• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

Zoals het altaar en het offer de liturgische eredienst beheersen, zo moet men van het leven van Christus zeggen, dat het geheel in het teken staat van het kruisoffer. De woorden van de Engel tot zijn voedstervader: „Salvum faciet populum suum a peccatis eorum” - "Hij zal zijn volk redden uit hun zonden" (Mt. 1, 21), die van Johannes de Doper: „Ecce Agnus Dei, ecce qui tollit peccatum mundi" (Joh. 1, 29), die van Christus zelfs tot Nicodemus: „Exaltari oportet Filium hominis, ut omnis qui credit in ipsum, habeat vitam aeternam” - "Deze Mensenzoon moet omhoog worden geheven opdat eenieder die gelooft in Hem eeuwig leven zal hebben" (Joh. 3, 14-15), tot zijn leerlingen: „Baptismo .... habeo baptizari, et quomodo coarctor usquedum perficiatur?” - "Ik moet een doopsel ondergaan, en hoe beklemd voel Ik Mij totdat het volbracht is" (Lc. 12, 50), en vooral die van het Laatste Avondmaal en van Calvarië, alles toont aan, dat het middelpunt van de gedachte en het leven van de Heer het kruis was en het offer van zich zelf aan de Vader om de mensen met God te verzoenen en ze te redden.

Maar is Degene, die het offer aanbiedt, in zekere zin nog groter dan het offer zelf? Wij zouden u dan ook nu willen onderhouden over de Heer zelf en er allereerst uw aandacht op vestigen, dat in de Eucharistie de Kerk de Heer bezit met zijn vlees en bloed, zijn lichaam en zijn ziel, en zijn godheid. Het Concilie van Trente heeft het plechtig gedefinieerd in zijn Concilie van Trente
Sessio XIII - Decretum de SS. Eucharistia
13e Zitting - Decreet over het Sacrament van de Eucharistie
(11 oktober 1551)
, het is trouwens voldoende om de woorden, door Jezus uitgesproken, te nemen in hun letterlijke, duidelijke en ondubbelzinnige zin om tot dezelfde conclusie te komen: „Neemt en eet! Dit is mijn Lichaam, dat voor u zal worden overgeleverd! Neemt en drinkt, dit is mijn Bloed, dat voor u zal worden vergoten". En Sint Paulus neemt in zijn eerste Brief aan de Korinthiërs dezelfde zo eenvoudige en duidelijke termen weer op.

Bij de Katholieken bestaat hieromtrent geen enkele twijfel, geen enkel meningsverschil. Maar zodra de theologische speculatie de manier wil gaan bespreken, waarop Christus in de Eucharistie tegenwoordig is, treden op tal van punten ernstige meningsverschillen aan het licht. Wij willen niet ingaan op deze speculatieve controversen; maar We zouden bepaalde grenzen willen aangeven en op een fundamenteel interpretatieprincipe willen insisteren, dat, waar het vergeten wordt, Ons enige zorg baart.

