gregorius de Grote, maar evengoed van Origenes, Gregorius van Nyssa, Johannes Chrysostomus en andere niet minder belangrijke Kerkvaders uit het christelijke Oosten. Hij was een uitzonderlijk man, die ook het Grieks beheerste. Hij had bijzondere aandacht voor de heilige Maximus de Belijder en vooral voor Dionysius de Areopagiet. Onder dit pseudoniem gaat een kerkelijke schrijver uit de Ve eeuw schuil, uit Syrië, doch heel de Middeleeuwen - en daarmee ook Johannes Scotus - waren ervan overtuigd dat deze schrijver dezelfde is als de leerling van de heilige Paulus over wie de Handelingen van de Apostelen spreken (Hand. 17, 34). Johannes Scotus, die overtuigd was van de apostoliciteit van de geschriften van Dionysius, noemde hem de “Goddelijke schrijver” bij uitstek; zijn geschriften werden dus een eminente bron voor zijn gedachten. Johannes Scotus vertaalde diens werken in het Latijn. Dank zij deze vertalingen hebben de grote Middeleeuwse theologen zoals de heilige Bonaventura, de werken van Dionysius gekend. Johannes Scotus wijdde heel zijn leven aan grondige studie en ontwikkeling van Dionysius’ gedachtegoed en inspireerde zich dermate aan zijn geschriften dat het ook vandaag soms nog moeilijk is te onderscheiden of we met een gedachte van Johannes Scotus te doen hebben of dat hij een gedachte herneemt van de Pseudo-Dionysius.
Eigenlijk kende het theologisch werk van Johannes Scotus niet veel succes. Niet alleen het einde van het Karolingisch tijdvak verwees zijn werk naar de vergetelheid, maar censuur door de Kerkelijke overheid wierp eveneens een schaduw op zijn persoon. Johannes Scotus vertegenwoordigt eigenlijk een radicaal platonisme dat soms een pantheïstische visie benadert, ook al waren zijn persoonlijke en subjectieve bedoelingen altijd orthodox. Sommige werken van Johannes Scotus, waaronder vooral de verhandeling “Johannes Scotus Eriugena
De Divisione Naturae
Over de verdeeldheid van de natuur ()
” en de “Johannes Scotus Eriugena
Super Ierarchiam Caelestem Sancti Dionysii
Uiteenzettingen over de hemelse hiërarchie van de heilige Dionysius ()
” zijn vermeldenswaard en zijn tot op onze dagen bekend. Hij ontwikkelt daarin stimulerende theologische en spirituele overwegingen, die ook voor hedendaagse theologen interessante en diepe inzichten kunnen bieden. Ik verwijs hier bijvoorbeeld naar wat hij schrijft over “auctoritas vera”: dat men de plicht heeft een gepaste onderscheiding te maken, dat men met andere woorden het engagement op zich moet nemen om de waarheid te blijven zoeken tot men er een zekere ervaring van opdoet in de stille aanbidding van God.
Onze schrijver zegt: “Salus nostra ex fide inchoat” - "ons heil begint bij het geloof”. We kunnen dus niet over God spreken vertrekkend van onze uitvindingen, maar vanuit hetgeen God zegt over zichzelf in de Heilige Schrift. Doch aangezien God alleen de waarheid zegt, is Johannes Scotus ervan overtuigd dat gezag en rede nooit met elkaar in tegenstrijd kunnen zijn, dat de ware godsdienst en de ware filosofie samenvallen. In dat perspectief schrijft hij: “Ieder type van gezag dat niet bevestigd wordt door de waarachtige rede, zou als zwak moeten beschouwd worden ... Waarachtig gezag is namelijk gezag dat samenvalt met de waarheid die gevonden wordt met de rede, zelfs indien het zou gaan om gezag dat door de heilige Kerkvaders aanbevolen of doorgegeven is voor het nageslacht” Johannes Scotus Eriugena, Over de verdeeldheid van de natuur, De Divisione Naturae. I: PL 122, col. 513BC. Vandaar zijn waarschuwing: “Dat geen enkel gezag u onzeker maakt of afleidt van de overtuiging die ge verkregen hebt door een rechtzinnig en rationeel gedrag. Waarachtig gezag spreekt de rechtzinnige rede nooit tegen, zoals deze laatste ook nooit het waarachtig gezag tegenspreekt. Zowel het ene als het andere komen ongetwijfeld voort uit dezelfde bron, de Goddelijke wijsheid” Johannes Scotus Eriugena, Over de verdeeldheid van de natuur, De Divisione Naturae. I: PL 122, col. 511B. Wij zien hier een moedige bevestiging van de waarde van de rede, gebaseerd op de zekerheid dat waarachtig gezag, redelijk is want God is de scheppende rede.
Zelfs de Schrift ontsnapt volgens Johannes Scotus niet aan de noodzaak bestudeerd te worden, gebruik makend van hetzelfde principe ter onderscheiding. De Ierse theoloog meent inderdaad - en hier herneemt hij de heilige Johannes Chrysostomus: al is de Schrift afkomstig van God, zij zou niet nodig geweest zijn indien de mens niet had gezondigd. Daaruit dient dus afgeleid te worden dat de Schrift door God gegeven werd met een pedagogische bedoeling en uit barmhartigheid opdat de mens zich alles zou kunnen herinneren wat in zijn hart gegrift staat sinds het ogenblik van zijn schepping “naar Gods beeld en gelijkenis” Vgl. Gen. 1, 26 en dat de erfzonde hem deed vergeten. Johannes Scotus schrijft in de “Johannes Scotus Eriugena
Super Ierarchiam Caelestem Sancti Dionysii
Uiteenzettingen over de hemelse hiërarchie van de heilige Dionysius ()
