• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

ARMOEDE BESTRIJDEN, WERKEN AAN VREDE
Boodschap bij gelegenheid van Wereld Vrede Dag 2009

Bij het begin van dit nieuwe jaar zou ik opnieuw graag tot iedereen mijn vredeswens richten, en allen uitnodigen om via deze boodschap na te denken over het thema “Armoede bestrijden, werken aan vrede”. Mijn geëerde voorganger Johannes Paulus II heeft reeds in zijn H. Paus Johannes Paulus II - Boodschap
Wie de vrede zoekt, komt de armen tegemoet
Internationale Dag voor de Vrede 1 januari 1993
(8 december 1992)
de aandacht gevestigd op de negatieve gevolgen voor de vrede wanneer hele bevolkingsgroepen in armoede leven. Armoede is daadwerkelijk één van de factoren die aanleiding geven tot conflicten, ook gewapende, en deze nog verscherpen. Terwijl deze op hun beurt tragische situaties van armoede bestendigen. “Een andere reële bedreiging voor de vrede tekent zich af in de wereld en wordt steeds zorgwekkender” schreef Johannes Paulus II: “Veel mensen en ook hele bevolkingen leven vandaag in extreme armoede. De ongelijkheid tussen rijken en armen komt steeds klaarder aan het licht, zelfs in de economisch meest ontwikkelde landen. Daarbij gaat het om een probleem voor het geweten van de mensheid, want de situatie waarin zoveel mensen zich bevinden betekent een schending van hun fundamentele waardigheid, en brengt daardoor de authentieke en harmonieuze vooruitgang van de mensengemeenschap in gevaar.” H. Paus Johannes Paulus II, Boodschap, Internationale Dag voor de Vrede 1 januari 1993, Wie de vrede zoekt, komt de armen tegemoet (8 dec 1992), 1
In deze context impliceert strijden tegen de armoede dus dat we aandachtig het complexe fenomeen van de globalisering bekijken. Dit is reeds vanuit methodologische hoek belangrijk, omdat we zo uitgenodigd worden gebruik te maken van de onderzoeksresultaten van economisten en sociologen met betrekking tot de verschillende aspecten van de armoede. De verwijzing naar het kader van de globalisering zou eveneens een spirituele en morele zin moeten krijgen, want zij stuurt erop aan dat we naar de armen kijken vanuit het bewuste perspectief dat we allen samen deelhebben aan een uniek goddelijk project: we zijn namelijk geroepen om te bouwen aan één familie waarin allen – individuen,volkeren en naties – hun gedragingen baseren op de principes van broederlijkheid en verantwoordelijkheid.

Dit perspectief vraagt een brede en gedifferentieerde kijk op het fenomeen ‘armoede’. Als er alleen materiële armoede zou zijn, dan zouden de sociale wetenschappen, die ons helpen om fenomenen te meten op basis van vooral kwantitatieve gegevens, volstaan om de belangrijkste karakteristieken ervan aan te wijzen. We weten echter dat er ook vormen van immateriële armoede bestaan, die niet direct en automatisch het gevolg zijn van materiële noden. In de rijke en sterk ontwikkelde maatschappijen bijvoorbeeld, vindt men fenomenen van marginalisering, en van relationele, morele en spirituele armoede. Het gaat daarbij om mensen die innerlijk gedesoriënteerd zijn, die diverse vormen van ontbering kennen, ondanks hun economisch welzijn. Ik denk, van de ene kant, aan wat men ‘morele onderontwikkeling’ H. Paus Paulus VI, Encycliek, Over de ontwikkeling van de volken, Populorum Progressio (26 mrt 1967), 19 noemt, en van de andere kant, aan de negatieve gevolgen van de ‘overontwikkeling’. H. Paus Johannes Paulus II, Encycliek, De ontwikkeling van de mens en de samenleving
Twintig jaar na Populorum Progressio van Paus Paulus VI, Sollicitudo Rei Socialis (30 dec 1987), 28
Ik vergeet daarbij ook niet dat in de zogenaamd ‘arme’ maatschappijen, de economische groei vaak afgeremd wordt door culturele obstakels, die een efficiënt gebruik van de natuurlijke hulpbronnen in de weg staan. Het blijft hoe dan ook waar, dat elke vorm van onvrijwillige armoede voortkomt uit een gebrek aan respect voor de transcendente waardigheid van de menselijke persoon. Wanneer de mens niet beschouwd wordt in de totaliteit van zijn roeping en men de aanspraken van een echte ‘menselijke ecologie’ H. Paus Johannes Paulus II, Encycliek, Ter gelegenheid van de honderdste verjaardag van de encycliek Rerum Novarum, Centesimus Annus (1 mei 1991), 38 niet respecteert, treden ook de perverse dynamieken van de armoede in werking, zoals duidelijk blijkt op een aantal domeinen die ik hier kort onder de aandacht breng.

