• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

TOT EEN GROEP DEELNEMERS VAN HET 12E INTERNATIONALE CONGRES VOOR WIJSBEGEERTE

Bij de sluiting van het 12e Internationale Congres voor Wijsbegeerte hebt u, mijne Heren, naar Rome willen komen om Ons uw eerbied en aanhankelijkheid te betuigen. Wij danken u daar zeer oprecht voor en drukken Onze vreugde erover uit, u te ontvangen. De werkzaamheden van uw congres hebben u ongetwijfeld de gelegenheid geboden, intéressante en vruchtbare inzichten uit te wisselen over enige actuele problemen uit de metafysica, de moraal en de methodologie. Actuele problemen, zeggen Wij, maar ook problemen van altijd, ondanks de verschillende opvattingen die men zich ervan vormt; tegenover hen nemen de verstandige mensen van gisteren, heden en morgen in de grond identieke standpunten in, ook al vertonen de termen, waarin zij deze weergeven, nauwelijks enige gelijkenis. Want inderdaad, het gaat altijd om de ontdekking, die de menselijke geest doet van zichzelf, van zijn betrekkingen met de wereld en met God. Dit is inderdaad de rol van de filosofie, of men haar nu beziet vanuit een objectief oogpunt, aïs een wetenschap, te bouwen volgens een nauwkeurige en veeleisende methode, of vanuit een subjectief oogpunt als een persoonlijk zoeken dat érop uit is de intellectuele en morele aspiraties van het menselijk wezen te bevredigen. Het belangstellingscentrum van uw studies verplaatst zich onophoudelijk van de ene van deze twee polen naar de andere, van de meer intieme studiën, vervuld van het denkend subject naar het object, dat het tracht in te passen in een zo volledig mogelijk systeem. Maar waarnaar de voorkeur van uw gedachte ook uitgaat, zij is — op straffe van haar samenhang te verliezen en haar kracht — onderworpen aan de regel van de waarheid. ,,Nomen.... sapientis," schreef Sint Thomas, "illi soli reservatur, cuius consideratio circa finem universi versatur" H. Athanasius van Alexandrië, Contra gentiles. 1, I, c. 1, dat wil zeggen, verklaart hij, de waarheid. De filosofie is de liefde tot de wijsheid Vgl. H. Augustinus, De orde, De ordine. lib. 1, c. 11 n. 32 — Migne PL t. 32, col. 993 en daardoor de wetenschap van de waarheid, vooral van de eerste waarheid, oorsprong van alle andere, omdat zij behoort tot het eerste principe van het zijn van allé wezens.
Deze scheppende causaliteit, aanwezig in alle activiteiten van de geschapen geest, wekt daarin de vrijheid op; zij leidt hem binnen in een geheel, dat niet volkomen af is, maar onophoudelijk uitnodigt tot inspanning, tot edelmoedige medewerking om niet alleen zijn materiële structuren te voltooien, maar vooral de vestiging van een menselijke gemeenschap in liefde. De drie thema's welke u gekozen hebt voor uw congres, beschouwen deze verschillende aspecten: de mens en de natuur, vrijheid en waarde, logica, taal en communicatie. Voor elk van deze thema's hebt u bijdragen geleverd van speculatieve of historische aard, die hun huidige betekenis verduidelijken. Het ligt niet in Onze bedoeling uw debatten voort te zetten door een inmenging van technische aard, doch slechts u de overwegingen mee te delen, waartoe Wij worden geïnspireerd door Onze verantwoordelijkheden van Herder der zielen en door de diepe angst, die de ontreddering van zovele tijdgenoten in Ons teweegbrengt. Door het gezag van uw werk, door de uitstraling van uw onderwijs en uw geschriften kunt gij uitoefenen en oefent gij ook inderdaad uit een voortdurende invloed op de intellectuele, literaire, artistieke, sociale en zelfs politieke ideeën en strevingen. Hoe merkwaardig is deze confrontatie tussen de eeuw van de techniek en de filosofie! Vroeger berustten de denkers erin, niet dan na lang wachten door hun tijd te worden begrepen. Heden ten dage dragen de roman, het theater en de bioscoop de ideeën uit, verspreiden ze onder het grote publiek, dat er in de regel niet op voorbereid is ze te ontvangen en er soms het meest verfoeilijke gebruik van maakt. De problemen van het menselijk bestaan ontroeren, wanneer ze om zo te zeggen voor het voetlicht worden gehaald, niet meer een kleine kring van ingewijden, maar ontzaglijke massa's, die wankelen onder hun schok aïs de golven van in zijn diepe wateren bewogen oceaan. Hoe kan men eraan twijfelen of het lot van de mensheid er de weerslag van ondervindt?
