• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

TOT HET CONSITORIE DER KARDINALEN

Reeds is het zevende jaar aangevangen sints de aanranders der wereldlijke macht met vertreding van alle goddelijke en menschelijke wetten, met schending aller plechtig bezworen verbonden door de verovering dezer godgewijde stad de katholieke wereld met droefheid en rouw hebben vervuld. Tegenover de buitenlandsche regeeringen hebben deze overweldigers geveinsd waarborgen te geven voor Onze volle vrijheid, Wij wisten echter wat smart en ellende Ons wachtten en hoe de vernietiging onzer burgerlijke macht zou uitloopen op de verdrukking der Kerk en het vertreden van 't Ons door Christus toevertrouwd gezag.

Dit alles is dan ook geschied, men kan zelfs zeggen dat het werk der boosheid is voltooid. Voltooid door al de wetten en besluiten van den eersten dag der nieuwe overheersching tot heden toe uitgevaardigd. Voltooid door de opheffing der geestelijke orden, die Ons beroofde van zoovele en zoo krachtige helpers in Onzen arbeid, die zoo vele huizen opheft, waarin de vreemde ordensgeestelijken kracht kwamen putten en rekenschap afleggen. Voltooid is het werk der duisternis door de opheffing ook der Seminarien voor de vreemde missiën, waardoor zoovele rampzaligen verstoken blijven van de heilzame hulp der geloovige liefde. Voltooid door het verbod der samenwoning voor regulieren en der aanneming van nieuwe leden; voltooid door de oplegging van den krijgsdienst aan allen, die zich den geestelijken stand toewijden; voltooid door het in beslag nemen van kerkelijke goederen en geestelijke instellingen, die tot heul en hulp der lijdende menschbeid door Onze voorgangers of door vreemde volken zijn geslicht. Voltooid door, wat Ons de ziel met diepe smart vervult, door het onttrekken van het openbaar en bijzonder onderwijs aan het gezag en aan de leiding der Kerk.

Maar dat alles was voor de afvallige zonen der Kerk niet genoeg, het was hun niet voldoende zoovele gewichtige instellingen te hebben vernietigd, zoolang zij de vrije geestelijke zending der bedienaren des heiligdoms niet hadden aangetast. Daarheen streeft nu de z. g. Wet op de ambtsmisbruiken der geestelijkheid, krachtens welke men het den Bisschoppen zoowel als den priesters tot een misdaad rekent en met strenge straffen bedreigt, wat men verstaat onder den valschen naam van schennis van 't openbaar geweten of verstoring van den huiselijken vrede. Deze wet randt de vrijheid aan van het priesterlijk woord, schendt de heiligheid der Sacramenten; deze wet zondert Ons woord uit, maar is toch gericht tegen Ons: immers een minister des konings heeft niet geaarzeld, over Ons sprekende, te verklaren, dat het noch nieuw, noch ongewoon was in de wetgeving, noch strijdig met de regelen, de beginselen en de praktijk van het strafrecht, om de medeplichtigen te straffen als de voornaamste dader eener misdaad niet kan worden bereikt. Daaruit blijkt wel de bedoeling dezer wetgevers en het doel dezer wet, zoodat wanneer Onze woorden of daden onder haar bereik vallen, de Bisschoppen en de priesters, die Ons woord zullen herhaald of Ons bevel uitgevoerd hebben , de straf ondergaan dezer vermeende misdaad, waarvan Wij als hoofdplichtigen de schuld dragen en de beschuldiging.

Zoover gaat eene boosheid, die zich daarbij nog bezig houdt met overleggingen strekkende om de Kerk nog stouter te berooven of een scheuring te verwekken ten dage der keuze van een nieuwen Paus of de vrijheid der Italiaansche Bisschoppen in hun geestelijk ambt te belemmeren.

Met het oog op het heil der zielen hebben Wij aan deze laatsten veroorloofd hun benoeming bij de regeering aan te melden, daar het hier geen tijdelijke goederen, maar eeuwige belangen gold. Desniettemin verwerpen Wij en verfoeien deze onrechtvaardige wet, die het koninklijk Placet heet en het goddelijk gezag der Kerk loochent, haar vrijheid vernietigt.