Armoede en morele implicaties
De demografische ontwikkelingen worden vaak gezien als een oorzaak van armoede. Tengevolge daarvan heeft men internationale geboortebeperkingscampagnes op het getouw gezet die gebruik maken van methodes die geen respect opbrengen voor de waardigheid van de vrouw, noch voor het recht van echtgenoten om op een verantwoordelijke manier hun kinderwens te bepalen Vgl. H. Paus Paulus VI, Encycliek, Over de ontwikkeling van de volken, Populorum Progressio (26 mrt 1967), 37 Vgl. H. Paus Johannes Paulus II, Encycliek, De ontwikkeling van de mens en de samenleving
Twintig jaar na Populorum Progressio van Paus Paulus VI, Sollicitudo Rei Socialis (30 dec 1987), 25
, en vaak – wat nog erger is – zelfs niet voor het recht op leven. Het vernietigen van miljoenen ongeboren kinderen, in naam van de strijd tegen de armoede, betekent in werkelijkheid de uitschakeling van de allerarmsten onder de mensen. Daartegenover staat het feit dat in 1981 ongeveer 40 % van de wereldbevolking onder de absolute armoedegrens leefde, terwijl dit percentage vandaag praktisch gehalveerd is en dat volkeren die onder andere een sterke demografische groei kennen, uit de armoede verdwenen zijn. Dit gegeven maakt duidelijk dat, zelfs als de bevolking zou aangroeien, er voldoende middelen zouden zijn om het probleem van de armoede op te lossen. Men mag niet vergeten dat sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog en tot op vandaag de wereldbevolking met vier miljard is gegroeid en dat dit fenomeen in hoge mate landen betreft die vrij recent als nieuwe economische grootmachten op de internationale scène zijn verschenen, en hun vlugge ontwikkeling juist te danken hebben aan hun groter geworden bevolkingsaantal. Bovendien zijn het, onder de meest ontwikkelde landen, de landen met de hoogste geboortecijfers die meer kansen hebben om zich te ontwikkelen. Met andere woorden, de bevolking blijkt een rijkdom te zijn, en niet een factor die tot armoede leidt.