De speculatie moet als stelregel houden, dat de letterlijke zin van de schriftuurteksten, het geloof en de lering der Kerk een voorsprong hebben op het wetenschappelijk systeem en de theoretische beschouwingen; de wetenschap moet zich conformeren aan de openbaringen niet omgekeerd. Wanneer een filosofische opvatting de natuurlijke zin van een geopenbaarde waarheid misvormt, komt dat hier vandaan, dat ze niet juist is of dat men ze niet correct gebruikt. Dit principe vindt zijn toepassing in de leer van de wereldlijke tegenwoordigheid. Terwijl sommige theologen de leer van het Concilie over de werkelijke tegenwoordigheid en de transsubstantiatie aanvaarden, interpreteren ze toch de woorden van Christus en die van het Concilie op zulk een wijze, dat er van de aanwezigheid van Christus slechts een soort omhulsel overblijft, dat beroofd is van zijn natuurlijke inhoud. Naar hun mening is de actuele wezenlijke inhoud van de gedaanten van brood en wijn „de Heer in de hemel", met wie de gedaanten een zogenaamde reële en essentiële relatie hebben van bevatting en aanwezigheid. Deze speculatieve interpretatie roept ernstige objecties op, wanneer men ze voorstelt als volstrekt voldoende, want het christelijk gevoelen van het gelovige volk, het standvastig catechetisch onderricht van de Kerk, de termen van het Concilie, vooral de woorden des Heren eisen, dat de Eucharistie de Heer zelf bevat. De sacramentele gedaanten zijn de Heer zelf niet, zelfs indien ze met de zelfstandigheid van Christus in de hemel een zogenaamde essentiële relatie hebben van bevatting en aanwezigheid. De Heer heeft gezegd: „Dit is mijn Lichaam! Dit is mijn Bloed!". Hij heeft niet gezegd: „Dit is een zintuiglijk waarneembare schijn, die de aanwezigheid van mijn Lichaam en mijn Bloed betekent". Hij kon ongetwijfeld maken, dat de zintuiglijk waarneembare tekenen van een werkelijke aanwezigheidsrelatie zintuiglijk waarneembare en in feite uitwerkende tekenen zouden zijn van de sacramentele genade; maar het gaat hier over de essentiële inhoud van de „species eucharisticae", niet over hun sacramentele uitwerking. Men kan dus niet aanvaarden, dat de theorie, waarover Wij zo-even spraken, volledig recht verschaft aan de woorden van Christus, dat de aanwezigheid van Christus in de Eucharistie niets méér betekent en dat dit volstaat om in volle waarheid van de Eucharistie te kunnen zeggen: „Dominus est" Vgl. Joh. 21, 7 .

Ongetwijfeld is de massa van de gelovigen niet in staat de moeilijke speculatieve problemen en de pogingen tot verklaring te begrijpen betreffende de natuur van de tegenwoordigheid van Christus. De Catechismus-Compendium
Catechismus Romanus Concilii Tridentini
Catechismus van het Concilie van Trente ()
nodigt trouwens uit om deze kwesties niet in hun bijzijn te bespreken Vgl. Catechismus-Compendium, Catechismus van het Concilie van Trente, Catechismus Romanus Concilii Tridentini. pars II, cap. IV, n. 43 sq., maar de boven geschetste theorie vermeldt hij niet en stelt hij niet voor; nog veel minder bevestigt hij, dat ze de zin van de woorden van Christus uitput en ze volledig verklaart. Men mag verder gaan met het zoeken van verklaringen en wetenschappelijke interpretaties, maar ze mogen niet, om zo te zeggen, Christus uit de Eucharistie laten vertrekken en alleen maar in het tabernakel eucharistische gedaanten overlaten, die een zogenaamde reële en essentiële relatie behouden met de werkelijke Heer, die in de hemel is.

Het wekt verwondering, dat degenen, die zich niet tevreden stellen met de hierboven uiteengezette theorie, gerangschikt worden bij het getal der tegenstanders onder de niet wetenschappelijke „fysicisten", of dat men ten aanzien van de zogenaamde wetenschappelijke opvatting van de tegenwoordigheid van Christus niet aarzelt te verklaren: „Deze waarheid is niet voor de massa's".

