• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

AAN DE HEER KARDINAAL GIACOMO BIFFI, SPECIAAL GEZANT VOOR DE VIERINGEN TE AOSTA VOOR HET NEGENDE EEUWFEEST VAN DE DOOD VAN SINT-ANSELMUS

Met het oog op de vieringen waaraan U, vereerde Broeder, zal deelnemen als mijn legaat in de schitterende stad van Aosta voor het negende eeuwfeest van de dood van Sint-Anselmus, te Canterbury op 21 april 1109, is het mij dierbaar u een bijzondere boodschap toe te vertrouwen waarin ik verlang wederom in herinnering te roepen de meest opvallende kenmerken van deze grote monnik, theoloog en zielenherder, wiens werk een diep spoor heeft nagelaten in de geschiedenis van de Kerk.

Immers, de herdenking biedt een unieke gelegenheid om een van de meest schitterende figuren uit de traditie van de Kerk en de geschiedenis van het westerse, Europese denken in herinnering te roepen. De voorbeeldige monastieke ervaring van Anselmus, zijn originele methode om het christelijke mysterie te overdenken, zijn subtiele theologische en filosofische leer, zijn leer over de onschendbare waarde van het geweten en over de vrijheid als verantwoordelijke toewijding aan de waarheid en aan het goede, zijn begeesterend werk voor de zorg van de zielen, dat hij met al zijn krachten verrichtte voor de bevordering van de “vrijheid van de Kerk”, hebben nooit opgehouden om in het verleden de hoogste interesse te wekken en de herdenking van zijn dood vestigt gelukkigerwijze opnieuw hierop de aandacht en bevordert dit alles op verschillende wijzen en op verschillende plaatsen.

In deze herdenking van de “Doctor Magnificus” – zoals Sint-Anselmus wordt genoemd – mag op bijzondere wijze de Kerk van Aosta, waarin hij geboren werd en die zich terecht verheugd in haar meest schitterende zoon, niet achterblijven. Ook wanneer hij Aosta in zijn jeugd zal verlaten, toch zal hij in zijn geheugen en in zijn hart een geheel van herinneringen met zich mee blijven dragen die op de meest belangrijke momenten van zijn leven niet zullen nalaten opnieuw op te bloeien. Onder deze herinneringen nemen een bijzondere plaats in het zeer lieflijke beeld van zijn moeder en het majestueuze beeld van de bergen van zijn valleien met hun zeer hoge en eeuwig besneeuwde toppen, waarin hij verbeeldt zag, als in een verhuld en suggestief symbool, de verhevenheid van God.

Voor Anselmus –“een jongen, opgegroeid tussen de bergen”, zoals zijn biograaf Eadmer hem beschrijft Eadmerus, Leven van de H. Anselmus van Canterbury, Vita Sancti Anselmus. I, 2 - verschijnt God als degene waarboven onmogelijk iets groter is te denken: misschien was aan deze intuïtie de blik die hij vanaf zijn kinderjaren richtte op deze ontoegankelijke toppen niet vreemd. Immers, reeds als kind hield hij dat om God te ontmoeten het nodig was “op te stijgen tot de toppen van het gebergte” Eadmerus, Leven van de H. Anselmus van Canterbury, Vita Sancti Anselmus. I, 2. Hij gaf er zich steeds beter rekenschap van dat God zich bevindt in een ontoegankelijke hoogte, boven de plaatsen waar de mens kan geraken, wanneer God verder ligt dan wat gedacht kan worden. Daarom komt aan de reis op zoek naar God, ten minste op deze aarde, nooit een einde maar zal deze altijd bestaan uit denken en verlangen, een rigoureus proces van het verstand en een smeekbede van het hart.