Een andere bron van bezorgdheid zijn de pandemische ziektes zoals malaria, tuberculose en aids, die, in de mate waarin ze de productieve sectoren van de bevolking treffen, een grote invloed uitoefenen op de verslechtering van de algemene toestand van een land. De pogingen om de gevolgen van deze ziekten voor de bevolking af te remmen bereiken niet altijd betekenisvolle resultaten. Bovendien moeten landen die het slachtoffer zijn van deze pandemieën soms, om deze te bestrijden, de chantage dulden van hen die als voorwaarde voor hun economische hulp een politiek eisen die ingaat tegen het leven. In het bijzonder is het moeilijk om aids, een dramatische oorzaak van armoede, te bestrijden als men de morele problemen die verbonden zijn met de verspreiding van het virus niet aanpakt. Men moet op de eerste plaats campagnes lanceren die vooral de jongeren opvoeden tot een seksualiteit die overeenstemt met de waardigheid van de menselijke persoon. Initiatieven in deze zin hebben reeds tot betekenisvolle resultaten geleid, en de verspreiding van het Hiv-virus gereduceerd. Vervolgens moet men de noodzakelijke geneesmiddelen en zorgen toegankelijk maken voor de arme volkeren; dit veronderstelt dan weer dat men medisch onderzoekswerk en therapeutische innovaties sterk bevordert, evenals een soepele toepassing - wanneer dit nodig blijkt - van de internationale regels die de intellectuele eigendommen regelen, zodat een basisgezondheidszorg voor allen verzekerd is.
Een derde domein waarnaar de aandacht gaat in de programma’s voor de strijd tegen de armoede, en die de intrinsieke morele dimensie ervan aan het licht brengt, is de armoede bij kinderen. Wanneer een gezin getroffen wordt door armoede, zijn de kinderen de meest kwetsbare slachtoffers: bijna de helft van hen die vandaag in absolute armoede leven, zijn kinderen. Wanneer men naar de armoede kijkt vanuit het oogpunt van de kinderen, wordt men ertoe gebracht dié doelstellingen als prioritair te beschouwen die voor hen het meest van belang zijn, zoals bijvoorbeeld de zorg voor de moeders, het opvoedingswerk, de toegang tot inentingen, tot medische verzorging en drinkbaar water, de zorg voor het milieu en, vooral, de inzet voor de bescherming van het gezin en voor de stabiliteit van de gezinsrelaties. Als het gezin zwakker wordt, dragen de kinderen daarvan onvermijdelijk de nadelige gevolgen. Waar de waardigheid van de vrouw en de moeder niet beschermd wordt, dan zijn het altijd en op de eerste plaats de kinderen die daarvan de gevolgen dragen.
Een vierde domein dat vanuit moreel oogpunt bijzondere aandacht verdient is de bestaande relatie tussen ontwapening en ontwikkeling. Het huidige niveau van de wereldwijde militaire uitgaven is zorgwekkend. Zoals ik reeds eerder heb onderstreept, is het een feit dat “de enorme materiële en menselijke middelen die ingezet worden voor militaire uitgaven en voor bewapening... onttrokken worden aan de ontwikkelingsprojecten voor de volkeren, vooral voor hen die het armst zijn en het meest op hulp zijn aangewezen. Dit gaat in tegen het Verenigde Naties
Handvest van de Verenigde Naties (10 januari 1946)
, dat de internationale gemeenschap en de staten in het bijzonder ertoe verplicht om ‘de uitbouw en de instandhouding van de vrede en de internationale veiligheid zo te bevorderen, dat slechts een minimum van de menselijke en economische middelen van de wereld aan bewapening wordt besteed’ Verenigde Naties, Handvest van de Verenigde Naties (10 jan 1946), 26.” Paus Benedictus XVI, Brief, Aan Reanto Raffaele Kardinaal Martino bij gelegenheid van de Internationale Conferentie van de Pauselijke Raad Justitia et Pax over het thema "Ontwapening, ontwikkeling en vrede. Perspectieven voor een algehele ontwapening" (10 apr 2008) Deze stand van zaken biedt geen soelaas, integendeel, vormt zelfs een ernstig obstakel voor het bereiken van de grote ontwikkelingsdoelstellingen van de internationale gemeenschap. Een overdreven groei van de militaire uitgaven riskeert bovendien een bewapeningswedloop te versnellen, die leidt tot haarden van onderontwikkeling en wanhoop, en zich paradoxaal genoeg omkeert tot een factor van onstabiliteit, spanning en conflicten. Zoals mijn geëerde voorganger Paulus VI met een vooruitziende blik heeft verklaard: “Ontwikkeling is de nieuwe naam voor vrede”. H. Paus Paulus VI, Encycliek, Over de ontwikkeling van de volken, Populorum Progressio (26 mrt 1967), 87 De staten worden daarom opgeroepen om ernstig na te denken over de diepere oorzaken van de conflicten, die vaak ontbranden als een gevolg van onrecht, en om eraan te remediëren door een moedige zelfkritiek. Als men tot een verbetering van de relaties kan komen, dan moet dit een reductie van de wapenuitgaven mogelijk maken. De vrijgekomen gelden kunnen dan bestemd worden voor ontwikkelingsprojecten ten gunste van de armste en meest hulpbehoevende personen en volkeren. Een stevig engagement in deze zin is een engagement voor de vrede binnen de mensenfamilie.