Aan deze beschouwingen moeten Wij enkele opmerkingen toevoegen over het tabernakel. Zoals Wij zoeven zeiden: „De Heer is in zekere zin groter dan het altaar en het offer", zouden Wij nu kunnen zeggen: „Is het tabernakel, waar de Heer woont, die te midden van zijn volk is neergedaald, hoger dan het altaar en het offer?". Het altaar wint het van het tabernakel, omdat men er het offer des Heren op draagt. Het tabernakel bezit ongetwijfeld het „Sacramentum permanens"; maar het is niet een „altare permanens"omdat de Heer zich alleen maar op het altaar als offer opdraagt gedurende de viering van de H. Mis, maar niet na of buiten de H. Mis. In het tabernakel is Hij daarentegen zolang aanwezig als de geconsacreerde gedaanten voortduren, zonder zich evenwel voortdurend te offeren. Men heeft het volste recht onderscheid te maken tussen de offerande van het Misoffer en de „cultus latreuticus", die de in de Eucharistie verborgen God-Mens wordt gebracht. Een Congregatie voor de Riten
Over de Uitstelling van het H. Sacrament tijdens de H. Mis (27 juli 1927)
van de H. Congregatie van de Riten, gedateerd 27 juli 1927, beperkt de uitstelling van het H. Sacrament gedurende de Mis tot het minimum; maar ze wordt gemakkelijk verklaard door de zorg om gewoonlijk de offerdaad en de cultus van eenvoudige aanbidding gescheiden te houden, opdat de gelovigen duidelijk het eigen karakter zullen begrijpen.

Toch is het bewustzijn van de eenheid belangrijker dan dat van deze verscheidenheid: het is één en dezelfde Heer, die op het altaar wordt geslachtofferd en in het tabernakel wordt vereerd en van daaruit zijn zegeningen verspreidt. Als men er goed van overtuigd was, zou men menige moeilijkheid vermijden, - men zou zich ervoor wachten om de betekenis van het een ten nadele van het ander te overdrijven en zich te verzetten tegen de besluiten van de H. Stoel.

Het Concilie van Trente heeft uitgelegd, welke; zielsgesteltenissen men moet hebben jegens het Heilig Sacrament: „Si quis dixerit, in sancto Eucharistiae sacramento Christum Unigenitum Dei Filium non esse cultu latreutico, etiam externo, adorandum, atque ideo nec festiva peculiari celebritate venerandum, neque in processionibus, secundum laudabilem et universalem Ecclesiae sanctae rituum et consuetudinem, sollemniter circumgestandum, vel non publice, ut adoretur, populo proponendum, et ejus adoratores esse idololatras: anathema sit” - "Indien iemand zegt dat in het heilige sacrament van de Eucharistie, Christus, de ééngeboren Zoon van God, niet dient aanbeden te worden, zelfs uitwendig, met de cultus latriae; en dat Hij dus noch vereerd dient te worden met een bijzonder feestelijke viering, noch feestelijk in processies dient rondgedragen te worden, volgens de lofwaardige en universele rite van de heilige Kerk; of niet publiek aan het volk ter aanbidding dient voorgehouden te worden en dat Zijn aanbidders afgodendienaars zijn, hij zij verdoemd" Concilie van Trente, 13e Zitting - Decreet over het Sacrament van de Eucharistie, Sessio XIII - Decretum de SS. Eucharistia (11 okt 1551), 22 "Si quis dixerit, non licere sacram Eucharistiam in sacrario reservari, sed statim post consecrationem necessario adstantibus distribuendam, aut non licere, ut illa ad infirmos honorifice deferatur: anathema sit” - "Indien iemand zegt dat het niet toegestaan is dat de heilige Eucharistie bewaard wordt in het heiligdom, maar dat het dadelijk na de consecratie moet uitgedeeld worden aan de aanwezigen; of dat het niet toegestaan is dat het met eer naar de zieken wordt gebracht, hij zij verdoemd" Concilie van Trente, 13e Zitting - Decreet over het Sacrament van de Eucharistie, Sessio XIII - Decretum de SS. Eucharistia (11 okt 1551), 23 Wie deze leer van harte aanvaardt, denkt er niet aan objecties te formuleren tegen de aanwezigheid van het tabernakel op het altaar. In de Instructie van het Heilig-Officie „Heilig Officie
De arte Sacra
Richtlijnen aan de plaatselijke ordinarii in verband met de gewijde kunst
(30 juni 1952)
" van 30 juni 1952, dringt de Heilige Stoel onder andere op dit punt aan: „Districte mandat haec Suprema S. Congregatio ut sancte serventur praescripta canonum Wetboek
Codex Iuris Canonici (1917) (27 mei 1917)
et Wetboek
Codex Iuris Canonici (1917) (27 mei 1917)
: „SSma Eucharistia custodiatur in praecellentissimo ac nobilissimo ecclesiae loco ac proinde regulariter in altari maiore, nisi aliud venerationi et cultui tanti sacramente commodius et decentius videatur.... SSma Eucharistia servari debet in tabernaculo immovibili in media parte altaris posito" - "Deze Hoogst Heilige Congregatie verordent dat de heilige voorschriften van canons Wetboek
Codex Iuris Canonici (1917) (27 mei 1917)
en Wetboek
Codex Iuris Canonici (1917) (27 mei 1917)
getrouw worden nageleefd : “De Allerheiligste Eucharistie dient bewaard te worden in de meest uitgelezen en eerbiedwaardige plaats in de kerk en daarom als regel in het hoofdaltaar tenzij een ander meer geschikt en gepast lijkt voor de verering en de eredienst voor dit zo groot sacrament ... De Allerheiligste Eucharistie moet bewaard worden in een onbeweeglijk tabernakel, geplaatst in het middendeel van het altaar".

