• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

H. JOHANNES DAMASCENUS
6e catechese in de reeks over grote middeleeuwse kerkelijke auteurs

Geliefde broeders en zusters,

Ik zou vandaag over Johannes Damascenus willen spreken, een persoonlijkheid van eerste rang in de geschiedenis van de Byzantijnse theologie, een groot kerkleraar in de geschiedenis van de universele Kerk. Hij is vooral ooggetuige van de overgang van de Griekse en Syrische christelijke cultuur, die gemeenschappelijk was aan het oosterse deel van het Byzantijnse keizerrijk, naar de cultuur van de islam die zich door militaire overwinningen deed gelden op het grondgebied dat gewoonlijk bekend staat als het Midden of Nabije Oosten. Johannes, die geboren werd in een rijke christelijke familie, nam op nog jonge leeftijd de taak op zich – die ongetwijfeld zijn vader reeds vervulde – van economisch verantwoordelijke van het kalifaat. Maar onvoldaan door het leven aan het hof, koos hij reeds vlug voor het kloosterleven en trad binnen in het klooster van de heilige Saba, bij Jeruzalem. Dat was rond het jaar 700. Hij ging nooit van het klooster weg en wijdde al zijn krachten aan ascese en literaire bezigheden; hij minachtte een zekere pastorale activiteit niet, daarvan getuigen vooral zijn talrijke “homilieën”. Zijn liturgische gedachtenis wordt gevierd op 4 december. Paus Leo XIII riep hem in 1890 uit tot universeel kerkleraar.

In het oosten zijn vooral zijn drie “H. Johannes Damascenus
De sacris imaginibus orationes
Toespraken ter rechtvaardiging van de verering van heiligenbeelden ()
” bekend; zij werden na zijn dood door het iconoclastisch Concilie van Hiera (754) verboden. Maar deze toespraken waren ook de fundamentele reden voor zijn rehabilitatie en heiligverklaring door de orthodoxe Vaders op het Tweede Concilie van Nicea (787), het zevende oecumenische Concilie. In die teksten kunnen de eerste belangrijke theologische pogingen gevonden worden om de verering van heiligenbeelden te rechtvaardigen door het verband te leggen met het mysterie van de menswording van Gods Zoon in de schoot van de Maagd Maria.

Johannes Damascenus was bovendien bij de eersten die in de publieke en private eredienst van de christenen het onderscheid maakte tussen aanbidding (“latreia”) en verering (“proskynesis”): de eerste kan alleen tot God gericht zijn en is hoogst spiritueel, de tweede daarentegen kan gebruik maken van een beeld om zich te richten tot degene die door de afbeelding weergegeven wordt. Zeker, de heilige kan in geen enkel geval geïdentificeerd worden met de materie waaruit de icoon bestaat. Dit onderscheid zal zo dadelijk zeer belangrijk blijken om op een christelijke manier een antwoord te geven aan hen die het strenge verbod van het Oude Testament om in de eredienst beelden te gebruiken, universeel en eeuwig achten. Dat was de grote discussie, ook in de islamitische wereld die deze joodse traditie om iedere afbeelding uit de eredienst te verbannen, overneemt. Christenen daarentegen hebben het probleem in deze context besproken en het vereren van beelden gerechtvaardigd. Damascenus schrijft:

“In andere tijden werd God nooit door een afbeelding voorgesteld omdat Hij lichaam noch gelaat heeft. Maar nu God in Zijn vlees zichtbaar werd en onder de mensen geleefd heeft, maak ik een afbeelding van wat in God zichtbaar is. Ik vereer niet de materie maar de Schepper van de materie, die voor mij materie geworden is en zich verwaardigd heeft in de materie te wonen en door de materie mijn heil te bewerken. Ik zal dus niet ophouden de materie te vereren waardoor mij het heil verzekerd werd. Maar ik vereer ze absoluut niet als God! Hoe zou God kunnen zijn wat het bestaan gekregen heeft uit het niets? ... Maar ik vereer en eerbiedig ook al het overige in de materie dat mij het heil gebracht heeft, want het is vol heilige energie en genade. Is het hout van het kruis dat drie keer gezegend werd, geen materie? Zijn de inkt en het zeer heilige boek der Evangeliën, geen materie? Is het heilbrengende altaar dat ons het brood des levens geeft, geen materie? ... En bovenal, zijn het vlees en het bloed van mijn Heer geen materie? Ofwel moet ge het sacraal karakter van alle dingen afschaffen ofwel moet ge toelaten dat de traditie van de Kerk beelden vereert van God en van Gods vrienden die geheiligd zijn door de naam die ze dragen en daarom bewoond worden door de genade van de heilige Geest. Beledig de materie dus niet: zij is niet verachtelijk; want niets dat God gemaakt heeft, is verachtelijk” H. Johannes Damascenus, Contra imaginum calumniatores. I, 16; ed.; Kotter, pp. 89-90.