Een vijfde domein dat te maken heeft met de strijd tegen de materiële armoede betreft de actuele voedselcrisis, die de bevrediging van de elementaire behoeften in het gedrang brengt. Deze crisis wordt niet op de eerste plaats gekenmerkt door voedselgebrek, maar vooral door moeilijkheden om toegang te krijgen tot het voedsel en door speculatieve bewegingen, en dus door een gebrek aan coördinatie tussen politieke en economische instellingen om aan de behoeftes en de noodtoestand tegemoet te komen. Ondervoeding kan ook leiden tot ernstige psychofysische schade bij volkeren, door vele mensen te beroven van de energie die ze nodig hebben om zonder extra hulp uit hun armoedesituatie te geraken. Dit draagt bij tot een verbreding van de kloof van de ongelijkheden, en lokt reacties uit die gewelddadig kunnen worden. De gegevens over de evolutie van de relatieve armoede in de laatste decennia wijzen alle op een groeiende kloof tussen rijk en arm. De voornaamste oorzaken van dit fenomeen zijn ongetwijfeld, aan de ene kant, de technologische verandering, waarvan de voordelen vooral de hogere inkomensklassen ten goede komen, en anderzijds, de dynamiek van de prijzen van de industriële producten, die veel vlugger stijgen dan die van de landbouwproducten en de grondstoffen waarover de armere landen beschikken. Zo komt het dat het grootste deel van de bevolking van de armere landen onder een dubbele vorm van marginalisering lijdt: zowel door lagere inkomens als door hogere prijzen.
Strijd tegen de armoede en wereldsolidariteit
Een van de beste wegen voor vredesopbouw is een globalisering die de belangen van de grote mensenfamilie op het oog heeft. Vgl. H. Paus Johannes Paulus II, Encycliek, Ter gelegenheid van de honderdste verjaardag van de encycliek Rerum Novarum, Centesimus Annus (1 mei 1991), 58 Om de globalisering in die richting te sturen is echter een sterke mondiale solidariteit Vgl. H. Paus Johannes Paulus II, Toespraak, Tot de Italiaanse Christelijke Arbeidersbeweging - ACLI (27 apr 2002), 4 nodig tussen rijke en arme landen, en binnen de schoot van elk land, ook als het rijk is. Een “gemeenschappelijke ethische code” H. Paus Johannes Paulus II, Toespraak, Tot de Pauselijke Academie voor Sociale Wetenschappen (2001) (27 apr 2001), 1 is noodzakelijk, waarvan de normen niet alleen op afspraken berusten, maar geworteld staan in de natuurwet die de Schepper in het geweten van elke mens geschreven heeft Vgl. Rom. 2, 14-15 . Voelt niet elk van ons zich geroepen, in de grond van zijn geweten, om zijn eigen bijdrage te leveren tot het algemeen welzijn en de sociale vrede? De globalisering doet sommige grenzen verdwijnen, maar dit betekent niet dat ze ook geen nieuwe kan oprichten; ze brengt volkeren dichter bij elkaar, maar de nabijheid in ruimte en tijd schept niet uit zichzelf de voorwaarden voor een echte gemeenschap en een authentieke vrede. De armen op deze planeet zullen slechts dán in de globalisering een werkzame remedie vinden die hen bevrijdt uit hun marginalisering, als elk mens zich persoonlijk gekwetst voelt door het onrecht in de wereld en de daarmee gepaard gaande schending van de mensenrechten. De Kerk, “die teken en werktuig is voor de intieme vereniging met God en voor de eenheid van heel het mensdom” 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk, Lumen Gentium (21 nov 1964), 1, zal haar bijdrage blijven leveren opdat een einde zou komen aan alle vormen van onrecht en onbegrip en een meer vreedzame en solidaire wereld tot stand zou komen.