Het gaat niet zozeer om de materiële aanwezigheid van het tabernakel op het altaar als wel om een tendens, waarop Wij uw aandacht zouden willen vestigen, die van een mindere achting voor de tegenwoordigheid en de werking van Christus in het tabernakel. Men stelt zich tevreden met het offer van het altaar en men vermindert het belang van Degene, die het voltrekt. Welnu, de persoon van de Heer moet het centrum van de eredienst innemen, want deze verenigt de betrekkingen van het altaar en het tabernakel en geeft er de betekenis aan.

Vooreerst stelt de Heer zich door het offer van het Altaar tegenwoordig in de Eucharistie en Hij is in het tabernakel slechts als „memoria sacrificii et passionis suae". Het tabernakel van het altaar scheiden is het scheiden' van twee dingen, die door hun oorsprong en hun aard verenigd moeten blijven. De wijze, waarop men het tabernakel op het altaar zou kunnen plaatsen zonder de viering met het gezicht naar het volk te verhinderen, kan verschillende oplossingen krijgen, waarover de specialisten hun adviezen moeten geven. Het essentiële is te hebben begrepen, dat dezelfde Heer tegenwoordig is op het altaar en in het tabernakel. Men zou ook de houding kunnen onderstrepen van de Kerk ten aanzien van bepaalde praktijken van godsvrucht: de bezoeken aan het Heilig Sacrament, die ze levendig aanbeveelt, het veertig-urengebed of de „eeuwige aanbidding", het heilig uur, het plechtig dragen van de Communie naar de zieken, de Sacramentsprocessies. De meest enthousiaste en sterkst overtuigde liturgist moet kunnen begrijpen en gissen, wat de Heer in het tabernakel betekent voor diepvrome gelovigen, of ze nu eenvoudig of geletterd zijn. Hij is hun raadgever, hun trooster, hun kracht, hun toevlucht, hun hoop in leven en dood. Niet tevreden met de gelovigen naar de Heer in het tabernakel te laten komen, moet de liturgische beweging dus haar best doen om ze daar steeds meer naartoe te leiden.

Document

Naam: VOUS NOUS AVONS DEMANDé
Tot de Kardinalen, prelaten en priesters, die hebben deelgenomen aan het Internationaal Congres voor pastorale liturgie te Assisi
Soort: Paus Pius XII - Toespraak
Auteur: Paus Pius XII
Datum: 22 september 1956
Copyrights: © 1956, Katholiek Archief jrg 11 nr 43 p. 1017-1026
Vert.: Katholiek Archief; deelvertalingen uit het Latijn: Dr. J. Vijgen
Bewerkt: 7 november 2019

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
Trefwoordenlijst voor dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2019, Stg. InterKerk, Schiedam