• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x
In verband met deze basisgedachten, baseert Johannes Damascenus ook de verering van heiligenrelieken op de overtuiging dat heilige christenen die deel hadden aan Christus’ verrijzenis niet simpelweg kunnen beschouwd worden als “doden”. Bijvoorbeeld, bij zijn opsomming van hen wiens reliek of beeld vererenswaard is, preciseert Johannes in zijn derde toespraak ter verdediging van de beelden: “Vooreerst (vereren wij) hen onder wie God gerust heeft, Hij de enige Heilige die rust onder de heiligen Vgl. Jes. 57, 15 , zoals de heilige Moeder van God en alle heiligen. Zij zijn degenen die, voor zover mogelijk, door hun wil op God gelijken en door de inwoning en met de hulp van God worden zij werkelijk goden genoemd Vgl. Ps. 82, 6 , niet van nature maar door aandeel te hebben aan God, zoals gloeiend ijzer vuur genoemd wordt, niet van nature maar door deel te hebben aan het vuur. Hij zegt namelijk: gij zult heilig zijn omdat ik heilig ben Vgl. Lev. 19, 2 H. Johannes Damascenus, Over het rechte of orthodoxe geloof, De fide orthodoxa. III, 33, col. 1352 A. Na een reeks referenties van dit genre kon Johannes Damascenus dus rustig de gevolgtrekking maken: “God, die goed is en boven alle goedheid staat, stelde zich niet tevreden met het contempleren van zichzelf, maar wou dat er bestemmelingen zouden zijn van Zijn weldaden, die aan Zijn goedheid zouden deelhebben: daarom schiep Hij uit het niets alle dingen, zichtbare en onzichtbare, met inbegrip van de mens, een zichtbare en onzichtbare werkelijkheid. En Hij schiep hem, hem bedenkend en realiserend als een wezen dat in staat is te denken (“ennoema ergon”), verrijkt door het woord (“logo(i) symleroumenon”) en gericht naar de geest (“pneumati teleioumenon”)” H. Johannes Damascenus, Over het rechte of orthodoxe geloof, De fide orthodoxa. II, 2, PG 94, col. 865A. En om zijn gedachte een laatste keer te verhelderen, voegt hij erbij: “Men dient zich te laten vervullen met verwondering (“thaumazein”) door al de werken van de voorzienigheid (“tes pronoias erga”), ze alle loven en aanvaarden, en daarbij de bekoring overwinnen er aspecten in te vinden die voor veel mensen onrechtvaardig of onbillijk lijken en daarentegen toegeven dat Gods plan (“pronoia”) verder reikt dan het kenvermogen en begrip (“agnoston kai akatalepton”) van de mens, terwijl Hij daarentegen de Enige is die onze gedachten kent, ons handelen en zelfs onze toekomst” H. Johannes Damascenus, Over het rechte of orthodoxe geloof, De fide orthodoxa. II, 29, PG 94, col. 964C. Trouwens, Plato zei reeds dat heel de filosofie begint met verwondering: ook ons geloof begint met verwondering over de schepping, Gods zichtbaar geworden schoonheid.

Document

Naam: H. JOHANNES DAMASCENUS
6e catechese in de reeks over grote middeleeuwse kerkelijke auteurs
Soort: Paus Benedictus XVI - Audiƫntie
Auteur: Paus Benedictus XVI
Datum: 6 mei 2009
Copyrights: © 2009, Libreria Editrice Vaticana
Vert.: Sorores Christi; alineaverdeling en -nummering: redactie
Bewerkt: 7 november 2019

Referenties naar dit document

 
Geen documenten gevonden!
 
Geen berichten gevonden!

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2021, Stg. InterKerk, Schiedam