Zijn intens verlangen naar kennis en zijn aangeboren neiging tot helderheid en logische gestrengheid dreven Anselmus naar de “scholae” van zijn tijd. Zo kwam hij aan bij de abdij van Le Bec, waar hij zijn neiging voor de dialectiek zal bevredigd zien en waar vooral zijn roeping tot het klooster zal ontbranden. Stilstaan bij de jaren van het monastieke leven van Sint-Anselmus betekent de ontmoeting met een trouwe religieus, “voortdurend bezig met enkel God en de hemelse disciplines” –zoals zijn biograaf schrijft- zodat hij “een zulk toppunt van goddelijke beschouwing kon bereiken dat hij in staat was, door de weg die geopend was door God, binnen te dringen en eens binnengedrongen, de meest duistere en voorheen niet opgeloste, vraagstukken omtrent de goddelijkheid van God en ons geloof uit te leggen en met heldere argumenten te bewijzen wat hij stelde dat behoorde tot de zekere katholieke leer” Eadmerus, Leven van de H. Anselmus van Canterbury, Vita Sancti Anselmus. I, 7. Met deze woorden omschrijft zijn biograaf de theologische methode van Sint-Anselmus, wiens denken opgewekt en verlicht werd in het gebed. Hij is het zelf die in één van zijn beroemde werken bekent dat het inzicht in het geloof het benaderen is van het schouwen waar wij allen vurig naar verlangen en die wij hopen te genieten aan het einde van onze aardse pelgrimstocht. “Quoniam inter fidem et speciem intellectum quem in hac vita capimus esse medium intelligo: quanto aliquis ad illum proficit, tanto eum propinquare speciei, ad quam omnes anhelamus, existimo” - "Het inzicht dat we in dit leven verwerven houdt het midden tussen het geloof en het gelukzalig schouwen. Daarom denk ik dat hoe groter vorderingen iemand qua inzicht maakt, hoe dichter hij bij het feitelijke schouwen van Diegene waar we allen naar verlangen, komt." H. Anselmus van Canterbury, Cur Deus Homo. Commendatio. De Heilige probeerde de aanschouwing van de intrinsieke logische verbanden van het mysterie te bereiken, de “helderheid van de waarheid” te zien en dus de evidentie van de “noodzakelijke redenen” te vatten, die op intieme wijze aan het mysterie ten grondslag liggen. Dit was zeker een moedige intentie, wier resultaten ook vandaag nog de kenners van Anselmsus bezig houden. In feite heeft zijn zoektocht van het intellect (intellectus), geplaatst tussen het geloof (fides) en het schouwen (species) als bron hetzelfde geloof en wordt het ondersteund door het vertrouwen in de rede, door wier bemiddeling het geloof in zekere zin verlicht wordt. De intentie van Anselmus is duidelijk: “de geest oprichten tot de beschouwing van God” H. Anselmus van Canterbury, Proslogion seu Alloquium de Dei existentia. Proemium. In elk geval blijven zijn woorden voor elk theologisch onderzoek programmatisch: “Ik probeer niet, Heer, in Uw verhevenheid door te dringen, want ik acht mijn verstand hiermee geenszins te vergelijken. Maar ik verlang er naar Uw waarheid, die mijn hart gelooft en bemint, tot op zekere hoogte (aliquatenus) in te zien. Ik zoek immers niet in te zien om te geloven maar ik geloof om in te zien.” (Non quaero intelligere ut credam, sed credo ut intelligam) H. Anselmus van Canterbury, Proslogion seu Alloquium de Dei existentia. 1.
Laten we vervolgens nog enkele kenmerken van het persoonlijke profiel van Anselmus, prior en abt van Le Bec, naar voren halen. Wat in hem vooral opvalt, is het charisma van een meester en expert in het geestelijk leven, die de wegen van de monastieke volmaaktheid kent en wijs uiteenzet. In zijn tijd was men verbijsterd door zijn genialiteit als opvoeder, die zich uitdrukte in de methode van de onderscheiding – hij noemde het de “via discretionisH. Anselmus van Canterbury, Brieven, Epistolae. 61. Dit is zowat de stijl van geheel zijn leven, een stijl die bestaat uit barmhartigheid en strengheid. Bijzonder is ook zijn vermogen om de leerlingen in te leiden in de ervaring van het authentieke gebed: vooral zijn “Orationes sive Meditationes”, waar zeer veel vraag naar was en veelvuldig gebruikt werden, hebben ertoe bijgedragen dat vele personen uit zijn tijd “biddende zielen” zijn geworden, zoals ook zijn andere werken een kostbaar middel zijn gebleken om van de Middeleeuwen een “denkende” periode te maken, en we kunnen hieraan toevoegen, een “bewuste” periode. Men zou zeggen de meest authentieke Anselmus zich in Le Bec bevindt, waar hij 33 jaar gebleven is en zeer geliefd was. Dankzij de volwassenheid die hij in deze sfeer van reflectie en gebed verwierf, zal hij ook te midden van opeenvolgende strubbelingen als bisschop kunnen verklaren: “Ik zal in mijn hart geen enkele rancune voor iemand bewaren.” H. Anselmus van Canterbury, Brieven, Epistolae. 321.