Wij zien dat de materie omwille van de menswording vergoddelijkt voorkomt, zij wordt gezien als Gods verblijf. Het gaat om een nieuwe kijk op de wereld en de materiële werkelijkheid. God is vlees geworden en het vlees is werkelijk de woonst geworden van God, wiens heerlijkheid straalt op het menselijk gelaat van Christus. Daarom zijn de aansporingen van de oosterse kerkleraar vandaag nog van zeer grote actualiteit, omwille van de zeer grote waardigheid die de materie in de menswording gekregen heeft en die aldus in het geloof, het teken en doeltreffend sacrament kan worden van de ontmoeting van de mens met God. Johannes Damascenus blijft dus een bevoorrecht getuige van de iconenverering, die één van de meest onderscheiden aspecten zal worden van de oosterse theologie en spiritualiteit tot op vandaag. Het gaat echter om een vorm van eredienst die eigenlijk tot het christelijk geloof behoort, tot het geloof in die God die mens geworden is en zich zichtbaar gemaakt heeft. Het onderricht van de heilige Johannes Damascenus sluit dus aan bij de traditie van de universele Kerk, wiens Sacramentenleer voorziet dat materiële elementen die uit de natuur voortkomen een instrument kunnen worden voor de genade dank zij de aanroeping (“epiclesis”) van de Heilige Geest, gepaard gaande met de belijdenis van het ware geloof.

