• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x
DIGNITAS PERSONAE
Instructie betreffende zekere bio-ethische vraagstukken
DEEL 1  -  ANTROPOLOGISCHE, THEOLOGISCHE EN ETHISCHE ASPECTEN VAN HET MENSELIJK LEVEN EN DE MENSELIJKE VOORTPLANTING

DEEL 1 - Antropologische, theologische en ethische aspecten van het menselijk leven en de menselijke voortplanting

Gedurende de laatste decennia heeft de medische wetenschap significante vooruitgang geboekt wat betreft kennis van het menselijk leven in de beginstadia. Menselijke biologische structuren en het proces van menselijke voortplanting zijn thans beter bekend. Deze ontwikkelingen zijn zeker positief en steunwaardig, als zij dienen om pathologieën te overwinnen of te corrigeren en erin slagen de menselijke voortplanting weer normaal te laten functioneren. Van de andere kant zijn ze negatief en kunnen niet gebruikt worden, als ze de vernietiging van mensen met zich mee brengen of als ze middelen gebruiken die in tegenspraak zijn met de waardigheid van de persoon of als ze gebruikt worden voor doeleinden die in strijd zijn met het algehele goed van de mens.

Het lichaam van een mens kan, vanaf de allereerste stadia van zijn bestaan, nooit worden gereduceerd tot slechts een klompje cellen. Het embryonale menselijk lichaam ontwikkelt zich gestaag volgens een duidelijk omlijnd programma met een eigen doelmatigheid, zoals blijkt uit de geboorte van iedere baby.
Het is passend hier het fundamentele ethische criterium in herinnering te roepen, dat geformuleerd is in de Instructie Congregatie voor de Geloofsleer
Donum Vitae
Over het beginnend menselijk leven en waardigheid van de voortplanting
(22 februari 1987)
, om alle morele kwesties te evalueren die betrekking hebben op procedures waarbij het menselijk embryo is betrokken: “Daarom eist de vrucht van de menselijke voortbrenging vanaf het eerste moment van het bestaan ervan, en dat wil zeggen vanaf de vorming van de zygote, de onvoorwaardelijke eerbied, welke aan het menselijk wezen in zijn lichamelijke en geestelijke totaliteit moreel verschuldigd is. Het menselijk wezen moet vanaf het moment van zijn ontvangenis worden geëerbiedigd en behandeld als een persoon en daarom moeten er vanaf datzelfde moment de rechten van de persoon aan worden toegekend, waaronder voor alles het onaantastbare recht van ieder onschuldig menselijk wezen op het leven”. Congregatie voor de Geloofsleer, Over het beginnend menselijk leven en waardigheid van de voortplanting, Donum Vitae (22 feb 1987), 4

Dit ethische principe, dat door de rede kan worden erkend als waar en als in overeenstemming met de morele natuurwet, moet de basis vormen voor alle wetgeving op dit terrein. Paus Benedictus XVI, Toespraak, Tot de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, New York (18 apr 2008). Mensenrechten, zo heeft paus Benedictus XVI in herinnering geroepen, en in het bijzonder het recht op leven van iedere mens, “zijn gebaseerd op de natuurwet die gegrift is in de harten van de mensen en aanwezig is in verschillende culturen en beschavingen. Mensenrechten uit deze context halen zou de beperking van hun reikwijdte inhouden en toegeven aan een relativistische denkwijze. Daarbij zouden de betekenis en uitleg van rechten kunnen variëren en hun universaliteit worden ontkend vanuit verschillende culturele, politieke, sociale en zelfs religieuze visies. We moeten deze grote variëteit van gezichtspunten niet het feit laten verdoezelen, dat niet alleen rechten universeel zijn, maar de menselijke persoon, het onderwerp van deze rechten, evenzo” In feite veronderstelt het een waarheid van ontologische aard, zoals Congregatie voor de Geloofsleer
Donum Vitae
Over het beginnend menselijk leven en waardigheid van de voortplanting
(22 februari 1987)
met solide wetenschappelijk bewijs heeft aangetoond, wat betreft de continuïteit in de ontwikkeling van een mens.

Ook al heeft Congregatie voor de Geloofsleer
Donum Vitae
Over het beginnend menselijk leven en waardigheid van de voortplanting
(22 februari 1987)
, om een expliciet filosofische stelling te vermijden, het embryo niet als persoon gedefinieerd, toch heeft deze Instructie aangegeven dat er een intrinsiek verband bestaat tussen de ontologische dimensie en de specifieke waarde van elk menselijk leven. Ofschoon de aanwezigheid van de geestelijke ziel niet experimenteel kan worden waargenomen, leveren de conclusies van de wetenschap wat betreft het menselijk embryo “een kostbare aanwijzing om rationeel een persoonlijke aanwezigheid te onderscheiden vanaf dit eerste verschijnen van een menselijk leven: waarom zou een menselijk individu geen menselijke persoon zijn?” Congregatie voor de Geloofsleer, Over het beginnend menselijk leven en waardigheid van de voortplanting, Donum Vitae (22 feb 1987), 7 De werkelijkheid van de mens gedurende zijn gehele leven, zowel vóór als na de geboorte, maakt het ons niet mogelijk hetzij een verandering van wezen, hetzij een gradatie in morele waarde te veronderstellen, daar hij volledige antropologische en ethische status bezit. Het menselijk embryo heeft daarom vanaf het eerste begin de waardigheid die een persoon toekomt.

