• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x
Nu dan, Eerbiedwaardige Broeders en zeer geliefde zonen, behaagt het Ons over te stappen op het volgend onderwerp, n.l. het gemoed of, om het populair te zeggen, het hart. Wanneer men van een priester zegt dat hij vriendelijk en innemend is, een man namelijk in wie de gevoelens van het hart de overhand hebben, wijst men hierdoor reeds op een eerste loffelijke eigenschap, die het begin is van een reeks loftuigingen, waarbij vele mensen zich eensgezind plegen aan te sluiten. Hierin gaan ze vaak zo ver, dat ze diezelfde persoon bepaalde al te menselijke gevoelens vergeven, die minder goed of minder opportuun zijn. Ook hecht men veel waarde aan zijn uitspraak, steunend op het gezag niet zozeer van een filosoof of moralist als wel van een letterkundige; een uitspraak die een ruime toepassing gevonden heeft, n.l. dat het gemoed, het hart, dikwijls motieven heeft, die het verstand niet kent. De waardigheid van ons priesterlijk ambt spoort ons echter aan om deze zaken niet gering te schatten, want men behoort ook de motieven van het hart, zoals We ze noemden, aandachtig te onderzoeken of te verbeteren. Zoals het verstand moet stralen van waarheid en wetenschap, zo moet het gevoel of het hart van de priester branden van liefde. Deze liefde moet zijn als die van Jezus, namelijk vurig, innig, krachtig, bereidwillig en gereed tot die mystieke en vertrouwelijke omgang met God, die het beoefenen van de priesterlijke vroomheid en het gebed zo aantrekkelijk maakt, hetzij het officieel gebed, dat in naam van de gehele Kerk geschiedt, hetzij het persoonlijk gebed: voor dit laatste kieze men met rijp overleg een methode en blijve daaraan trouw. Wie zich met bewuste opzet aan dit gebed wijdt, verwerft zich een grote innerlijke vreugde en ontvangt een aantrekkelijk en krachtdadig geestelijk voedsel. Dit is een blijvende bron, waaruit op overvloedige wijze sterkte en troost geput wordt in de moeilijkheden, soms ook in bittere omstandigheden, van het leven en van de priesterlijke zielzorg.
Wij spreken hier van de liefde voor de Kerk en voor de zielen, vooral voor hen, die, tegelijk met de heilige plicht en verantwoordelijkheid van ons ambt, aan onze zorgen zijn toevertrouwd; de liefde voor de zielen, tot welke stand zij ook behoren, maar in het bijzonder voor hen, die onze speciale ijver en bezorgdheid verdienen: de zondaars, alle soorten van armen en al degenen, die gerekend worden tot hen, tegenover wie men de werken van barmhartigheid moet beoefenen. Wat voor reden er ook is om met hen om te gaan, zij behoort in ieder geval gebaseerd te zijn op de christelijke liefde. Hoe prachtig heeft St. Petrus dit gezegd: ,,Nu gij in de gehoorzaamheid aan de waarheid uw zielen gereinigd hebt tot ongeveinsde broederliefde, hebt elkander voortdurend lief" (1 Pt. 1, 22). Deze woorden brengen de naastenliefde en de broederlijke eensgezindheid in verband met het werk der reiniging, dat niet alleen de ziel, maar ook het lichaam en het vlees betreft, daar wij immers allen „wedergeboren zijn, niet uit vergankelijk maar uit onvergankelijk zaad door het levende en blijvende woord van God" (1 Pt. 1, 23).
Na deze passage uit zijn Eerste Brief nodigt de H. Petrus in een vluchtig betoog van woorden en vergelijkingen de geest uit om nauwkeurig te overwegen wat het priesterleven van ons ieder afzonderlijk raakt. Ons priesterleven wordt inderdaad gevuld en versterkt door de hemelse genade, die Engelen en heiligen in de hemel vormt, maar het is geenszins vrij van de bekoringen van het vlees: het stelt ons iedere dag weer opnieuw op de proef en bereidt nooit verslappende valstrikken aan ons hart, ook al is het tot het goede geneigd. O, hoeveel bezorgdheid verschaffen ons gewoonlijk onze ziel, die verlangt te beminnen, en ons vlees, om die grote en heilige beloften ongerept te kunnen naleven, die wij op de dag van onze priesterwijding hebben afgelegd! Op dat ogenblik hoorden wij zeggen: „Gij zijt nog vrij", en na een korte stilte zijn wij naar voren getreden om aan ons leven zijn gewijde stemming te geven, die in de hemel bekrachtigd is, en hier op aarde in tegenwoordigheid van de Kerk en van alle mensen is kenbaar gemaakt.