”: “Niet de mens is geschapen voor de Schrift, die hij niet nodig zou gehad hebben indien hij niet gezondigd had, maar het is eerder zo dat de Schrift –samengesteld uit leerstellingen en symbolen – werd gegeven aan de mens. Inderdaad, dank zij de Schrift kan onze rationele natuur vertrouwd raken met de geheimen van een authentiek en zuiver schouwen van God” Johannes Scotus Eriugena, Uiteenzettingen over de hemelse hiërarchie van de heilige Dionysius, Super Ierarchiam Caelestem Sancti Dionysii. II, PL 122, col 146C. Het woord van de Heilige Schrift zuivert onze rede die enigszins verblind is en die ons helpt herinneren wat wij als beeld van God in ons hart dragen, dat helaas door de zonde is kwetsbaar geworden.
Daaruit volgen bepaalde hermeneutische consequenties over de manier om de Schrift te interpreteren en die ook vandaag de juiste weg kunnen tonen voor een correcte lezing van de Heilige Schrift. Het gaat er namelijk om in de gewijde tekst de verborgen betekenis te ontdekken en dat veronderstelt een bijzondere innerlijke oefening waardoor de rede zich openstelt voor de zekere weg naar de waarheid. Deze oefening bestaat erin constant bereid te zijn tot bekering. Om diepe inzicht in een tekst te verkrijgen, is het namelijk nodig zowel vooruitgang te maken in de bekering van het hart als in de conceptuele analyse van de bladzijde uit de Bijbel, of zij nu universeel, historisch of doctrinair is. Alleen door constante uitzuivering van het oog van het hart én van het oog van de geest, kan men een juist begrip verkrijgen.
Deze weg waarvan de toegang moeilijk, veeleisend en begeesterend is, en die bestaat uit voortdurende veroveringen en relativering van het menselijk kennen, brengt het intelligente schepsel tot op de drempel van het Goddelijk mysterie, daar waar alle begrippen zwak en ontoereikend blijken te zijn, en dwingt het om met de simpele vrije en zachte kracht van de waarheid steeds verder te gaan dan wat reeds bereikt werd. Aanbiddende en stille dankbaarheid voor het Mysterie, die een één makende gemeenschap wordt, lijkt dus de enige weg te zijn om een relatie op te bouwen met de waarheid, en dat is zowel de meest intieme als de meest eerbiedige weg. Johannes Scotus – die in deze context ook een woordenschat gebruikt die dierbaar is aan de Griekse christelijke traditie – heeft deze ervaring waarnaar wij geneigd zijn, “theosis” of vergoddelijking genoemd, maar hij gebruikte ook andere gedurfde uitspraken zodat hij kon verdacht worden van een heterodox pantheïsme. Wat er ook van zij, teksten als deze wekken diepe bewogenheid op: “Zoals gloeiend ijzer vloeibaar wordt zodat er nog alleen maar vuur lijkt te zijn, alhoewel de substantie van beide onderscheiden blijft, zo dient men te aanvaarden dat na het einde van deze wereld, heel de natuur, zowel de stoffelijke als de onstoffelijke, uitsluitend God toont en toch integer blijft zodat God in zekere zin kan begrepen worden alhoewel Hij onbegrijpelijk blijft en het schepsel met onuitsprekelijke pracht in God getransformeerd wordt” Johannes Scotus Eriugena, Uiteenzettingen over de hemelse hiërarchie van de heilige Dionysius, Super Ierarchiam Caelestem Sancti Dionysii. V: PL 12, col. 451B
De theologische gedachte van Johannes Scotus is eigenlijk de meest evidente poging om het zegbare van de onzegbare God uit te drukken, waarbij hij zich uitsluitend baseert op het mysterie van het mens geworden Woord in Jezus van Nazaret. De talrijke beelden die hij gebruikt om deze onuitsprekelijke werkelijkheid te verwoorden, tonen aan hoezeer hij zich bewust is van de volstrekte ontoereikendheid van de termen waarmee wij over die dingen spreken. Doch er is ook de verrukking en de sfeer van authentieke mystieke ervaring die zijn teksten hier en daar duidelijk vertonen. Ter illustratie volstaat een bladzijde uit “Johannes Scotus Eriugena
De Divisione Naturae
Over de verdeeldheid van de natuur ()
” die ook onze ziel, van ons gelovigen uit de XXIe eeuw, ten diepste raakt: “Men dient niets anders te verlangen – schrijft hij – dan de vreugde van de waarheid die Christus is, noch iets anders te vermijden dan Zijn afwezigheid. Zijn afwezigheid zou namelijk moeten beschouwd worden als de enige oorzaak van totale en eeuwige droefheid. Neem Christus van mij weg en er rest mij niets goeds meer, niets bedroeft mij meer dan Zijn afwezigheid. De grootste kwelling van een rationeel schepsel is Hem te ontberen en Zijn afwezigheid” Johannes Scotus Eriugena, Over de verdeeldheid van de natuur, De Divisione Naturae. V: PL 122, col. 989a. Dit zijn woorden die wij tot de onze kunnen maken, door er een gebed van te maken tot Degene die ook het vurige verlangen is van ons hart.

Document

Naam: JOHANNES SCOTUS ERIUGENA
9e catechese in de reeks over grote middeleeuwse kerkelijke auteurs
Soort: Paus Benedictus XVI - Audiëntie
Auteur: Paus Benedictus XVI
Datum: 10 juni 2009
Copyrights: © 2009, Libreria Editrice Vaticana
Vert.: Sorores Christi; alineaverdeling en -nummering: redactie
Bewerkt: 7 november 2019

Referenties naar dit document

 
Geen documenten gevonden!
 
Geen berichten gevonden!

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2020, Stg. InterKerk, Schiedam