Iedere mens heeft recht op respect voor deze waardigheid, omdat iedereen op onuitwisbare wijze zijn eigen waardigheid en waarde in zich draagt. De oorsprong van het menselijk leven heeft als authentieke context het huwelijk en het gezin, waar het ontstaat door een handeling die uiting geeft aan de wederzijdse liefde tussen een man en een vrouw. Waarachtig verantwoordelijke voortplanting wat betreft het kind dat geboren zal worden “moet de vrucht van het huwelijk” zijn. Congregatie voor de Geloofsleer, Over het beginnend menselijk leven en waardigheid van de voortplanting, Donum Vitae (22 feb 1987), 14

Het huwelijk, dat we in alle tijden en in alle culturen aantreffen, is “een wijze en voorzienige instelling van de goddelijke Schepper om zijn liefdesplan in de mensen tot werkelijkheid te maken. Daarom streven de echtgenoten door de wederzijdse overgave, die aan hen en uitsluitend aan hen beiden eigen is, naar de persoonsgemeenschap waardoor zij elkaar vervolmaken om met God samen te werken aan de verwekking en opvoeding van nieuwe levens”. H. Paus Paulus VI, Encycliek, Het menselijk leven en geboorteregelingen, Humanae Vitae (25 juli 1968), 8 In de vruchtbaarheid van de huwelijksliefde “maken man en vrouw duidelijk dat de oorsprong van hun huwelijksleven een oprecht ‘ja’ is, uitgesproken en waarachtig beleefd in wederzijdsheid, altijd openstaand voor nieuw leven ... De natuurwet, die de basis vormt voor de erkenning van werkelijke gelijkheid tussen mensen en volken, moet erkend worden als de bron die de relatie tussen de huwelijkspartners inspireert in hun verantwoordelijkheid voor het verwekken van nieuwe kinderen. Het doorgeven van het leven is in de natuur gegrift en de wetten daarvan zijn een ongeschreven norm waarnaar alles moet verwijzen”. Paus Benedictus XVI, Toespraak, Tot deelnemers aan het internationale congres gepromoot door de Pauselijke Universiteit van Lateranen bij de 40e verjaardag van de Encycliek "Humanae Vitae", Bekrachtiging van "Humanae vitae" (10 mei 2008), 4

Het is de overtuiging van de Kerk dat wat menselijk is niet alleen ontvangen en gerespecteerd wordt door het geloof, maar ook gezuiverd, verheven en vervolmaakt wordt. Nadat God de mens naar Zijn beeld en gelijkenis geschapen had Vgl. Gen. 1, 26 , omschreef Hij Zijn schepsel als “heel goed” (Gen. 1, 31); later zou Zijn Zoon de menselijke gedaante aannemen Vgl. Joh. 1, 14 . In het mysterie van de Menswording bevestigde de Zoon van God de waardigheid van het lichaam en de ziel, die samen de mens vormen. Christus verachtte de menselijke lichamelijkheid niet, maar ontvouwde juist ten volle de betekenis en de waarde ervan: “In werkelijkheid licht het mysterie van de mens alleen op in het mysterie van het mens geworden Woord”. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk in de wereld van deze tijd, Gaudium et Spes (7 dec 1965), 22

Door een van ons te worden, maakt de Zoon het voor ons mogelijk “kinderen van God” te worden (Joh. 1, 12), mensen die “deel krijgen aan Gods eigen wezen” (2 Pt. 1, 4). Deze nieuwe dimensie is niet in strijd met de waardigheid van het schepsel, die iedereen middels de rede kan erkennen, maar verheft deze tot een wijdere levenshorizon die eigen is aan God, waardoor we het vermogen krijgen dieper na te denken over het menselijk leven en over de daden waardoor dit in het bestaan wordt geroepen. Vgl. H. Paus Johannes Paulus II, Encycliek, Over de waarde en de onaantastbaarheid van het menselijk leven, Evangelium Vitae (25 mrt 1995), 37-38

De eerbied voor de individuele mens, vereist door de rede, wordt vergroot en versterkt in het licht van deze geloofswaarheden: zo zien we dat er geen tegenstelling is tussen de bevestiging van de waardigheid en de bevestiging van de heiligheid van het menselijk leven. “De verschillende manieren waarop God, handelend in de geschiedenis, zorg draagt voor de wereld en voor de mensheid sluiten elkaar niet uit; integendeel, ze ondersteunen elkaar en zijn met elkaar verbonden. Ze hebben hun eigen oorsprong en doel in het eeuwige, wijze en liefdevolle raadsbesluit waarbij God mannen en vrouwen heeft voorbestemd “tot gelijkvormigheid met het beeld van Zijn Zoon” (Rom. 8, 29). H. Paus Johannes Paulus II, Encycliek, Over kerkelijke moraalleer, Veritatis Splendor (6 aug 1993), 45

Door de interrelatie van deze twee dimensies, de menselijke en de goddelijke, als uitgangspunt te nemen, kunnen we beter begrijpen waarom de mens onaantastbare waarde heeft: hij heeft een eeuwige roeping en is geroepen om te delen in de trinitaire liefde van de levende God.