Op het domein van de internationale handel en de financiële transacties zijn tegenwoordig processen aan de gang die een positieve coördinatie van de economieën mogelijk maken, en bijdragen tot een verbetering van de algemene situatie; maar er zijn ook processen in tegengestelde zin, die een wig drijven tussen volkeren en tot marginalisering leiden, en op die manier ernstige risico’s scheppen op oorlogen en conflicten. In de decennia die gevolgd zijn op de Tweede Wereldoorlog is de internationale handel in goederen en diensten ontzettend vlug gegroeid, met een dynamiek die in de loop van de geschiedenis zijn voorgaande niet heeft gekend. Een groot deel van de wereldhandel had te maken met de oude industrielanden, waarbij, heel betekenisvol, zich veel opkomende landen hebben aangesloten, die op hun beurt belangrijke actoren zijn geworden. Maar andere landen, met een laag inkomen, blijven ruimschoots aan de zijlijn staan van het handelsverkeer. Hun groei werd vertraagd door de vlugge val, in de laatste decennia, van de koers van de grondstoffen, die de quasi totaliteit uitmaken van hun uitvoer. In deze landen, voor het merendeel Afrikaanse, blijft de afhankelijkheid van de uitvoer van grondstoffen een sterke risicofactor. Ik zou hier mijn oproep willen herhalen voor gelijke toegangsmogelijkheden voor alle landen tot de wereldmarkt, om elke vorm van uitsluiting en marginalisering te vermijden.
Een gelijkaardige overweging kan men maken met betrekking tot het domein van de financies, een van de belangrijkste aspecten van het fenomeen van de globalisering, dank zij de ontwikkelingen op het gebied van de elektronica en de politiek van vrijmaking van de geldstromen tussen de verschillende landen. De objectief belangrijkste functie van de geldhandel, met name de ondersteuning op lange termijn van de mogelijkheid tot investeringen en dus tot ontwikkeling, blijkt vandaag uitermate zwak: hij ondergaat de negatieve invloed van een financieel transactiesysteem – zowel nationaal als mondiaal – dat gebaseerd is op een extreme kortetermijnlogica, die een waardevermeerdering door financiële activiteiten nastreeft en zich concentreert op de technische beheersing van de verschillende vormen van risico’s. Ook de recente crisis toont aan hoe vaak financiële activiteiten door een puur autoreferentiële logica geleid worden en het algemeen welzijn op lange termijn helemaal buiten beschouwing laten. Wanneer de financiële actoren wereldwijd hun doelstellingen verengen tot een extreem korte termijn kan het geldwezen veel minder zijn rol spelen als brug tussen heden en toekomst, om op langere termijn de creatie van nieuwe productie- en werkmogelijkheden te ondersteunen. Wanneer de geldhandel zich beperkt tot de korte en zeer korte termijn, wordt hij gevaarlijk voor iedereen, zelfs voor hen die erin slagen om in periodes van financiële euforie ervan te profiteren. Vgl. Pauselijke Raad "Justitia et Pax", Compendium van de Sociale Leer van de Kerk (26 okt 2004), 368
Uit dit alles blijkt dat de strijd tegen de armoede een vorm van samenwerking veronderstelt, zowel op economisch als op juridisch vlak, die de internationale gemeenschap en in het bijzonder de arme landen in staat stelt gecoördineerde oplossingen te vinden en uit te werken om bovengenoemde problemen aan te pakken door de economie te voorzien van een efficiënt juridisch kader. Daarenboven moeten er impulsen komen om efficiënte en participatieve instituties in het leven te roepen, en steun in de strijd tegen de criminaliteit en ter bevordering van een cultuur van wettelijkheid. Anderzijds kan men niet ontkennen dat een uitgesproken welvaartspolitiek vaak oorzaak is van het mislukken van hulpmaatregelen voor de arme landen. Investeren in de vorming van mensen en aanvullend een specifieke initiatiefcultuur ontwikkelen lijkt vandaag de meest geëigende stap op middellange en lange termijn. Als economische activiteiten, om zich