Omdat het de eerste taak van de wijsgeer is, de waarheid te zoeken en haar uit te spreken, zien Wij op u de verplichting drukken, u oprecht aan dat werk te wijden. De waarheid is voor de menselijke geest niet slechts een simpele equivalentie tussen twee gedachte-inhouden, maar een "adaequatio rei et intellectus" volgens de klassieke definitie H. Thomas van Aquino, De Veritatis. 1 q. a. 1 in c.. Inderdaad, wanneer de geest zich opent naar het geheel, dat hem omgeeft, beweert hij al het werkelijke met zijn greep te kunnen omvatten. Alles raakt hem, boeit hem, spreekt hem aan. Deze spontane tendens naar de universaliteit manifesteerde zich op naïeve wijze in de eerste kosmologische systemen van presocratische filosofen, die op radicale manier het probleem van de structuur van de wereld aansneden. Het scepticisme van de sofisten heeft ze wel op de proef gesteld, maar heeft daardoor de uitwerking van de grote systemen van Plato en Aristoteles voorbereid, die in een waarlijk universeel en wetenschappelijk perspectief de antinomie tussen eenheid en veelheid trachtten op te lossen, ieder overeenkomstig zijn eigen temperament. Het kwam evenwel aan het christendom toe, de wegen voor te bereiden voor een oplossing van het geheel door een Openbaring van een God Vader, die de mens schept door Zijn Zoon Vgl. Joh. 1, 3 en hem in Zijn Zoon roept tot deelname aan zijn bestaan. De historici van de middeleeuwse wijsbegeerte hebben dit uitzonderlijk veelbetekenende feit duidelijk gemaakt: de bovennatuurlijke waarheid van het christelijk geloof heeft de menselijke rede toegestaan, zich ten volle bewust te worden van zijn autonomie, van de absolute zekerheid van zijn eerste beginselen, van de fundamentele vrijheid van zijn beslissingen en handelingen. Maar op de eerste plaats heeft zij hem het besef gegeven van een transcendentele roeping; zij nodigde hem uit om de concrete werkelijkheid van zijn bestemming te erkennen en de roeping tot deelname aan het trinitaire leven: eerst in het licht van het geloof, later in de aanschouwing van aanschijn tot aanschijn. De filosofie van de Scholastieken is de dienares van de theologie gebleven, maar niettemin heeft zij, juist in deze dienst, een volheid en een waardigheid verworven, die niet zijn overtroffen.
De godsdienstige crisis van de renaissance en het verval van de Scholastiek zouden met zich meebrengen de verwerping van de traditie door denkers, die werden verleid door het ideaal van de experimentele wetenschap. Het steunpunt van de rede verplaatste zich toen van de levende God, gekend en bemind in het christelijk geloof, naar de abstracte God, bewezen door de rede maar reeds vreemd voor zijn werk. Sommigen zullen hem iedere duidelijk omlijnde persoonlijkheid ontzeggen, of in hem niet meer zien dan een hoogste bestuurder, alvorens hem volkomen te ignoreren of zelfs hem te bestrijden aïs een schadelijke mythe. Op het ogenblik constateert men in een uitgestrekt deel van de wereld de onvermijdelijke gevolgen van deze dwalingen: de mensheid plukt de wrange vruchten van een rationalisme, dat zij gedurende verscheidene eeuwen heeft gecultiveerd en dat haar nog steeds vergiftigt. De levende God nu, de enig werkelijke, Hij die de mens gemaakt heeft naar Zijn beeld en gelijkenis, houdt niet op de wereld van vandaag te besturen; Hij houdt niet op, de filosoof uit te nodigen, Hem te erkennen en tot Hem te komen. Wanneer Sint Augustinus de definitie van de filosofie als liefde tot de wijsheid becommentarieert, zegt hij: "Si sapientia Deus est.... verus philosophus est amator Dei" H. Augustinus, Over de Stad Gods, De Civitate Dei. lib. 8 c. 1 — Migne PL t. 41, col. 224—225. De reflectie, die de geest aan zichzelf manifesteert en hem tegenwoordig stelt in de wereld, komt tot haar volmaaktheid in de ontplooiing van de vrijheid, die tracht de afstanden te overbruggen, de tegenstellingen te overwinnen en die streeft naar de eenheid. Wanneer de mens de taak op zich neemt, te filosoferen, dan kan hij niet, op straffe van onoprechtheid, halverwege blijven staan en weigeren, de conclusies te trekken. De intellectuele erkenning van God, aanwezig in Zijn scheppende beweging, ontluikt in een liefde, welke bereid