Deze waarde behoort aan alle mensen zonder onderscheid. Vanwege het simpele feit dat hij bestaat, moet iedere mens volledig worden gerespecteerd. Het invoeren van discriminatie wat betreft menselijke waardigheid op grond van biologische, psychologische of educatieve ontwikkeling moet onmogelijk worden gemaakt. In ieder stadium van zijn ontwikkeling weerspiegelt de mens, geschapen naar Gods beeld en gelijkenis, “het gelaat van Zijn Eniggeboren Zoon ... Deze eindeloze en bijna onbegrijpelijke liefde van God voor de mens openbaart de mate waarin de mens het verdient omwille van zichzelf bemind te worden, onafhankelijk van welke andere overweging dan ook – intelligentie, schoonheid, jeugd, integriteit, en zomeer. Kortom, het menselijk leven is altijd een goed, want het ‘is een teken van God in de wereld, een teken van Zijn aanwezigheid, een spoor van Zijn heerlijkheidH. Paus Johannes Paulus II, Encycliek, Over de waarde en de onaantastbaarheid van het menselijk leven, Evangelium Vitae (25 mrt 1995), 34”. Paus Benedictus XVI, Toespraak, Tot het congres van de Pauselijke Academie voor het Leven, De menselijke embryo in de fase van de pre-implantatie (27 feb 2006), 4
Deze beide dimensies van het leven, de natuurlijke en de bovennatuurlijke, stellen ons beter in staat te begrijpen in welke zin de handelingen die het mogelijk maken dat een nieuwe mens ontstaat, waarin een man en een vrouw zich aan elkaar geven, een weerspiegeling zijn van de trinitaire liefde. “God, Die leven en liefde is, heeft in man en vrouw de roeping gegrift op een bijzondere wijze deel te nemen in Zijn mysterie van persoonlijke gemeenschap en in Zijn werk als Schepper en Vader”. Congregatie voor de Geloofsleer, Over het beginnend menselijk leven en waardigheid van de voortplanting, Donum Vitae (22 feb 1987), 3

Het christelijke huwelijk is gebaseerd op “de natuurlijke complementariteit tussen man en vrouw, en wordt gevoed door de persoonlijke bereidheid van de huwelijkspartners hun hele leven te delen, alles wat ze hebben en wat ze zijn: daarom is een dergelijke gemeenschap de vrucht en het teken van een diepe menselijke behoefte. Maar in Christus de Heer neemt God deze menselijke behoefte aan, bevestigt, zuivert en verheft ze, en leidt ze tot volmaaktheid door het sacrament van het huwelijk: de heilige Geest Die uitgestort wordt in de sacramentele viering schenkt christelijke paren de gave van een nieuwe gemeenschap van liefde, die het werkelijke en levende beeld is van die unieke eenheid die de Kerk maakt tot het ondeelbare Mystieke Lichaam van de Heer Jezus”. H. Paus Johannes Paulus II, Postsynodale Apostolische Exhortatie, Over de taken van het christelijk gezin in de wereld van deze tijd, Familiaris Consortio (22 nov 1981), 19
Door een ethisch oordeel te geven over enkele ontwikkelingen op het gebied van recent medisch onderzoek betreffende de mens en zijn begin, begeeft de Kerk zich niet op het terrein dat eigen is aan de medische wetenschap zelf, maar roept eerder iedereen op ethische en sociale verantwoordelijkheid te nemen voor eigen daden. Zij herinnert mensen eraan dat de ethische waarde van de biomedische wetenschap geijkt moet worden aan zowel het onvoorwaardelijke respect dat iedere mens toekomt op ieder moment van zijn of haar bestaan, als aan de verdediging van het bijzondere karakter van de persoonlijke daad die het leven doorgeeft. De interventie van het leergezag valt binnen de missie bij te dragen aan de vorming van het geweten, door op authentieke manier de waarheid te onderwijzen die Christus is en tegelijkertijd de principes van de morele orde, die voortkomen uit de menselijke natuur zelf, te verklaren en gezagvol te bevestigen. Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Verklaring, Over de godsdienstvrijheid - Het recht van de persoon en van de gemeenschappen op sociale en burgerlijke vrijheid in godsdienstige aangelegenheden, Dignitatis Humanae (7 dec 1965), 14

Document

Naam: DIGNITAS PERSONAE
Instructie betreffende zekere bio-ethische vraagstukken
Soort: Congregatie voor de Geloofsleer
Auteur: William Kardinaal Levada
Datum: 8 september 2008
Copyrights: © 2008, Libreria Editrice Vaticana / SRKK
Voorlopige vert.: N. Stienstra
Bewerkt: 7 november 2019

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2020, Stg. InterKerk, Schiedam