In verband met deze basisgedachten, baseert Johannes Damascenus ook de verering van heiligenrelieken op de overtuiging dat heilige christenen die deel hadden aan Christus’ verrijzenis niet simpelweg kunnen beschouwd worden als “doden”. Bijvoorbeeld, bij zijn opsomming van hen wiens reliek of beeld vererenswaard is, preciseert Johannes in zijn derde toespraak ter verdediging van de beelden: “Vooreerst (vereren wij) hen onder wie God gerust heeft, Hij de enige Heilige die rust onder de heiligen Vgl. Jes. 57, 15 , zoals de heilige Moeder van God en alle heiligen. Zij zijn degenen die, voor zover mogelijk, door hun wil op God gelijken en door de inwoning en met de hulp van God worden zij werkelijk goden genoemd Vgl. Ps. 82, 6 , niet van nature maar door aandeel te hebben aan God, zoals gloeiend ijzer vuur genoemd wordt, niet van nature maar door deel te hebben aan het vuur. Hij zegt namelijk: gij zult heilig zijn omdat ik heilig ben Vgl. Lev. 19, 2 H. Johannes Damascenus, Over het rechte of orthodoxe geloof, De fide orthodoxa. III, 33, col. 1352 A. Na een reeks referenties van dit genre kon Johannes Damascenus dus rustig de gevolgtrekking maken: “God, die goed is en boven alle goedheid staat, stelde zich niet tevreden met het contempleren van zichzelf, maar wou dat er bestemmelingen zouden zijn van Zijn weldaden, die aan Zijn goedheid zouden deelhebben: daarom schiep Hij uit het niets alle dingen, zichtbare en onzichtbare, met inbegrip van de mens, een zichtbare en onzichtbare werkelijkheid. En Hij schiep hem, hem bedenkend en realiserend als een wezen dat in staat is te denken (“ennoema ergon”), verrijkt door het woord (“logo(i) symleroumenon”) en gericht naar de geest (“pneumati teleioumenon”)” H. Johannes Damascenus, Over het rechte of orthodoxe geloof, De fide orthodoxa. II, 2, PG 94, col. 865A. En om zijn gedachte een laatste keer te verhelderen, voegt hij erbij: “Men dient zich te laten vervullen met verwondering (“thaumazein”) door al de werken van de voorzienigheid (“tes pronoias erga”), ze alle loven en aanvaarden, en daarbij de bekoring overwinnen er aspecten in te vinden die voor veel mensen onrechtvaardig of onbillijk lijken en daarentegen toegeven dat Gods plan (“pronoia”) verder reikt dan het kenvermogen en begrip (“agnoston kai akatalepton”) van de mens, terwijl Hij daarentegen de Enige is die onze gedachten kent, ons handelen en zelfs onze toekomst” H. Johannes Damascenus, Over het rechte of orthodoxe geloof, De fide orthodoxa. II, 29, PG 94, col. 964C. Trouwens, Plato zei reeds dat heel de filosofie begint met verwondering: ook ons geloof begint met verwondering over de schepping, Gods zichtbaar geworden schoonheid.
Het optimisme van de natuurlijke contemplatie (“physikè theoria”), waarbij men in de zichtbare schepping ziet wat goed, schoon en waar is, dit christelijk optimisme is geen naïef optimisme: het houdt rekening met de kwetsuur die de menselijke natuur toegebracht werd door een vrijheid van keuze, door God gewild, en die door de mens verkeerd gebruikt werd, met van een verspreid tekort aan harmonie tot gevolg. Vandaar de vereiste, die door de theoloog van Damascus klaar gezien werd, dat de natuur waarin de goedheid en schoonheid van God weerspiegeld worden, die door onze fout gekwetst werden, “versterkt en vernieuwd zouden worden” door de neerdaling van Gods Zoon in het vlees, nadat God zelf op vele manieren en bij verschillende gelegenheden probeerde aan te tonen dat Hij de mens geschapen had, niet alleen voor het “zijn”, doch voor het “welzijn” Vgl. H. Johannes Damascenus, Over het rechte of orthodoxe geloof, De fide orthodoxa. II, 1, PG 94, col. 981°. Met geestdriftig enthousiasme verklaart Johannes: “Het was noodzakelijk dat de natuur zou versterkt en vernieuwd worden en dat de weg van de deugd concreet zou getoond en aangeleerd worden (“didachthenai aretes hodòn”), die het bederf veraf houdt en naar het eeuwig leven leidt ... Zo verschijnt aan de horizon van de geschiedenis de grote zee van Gods liefde voor de mens (“philanthropias pelagos”) ...”. Een mooie uitspraak. Wij zien enerzijds de schoonheid van de schepping en anderzijds de vernieling door de fout van de mens. Maar wij zien in de Zoon van God, die neerdaalt om de natuur te vernieuwen, de zee van Gods liefde voor de mens. Johannes Damascenus gaat verder: “Hijzelf, de Schepper en Heer, vocht voor Zijn schepsel door hem Zijn leer te geven door het voorbeeld ... En zo, daalde Gods Zoon neer uit de hemel, al bestond Hij in Goddelijke gedaante, en daalde neer ... bij Zijn dienaren ... en voltrok het nieuwste aller dingen, het enige dat echt nieuw is onder de zon, waardoor Gods oneindige macht zich manifesteerde” H. Johannes Damascenus, Over het rechte of orthodoxe geloof, De fide orthodoxa. II, 1. PG 94, coll. 981C-984B.
Wij kunnen de troost en vreugde inbeelden die deze zo fascinerende beeldrijke taal in het hart van de gelovigen opwekte. Wij horen ze ook vandaag en delen dezelfde gevoelens als de christenen van toen: God wil in ons rusten, Hij wil de natuur vernieuwen ook met behulp van onze bekering, Hij wil ons laten delen in Zijn Godheid. Moge de Heer ons helpen om van deze woorden de essentie van ons leven te maken.

Document

Naam: H. JOHANNES DAMASCENUS
6e catechese in de reeks over grote middeleeuwse kerkelijke auteurs
Soort: Paus Benedictus XVI - Audiƫntie
Auteur: Paus Benedictus XVI
Datum: 6 mei 2009
Copyrights: © 2009, Libreria Editrice Vaticana
Vert.: Sorores Christi; alineaverdeling en -nummering: redactie
Bewerkt: 26 maart 2015

Referenties naar dit document

 
Geen documenten gevonden!
 
Geen berichten gevonden!

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
 
|
Pagina delen: 
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2019, Stg. InterKerk, Schiedam