is, de goddelijke initiatieven te aanvaarden, in een volgzaamheid om te luisteren naar Zijn woord en de kentekenen van de authenticiteit daarvan te onderzoeken. De liefde tot de levende God, tot de God van Jezus Christus, zal de mens niet isoleren of van zijn tijdelijke opgaven afwenden, maar hem er juist aan verbinden en wel nog meer en zij legt een meer solide grondslag voor zijn vrijheid dan de naar menselijke schaal gemeten waarden. Men verlangt niet van hem, dat hij afstand doet van zijn eigen methoden van onderzoek, dat hij die ontvlucht, dat hij zijn redelijke eisen opoffert, maar veeleer, dat hij rekening houdt met heel de werkelijkheid, met het lot van de mens, zoals het zich concreet in al zijn dimensies aanbiedt: individueel en sociaal, tijdelijk en eeuwig, doordrenkt van lijden, verslaafd aan zonde en dood. De nood van de mensheid, verscheurd door de oorlog, de vervolging en de leugen, het geroep van miljoenen onderdrukte of eenvoudigweg aan hun ellendig lot overgelaten wezens — is dat niet ook een aspect van de werkelijkheid, de onverbiddelijke stem van de feiten, die de filosoof moet aanhoren en begrijpen en waarop hij moet antwoorden? Zal hij nog hardnekkig de boodschap van heil en liefde kunnen weigeren, die van de Heer komt? De geest, die zich afwendt van het licht, die zich afsluit voor elke bovennatuurlijke Openbaring en meent, het bestaan te kunnen verklaren in zuiver menselijke termen, levert zich weerloos over aan het kwaad, dat aan hem knaagt, aldus zelfs de waarden, die hij wilde redden tot de ondergang veroordelend.
Ongetwijfeld lost de aanvaarding van het christelijke geloof niet alle speculatieve twijfels op, maar zij verplicht de filosoof uit zijn isolement te treden; zij plaatst hem in een weidser heelal; zij verschaft hem solide houvast in de orde van de kennis en in de orde van het handelen. In plaats van zijn onderzoek te belemmeren, inspireert en stimuleert zij daartoe; zij ontdekt hem de ware luister van de mens, welke hij ontvangt van de Menswording van de Zoon van God, die hem verlost en hem deelgenoot maakt aan de glorie van Zijn verlossingswerk.
De Kerk verwacht van uw werk, mijne Heren, dat het ertoe zal bijdragen, de mensen beter te maken door de steenkorst te doorbreken van het rationalisme en de latente hoogmoed, die nog uitgestrekte gebieden van de hedendaagse filosofische gedachte verlamt en haar belet, de waarheid te kennen. Het woord van Sint Jan blijft actueel: "Het Woord was het ware licht, dat iedere mens verlicht, die in de wereld komt. Het was in de wereld en de wereld is door het Woord gemaakt en de wereld heeft het niet erkend" (Joh. 1, 9-10). De meest geniale pogingen om een broederlijke mensengemeenschap te stichten zullen ijdel blijven, zolang de mens zich niet met kinderlijke volgzaamheid zal onderwerpen aan de Voorzienigheid van de Vader, die hem schept en als Zijn Zoon aanneemt. Als hij de gave Gods, de Heilige Geest, aanneemt aïs de gids van zijn gedachte, dan zal de filosoof met de Doctor Angelicus belijden: “Inter omnia studia hominum, sapientiae studium est perfectius, sublimius, et utilius et iucundius” H. Thomas van Aquino, Summa Contra Gentiles. lib 1, c. 2.; evenals deze steunend op de goddelijke kracht die zijn zwakheid te hulp komt, zal hij besluiten, getuigenis af te leggen van de waarheid, omdat hij in haar een voorsmaak zal hebben gevonden van ware zaligheid, een onderpand van de vriendschap met God, de onsterfelijkheid en onvergankelijke vreugde.
Wij wensen van ganser harte, mijne Heren, dat u deze prijs voor uw werk zult verdienen, en God biddend, dat Hij u moge overladen met Zijn gunsten, verlenen Wij u zelf, uw gezinnen, uw medewerkers en allen die u dierbaar zijn, Onze Apostolische Zegen.

Document

Naam: TOT EEN GROEP DEELNEMERS VAN HET 12E INTERNATIONALE CONGRES VOOR WIJSBEGEERTE
Soort: Paus Pius XII - Toespraak
Auteur: Paus Pius XII
Datum: 21 september 1958
Copyrights: © 1958, Katholiek Archief 13e jrg., p. 1007-1012
Bewerkt: 20 april 2019

Referenties naar dit document

 
Geen documenten gevonden!
 
Geen dossiers gevonden!
 
Geen berichten gevonden!

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
 
|
Pagina delen: 
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2019, Stg. InterKerk, Schiedam