te kunnen ontwikkelen, een gunstig klimaat nodig hebben, dan wil dat niet zeggen dat men geen aandacht moet besteden aan het probleem van het inkomen. Hoewel men terecht benadrukt heeft dat de groei van het inkomen per hoofd niet op een absolute manier beschouwd mag worden als het doel van het politiek-economisch handelen, dan mag men toch ook niet vergeten dat dit een belangrijk middel is om in de strijd tegen de honger en de extreme armoede het beoogde doel te bereiken. De idee dat een politiek die louter de herverdeling van de bestaande rijkdommen voor ogen heeft het probleem definitief kan oplossen, moeten we vanuit dit gezichtspunt als een illusie van de hand wijzen. In een moderne economie hangt de waarde van de rijkdom inderdaad in doorslaggevende mate af van de mogelijkheid om inkomens te genereren voor nu en de toekomst. Het scheppen van rijkdom wordt dus een verplichting waar we niet omheen kunnen en waarmee we moeten rekening houden als we op een efficiënte en duurzame manier willen strijden tegen materiële armoede.
De armen voorop plaatsen veronderstelt tenslotte dat de actoren op de internationale markt een gepaste ruimte creëren voor een correcte economische logica, dat de institutionele actoren een correcte politieke logica op gang brengen, en een correcte participatielogica, die de civiele maatschappij zowel lokaal als internationaal tot haar recht laat komen. De internationale organismen erkennen vandaag zelf de waarde en het voordeel van economische initiatieven die uitgaan van de civiele maatschappij of van de lokale administraties en gericht zijn op de emancipatie en de re-integratie van bevolkingslagen die vaak onder de absolute armoededrempel leven en tegelijkertijd moeilijk bereikt worden door de officiële hulpverlening. De geschiedenis van de economische ontwikkeling in de 20e eeuw leert dat een goed en efficiënt ontwikkelingsbeleid stoelt op individuele mensen die hun verantwoordelijkheid opnemen en op de creatie van positieve partnerschappen tussen de markt, de civiele maatschappij en de staat. Vooral de civiele maatschappij speelt een sleutelrol in elk ontwikkelingsproces, omdat ontwikkeling essentieel een cultureel fenomeen is en dat een cultuur ontstaat en zich ontwikkelt binnen het civiele domein. Vgl. Pauselijke Raad "Justitia et Pax", Compendium van de Sociale Leer van de Kerk (26 okt 2004), 356
Zoals mijn geëerde voorganger Johannes Paulus II reeds beklemtoond heeft, dient de globalisering zich aan “met een uitgesproken ambivalent karakter” H. Paus Johannes Paulus II, Toespraak, Tot de Italiaanse zakenlui en vakbondsleiders (2 mei 2000), 3, en moet ze dus met verstandige omzichtigheid gestuurd worden. Vgl. H. Paus Johannes Paulus II, Toespraak, Tot de Voltallige Vergadering van de Pauselijke Academie voor Wetenschappen (11 nov 2002), 2 Tot deze vorm van wijsheid behoort ook dat men primordiaal rekening houdt met de noden van de armen van deze aarde, en een einde stelt aan de schandalige wanverhouding tussen de problemen van de armoede en de maatregelen die voorzien zijn om daar iets aan te doen. Deze wanverhouding bestaat zowel op cultureel en economisch als op spiritueel en moreel niveau. Vaak blijft men namelijk hangen bij de uiterlijke en praktische oorzaken van de armoede, zonder door te dringen tot de oorzaken die in het hart van de mens wonen, zoals de hebzucht en de kortzichtigheid. De problemen in verband met ontwikkeling, hulp en internationale samenwerking worden vaak als puur technische kwesties aangepakt, waarvoor men structuren plant, tariefakkoorden sluit en anonieme financieringen voorziet, het menselijk aspect daarbij buiten beschouwing latend. De strijd tegen de armoede heeft echter nood aan mannen en vrouwen die in de diepte de medemenselijkheid beleven en in staat zijn mee te gaan met individuele mensen, met gezinnen en gemeenschappen, op wegen die leiden naar een authentieke menselijke ontwikkeling.