Ook ons hart is vleselijk: hart en vlees moeten samen de weg afleggen. Hoort wat St. Petrus op dezelfde plaats in zijn Brief zegt: „Alle vlees is als gras en al zijn luister als een bloem van het gras; het gras verdorde en de bloem viel af" (1 Pt. 1, 24).

Eerbiedwaardige Broeders en beminde zonen, bij het torsen van de last, die onze verplichtingen als Paus en Herder met zich meebrengen, worden Wij overladen met de hulp van God, die Zijn onwaardige dienaar zo rijkelijk bijstaat. Wij sporen u aan om met Ons verenigd te blijven en de Heer te prijzen. Is u bekend wat Ons leven dikwijls zo zeer met kommer vervult? Er is een klacht, die Ons van dichtbij en van verre, n.l. van de Stad Rome en van verschillende plaatsen van de wereld bereikt: een klacht over priesters, aan wie het hart en het vlees, die tezamen deze tocht op aarde afleggen, alsmede een te weinig nauwkeurige vervulling van hun heilig ambt, groot nadeel hebben berokkend, en die tegenover God en de Kerk en voor de ogen van de gelovigen een bron van schande en aller-bitterst leed zijn geworden. In het bijzonder betreuren Wij het, dat sommigen, om iets van hun verloren waardigheid te redden, aan een of ander fantasiebeeld toegeven en menen, dat de Katholieke Kerk ernaar streeft of het geschikt acht om af te zien van de wet van het celibaat, dat eeuwen lang een edel en rein sieraad van het priesterschap is geweest en blijft. De wet van het celibaat namelijk en de zorg, die moet aangewend worden om haar ijverig na te komen, herinneren Ons altijd aan de historische en succesvolle gevechten van die tijden, waarin de Kerk van God tot harde strijd geroepen was en een drievoudige overwinning heeft behaald: want dat is het teken van de triomf van de Kerk van Christus, n.l. dat zij zich inspant om vrij, kuis en universeel te zijn. Om de zonden, die onder invloed van de verlokkingen van het hart worden bedreven, te voorkomen en te beteugelen, komt de H. Petrus terug op zijn gedachte, die bij „een bloem van het gras" was afgebroken, en vervolgt met meer nadruk door een uitnodiging tot zijn priesters te richten om de naastenliefde te beoefenen. Want zij dienen zich door de liefde te beschermen om zich te hoeden voor de ongelukkige misstappen, waartoe de zwakheid van hun gevoelens hen verleidt als tot een onverbiddelijke straf van het slechte gebruik van het woord.

Document

Naam: AD VOBISCUM
Over de wetenschap, de zuiverheid en de taal van de priester of het hoofd, het hart en de tong van de priester - Op de 2e dag van de Romeinse Synode
Soort: H. Paus Johannes XXIII - Toespraak
Auteur: H. Paus Johannes XXIII
Datum: 26 januari 1960
Copyrights: © 1960, Katholiek Archief, pag. 207-214
Bewerkt: 7 november 2019

Referenties naar dit document

 
Geen berichten gevonden!

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2020, Stg. InterKerk, Schiedam