De nostalgie naar het klooster zal de rest van zijn leven hem begeleiden. Dit bekent hijzelf wanneer hij, tot zeer grote spijt van hemzelf en van zijn medebroeders, gedwongen werd het klooster te verlaten om het bisschopsambt, waarvoor hij zich niet geschikt bevond, op zich te nemen: “Aan velen is het bekend” – zo schrijft hij aan paus Urbanus II – hoeveel geweld mij is aangedaan en hoe terughoudend en afkerig ik was toen men mij als bisschop in Engeland vasthield en hoe ik de redenen hebben uitgelegd van karakter, leeftijd, zwakte en onwetendheid, welke onverzoenbaar zijn met dit ambt en welke de wereldlijke taken ontvluchten en verafschuwen; wereldlijke zaken die ik niet kan voltrekken zonder de redding van mijn ziel in gevaar te brengen” H. Anselmus van Canterbury, Brieven, Epistolae. 206. Aan zijn medebroeders vertrouwt hij toe: “Ik heb 33 jaar als monnik geleefd, drie jaar zonder opdracht, vijftien jaar als prior en nog eens vijftien jaar als abt, zodanig dat alle goede mensen die mij gekend hebben mij beminnen, natuurlijk niet door mijn verdienste maar door de genade van God en nog meer beminnen zij mij die mij intiem en meer van nabij gekend hebben.” H. Anselmus van Canterbury, Brieven, Epistolae. 156. En hij voegde eraan toe: “Velen zijn naar Le Bec gekomen ... Velen onder jullie hebben mij met zulk een zachte en milde genegenheid omringd dat elkeen de indruk kon hebben dat ik niemand op gelijke wijze bemind heb” H. Anselmus van Canterbury, Brieven, Epistolae. 156.
Toen hij benoemd werd als aartsbisschop van Canterbury en zo de meest gekwelde periode van zijn levensweg begon, kwamen zijn “liefde voor de waarheid” H. Anselmus van Canterbury, Brieven, Epistolae. 327, zijn rechtheid, zijn strenge trouw aan het geweten, zijn “bisschoppelijke vrijheid” H. Anselmus van Canterbury, Brieven, Epistolae. 206; zijn “bisschoppelijke eerlijkheid” H. Anselmus van Canterbury, Brieven, Epistolae. 314, zijn onverdroten werk voor de bevrijding van de Kerk uit de omstandigheden van de tijd en de slaafsheid van de berekeningen, welke niet verenigbaar zijn met de geestelijke natuur van de Kerk, het meest duidelijk aan het licht. In dit verband blijven zijn woorden tot koning Hendrik exemplarisch: “Ik antwoord dat noch in het doopsel, noch in enig andere van mijn wijdingen ik beloofd heb de wet en de gewoonten van uw vader of van aartsbisschop Lanfrank na te leven maar de wet van God en de wet van de ambten die ik heb ontvangen” H. Anselmus van Canterbury, Brieven, Epistolae. 319. Voor Anselmus, Primaat van de Kerk van Engeland geldt het principe: “Ik ben christen, ik ben monnik, ik ben bisschop: ik wil dus trouw zijn aan allen, overeenkomstig wat ik aan elkeen verschuldigd ben.” H. Anselmus van Canterbury, Brieven, Epistolae. 314. Vanuit dit perspectief aarzelt hij niet te stellen: “Ik verkies oneens te zijn met diegenen die het eens zijn met elkaar, dan het oneens te zijn met God.” H. Anselmus van Canterbury, Brieven, Epistolae. 314. Precies omwille hiervan voelt hij zich bereid om het hoogste offer te brengen: “Ik heb geen angst om mijn bloed te vergieten; ik vrees geen enkele wonde in mijn lichaam noch het verlies van goederen.” H. Anselmus van Canterbury, Brieven, Epistolae. 311.
Men ziet hoe omwille van al deze redenen Anselmus een grote actualiteit blijft bewaren en een sterke fascinatie blijft uitoefenen en hoe waardevol het is om zijn geschriften opnieuw ter hand te nemen en te publiceren en ook om zijn leven opnieuw te overwegen. Daarom heb ik met blijdschap vernomen dat Aosta, ter gelegenheid van het negende eeuwfeest van de dood van de Heilige, een geheel aan gelegenheden en verstandige initiatieven aan het ontplooien is – in het bijzonder de accurate uitgave van zijn werken – om zo het onderricht en het voorbeeld van zijn schitterende zoon te doen kennen en beminnen. Aan u, vereerde Broeder, vertrouw ik de taak toe om de gelovigen van de oude en dierbare Stad van Aosta aan te sporen om met bewondering en affectie te kijken naar hun grote stadsgenoot, wiens licht blijft stralen in geheel de Kerk, vooral daar waar de liefde voor de waarheid van het geloof en de smaak voor de verdieping ervan door middel van het verstand bevorderd wordt. Waarlijk, geloof en rede – fides et ratio – worden in Anselmus op wonderbaarlijke wijze verenigd.
Met deze gevoelens verleen ik, middels u, vereerde Broeder, aan Bisschop, Mgr. Giuseppe Anfossi, aan de clerus, de religieuzen en de gelovigen van Aosta en aan allen die deelnemen aan de vieringen ter ere van de “Doctor Magnificus’ een bijzondere Apostolische Zegen, als onderpand van overvloedige uitstortingen van hemelse zegeningen.

Vanuit het Vaticaan, 15 april 2009

Paus Benedictus XVI

Document

Naam: AAN DE HEER KARDINAAL GIACOMO BIFFI, SPECIAAL GEZANT VOOR DE VIERINGEN TE AOSTA VOOR HET NEGENDE EEUWFEEST VAN DE DOOD VAN SINT-ANSELMUS
Soort: Paus Benedictus XVI - Brief
Auteur: Paus Benedictus XVI
Datum: 15 april 2009
Copyrights: © 2009, Libreria Editrice Vaticana
Vertaling uit het Italiaans: Drs. J. Vijgen
Alineaverdeling en -nummering: redactie
Bewerkt: 30 augustus 2013

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2019, Stg. InterKerk, Schiedam