Besluit
In de Encycliek H. Paus Johannes Paulus II - Encycliek
Centesimus Annus
Ter gelegenheid van de honderdste verjaardag van de encycliek Rerum Novarum
(1 mei 1991)
waarschuwde Johannes Paulus II voor de noodzaak “eens en voorgoed de denkwijze op te geven die de armen van de wereld - mensen zowel als volkeren - als een last ziet, als ongewenste lastposten die vinden dat ze het recht hebben te consumeren wat anderen hebben geproduceerd.” “De armen – schreef hij – verlangen het recht te mogen participeren aan het gebruik van de materiële goederen en met hun arbeid te mogen bijdragen tot het scheppen van een rechtvaardiger en gelukkiger wereld voor allen”. H. Paus Johannes Paulus II, Encycliek, Ter gelegenheid van de honderdste verjaardag van de encycliek Rerum Novarum, Centesimus Annus (1 mei 1991), 28 In de huidige geglobaliseerde wereld blijkt steeds duidelijker dat men slechts aan vrede werkt als men ervoor zorgt dat allen de kans krijgen tot een redelijke groei: vroeg of laat, inderdaad, moeten allen betalen voor de misgroeiingen die het gevolg zijn van onrechtvaardige systemen. Alleen dwaasheid kan iemand ertoe brengen een gouden huis te bouwen te midden van woestijn en verval. De globalisering is op zichzelf niet in staat tot vredesopbouw en creëert integendeel in vele gevallen verdeeldheid en conflicten. Ze wijst eerder op een behoefte: om georiënteerd te worden naar een doelstelling van algehele solidariteit, die het welzijn nastreeft van elk en allen. In deze zin moet de globalisering gezien worden als een gunstige gelegenheid om in de strijd tegen de armoede iets betetekenisvols te realiseren door middelen die we tot hiertoe voor onmogelijk hielden in dienst te stellen van de gerechtigheid en de vrede.