En nu, na alles wat Wij tot hiertoe hebber blootgelegd en hoewel Wij vele andere aanslagen, waarover Wij Onze slem zouden kunnen verheffen ter zijde laten, nu vragen Wij — zoo vervolgt de- Stedehouder van onzen Heer Jezus Christus: — hoe zal het Ons mogelijk heeten de Kerk te besturen onder de overheersching eener regeering, die Ons voortdurend alle middelen en alle vermogens om Ons apostolisch ambt uit te oefenen ontneemt, Ons eiken weg verspert, nieuwe beletselen, nieuwe hinderpalen opwerpt en nieuwe strikken en nieuwe lagen spant?" — Het is waar, het ontbreekt niet aan lieden, lichtzinnig en boos genoeg, om te durven verkondigen, dat Wij onder deze regeering de volle vrijheid bezitten van Ons geestelijk ambt. Het is waar, dat men op sluwe en listige wijze Ons een zekere uiterlijke vrijheid laat, vooral tegenover vreemdelingen, maar het is ook waar, dat deze vrijheid in de hand ligt der overheerschers en afhankelijk is van hun willekeur. Het wordt maar te zeer bewezen door de straks vermelde wet, die de vrije uitoefening Onzer geestelijke macht en der kerkelijke bediening op geweldige wijze vernietigt. Wij wilden waarlijk dat zij, die nog spreken van Onze vrijheid, Onzen toestand vergeleken met de onafhankelijkheid r die de vervulling van Ons goddelijk ambt gebiedend eischt. Wij wilden, dat zij hoorden hoe Wij worden gescholden tot in de kamer der volksvertegenwoordiging toe, dat zij vernamen hoe de kardinalen en de geestelijke waardigheidsbekleders worden beschuldigd en gelasterd, hoe de gebruiken der Kerk worden bespot, de heilige geheimen ontwijd, hoe de goddeloosheid en de godloochèning worden gevierd terwijl de kerkelijke plechtigheden en de processiën zijn verboden. Wij wilden, dat zij bekend werden met de vervloekingen, uitgesproken tegen de Kerk, met de middelen aangewend om de jeugd te verleiden, met de openbare losbandigheid, door de Regering toegelaten.

Dan zou geen andere gevolgtrekking mogelijk zijn dan de Onze:

"Nooit, neen nooit, is de Roomsche Paus volkomen meester van zijne vrijheid en zijne macht, zoolang hij in zijne hoofdstad aan overheerschers onderworpen is. Daar is voor hem te Rome geen andere toestand mogelijk dan die van Vorst of gevangene; en nooit is de vrede, de zekerheid, de rust der geheele katholieke Kerk verzekerd zoolang de uitoefening van het hoogste Apostolische ambt is blootgesteld aan den hartstocht der partijen, aan de willekeur der regeerders, aan de wisselvalligheden der staatkundige verkiezingen en aan de plannen en daden van geslepen mannen die hun eigen nut stellen boven de rechtvaardigheid." —

Daarom gelast dan ook de Opperherder de hem onderhoorige herders, dat zij hunne geloovigen den toestand der Kerk blootleggen, een "toestand in korte woorden aldus saamgevat:

"de Kerk Gods in Italië lijdt geweld en vervolging; de Stedehouder van Christus bezit noch zijne vrijheid, noch het vol en onbelemmerd gebruik zijner macht."

Document

Naam: TOT HET CONSITORIE DER KARDINALEN
Soort: Z. Paus Pius IX - Toespraak
Auteur: Z. Paus Pius IX
Datum: 12 maart 1877
Copyrights: © 150 jaar Herderlijke Brieven 1853-2003, uitg. Katholiek Documentatie Centrum, Nijmegen
Vert.: in brief 3 mei 1877 van de Nederlandse Bisschoppen
Bewerkt: 28 februari 2019

Referenties naar dit document

 
Geen documenten gevonden!
 
Geen dossiers gevonden!
 
Geen berichten gevonden!

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
 
|
Pagina delen: 
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2019, Stg. InterKerk, Schiedam