Al altijd heeft de sociale leer van de kerk zich bekommerd om de armen. Ten tijde van de Encycliek Paus Leo XIII - Encycliek
Rerum Novarum
Over kapitaal en arbeid
(15 mei 1891)
ging het in hoofdzaak over de arbeiders in de nieuwe industriële maatschappij. In de sociale leer van Pius XI, Pius XII, Johannes XXII, Paulus VI en Johannes Paulus II werden nieuwe vormen van armoede onder de aandacht gebracht, terwijl de horizon van de sociale kwestie zich verbreedde, tot de mondiale afmetingen die ze nu heeft aangenomen. Vgl. H. Paus Paulus VI, Encycliek, Over de ontwikkeling van de volken, Populorum Progressio (26 mrt 1967), 3 Men moet deze verbreding van de sociale kwestie op wereldniveau niet alleen zien als een kwantitatieve uitbreiding, maar ook als een kwalitatieve verdieping met betrekking tot het leven van de mens en de noden van de mensenfamilie. De Kerk, die nauwlettend de actuele fenomenen van de globalisering en hun invloed op de verschillende vormen van armoede van de mensen volgt, brengt de nieuwe aspecten van de sociale kwestie niet alleen in hun uitgebreidheid onder de aandacht, maar ook in de diepte, voor zover ze te maken hebben met de identiteit van de mens en zijn relatie tot God. Het gaat om principes van een sociale leer die poogt de samenhang tussen armoede en globalisering te verhelderen, en het handelen op vredesopbouw te richten. Onder deze principes is het gepast hier, in het licht van het primaatschap van de liefde, op een bijzondere manier te herinneren aan “de voorkeursliefde voor de armen” H. Paus Johannes Paulus II, Encycliek, De ontwikkeling van de mens en de samenleving
Twintig jaar na Populorum Progressio van Paus Paulus VI, Sollicitudo Rei Socialis (30 dec 1987), 42
Vgl. H. Paus Johannes Paulus II, Encycliek, Ter gelegenheid van de honderdste verjaardag van de encycliek Rerum Novarum, Centesimus Annus (1 mei 1991), 57, waarvan de hele christelijke traditie getuigt, vanaf het eerste begin van de Kerk Vgl. 2 Kor. 8-9 .

“Moge iedereen onverwijld de rol spelen die hem toekomt” schreef Leo XIII in 1891, en hij voegde eraan toe: “Wat de Kerk betreft, nooit zal ze, op geen enkele manier, haar werk opgeven.” Paus Leo XIII, Encycliek, Over kapitaal en arbeid, Rerum Novarum (15 mei 1891), 45 Dit bewustzijn vergezelt vandaag nog altijd wat de Kerk doet voor de armen, in wie ze de Christus ziet Vgl. H. Paus Johannes Paulus II, Encycliek, Ter gelegenheid van de honderdste verjaardag van de encycliek Rerum Novarum, Centesimus Annus (1 mei 1991), 58, en onophoudelijk hoort ze in haar hart het gebod weerklinken van de Vredevorst tot zijn apostelen: “Vos date illis manducare – geven jullie hen dan zelf te eten” (Lc. 9, 13). Trouw aan deze oproep van haar Heer zal de christelijke gemeenschap bijgevolg nooit nalaten de hele mensenfamilie te steunen in haar opwellingen van creatieve solidariteit: niet alleen om het overtollige weg te geven, maar vooral om “verandering te brengen in de levensstijl, de productie- en consumptiemodellen, de gevestigde machtsstructuren die het samenleven vandaag bepalen”. H. Paus Johannes Paulus II, Encycliek, Ter gelegenheid van de honderdste verjaardag van de encycliek Rerum Novarum, Centesimus Annus (1 mei 1991), 58 Aan elke leerling van Christus, maar evenzeer aan elke mens van goede wil, richt ik daarom bij het begin van dit nieuwe jaar een warme oproep om zijn hart te openen voor de noden van de armen en om alles te doen wat hij concreet kan om hen te hulp te komen. Want dit axioma staat onomstotelijk vast: “Strijden tegen armoede is bouwen aan vrede”.

Vaticaan, 8 december 2008

Document

Naam: ARMOEDE BESTRIJDEN, WERKEN AAN VREDE
Boodschap bij gelegenheid van Wereld Vrede Dag 2009
Soort: Paus Benedictus XVI - Boodschap
Auteur: Paus Benedictus XVI
Datum: 8 december 2008
Copyrights: © 2008, Libreria Editrice Vaticana
Vertaling vanuit de Franse editie: Jan Vanden Berghe, Pax Christi België
Bewerkt: 30 augustus 2013

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
 
|
Pagina delen: 
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2018, Stg. InterKerk, Schiedam